Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4536

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00168
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2277, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren. De rechtbank heeft bij de beoordeling van belanghebbendes beroep op de mogelijkheid om het verdampte en meegesleepte water in mindering te brengen, terecht het verweer van de Inspecteur daartegen in de beoordeling betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 579
Belastingblad 2010/520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00168

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 5 januari 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] BV, statutair gevestigd te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 maart 2008, nr. AWB 07/1991, LJN: BD2277, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap van Delfland (hierna: de Inspecteur) voor het jaar 2004 een aanslag opgelegd in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, berekend naar 38,5 vervuilingseenheden (hierna ook: v.e.).

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 433. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 3 november 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in zijn vergadering van 30 november 2000 de Verordening verontreinigingsheffing Delfland 2001 vastgesteld, welke is gewijzigd bij besluit van 27 november 2003 (hierna: de Verordening). Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende exploiteert autowasserijen, waaronder een autowasserij aan de [a-straat 1] te [Q]. Zij heeft in haar aangifte voor de verontreinigingsheffing voor het onderhavige jaar melding gemaakt van een hoeveelheid ingenomen drinkwater van 6.366 m³, een aftrek voor niet geloosd water ter grootte van 637 m³ en een hoeveelheid van 5.729 m³ aan op het riool geloosd water.

4.2. Bij een wasbeurt wordt niet de gehele hoeveelheid ingenomen water geloosd. Een gedeelte van het water verdampt. Ook blijft water aan de gewassen auto hangen.

4.3. De aan belanghebbende opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing voor het onderhavige jaar is als volgt berekend:

Totaal waterverbruik: 6.366 m³, waarvan 22 m³ (0,5 v.e.) voor de persoonlijke verzorging van medewerkers.

Afvalwater wasstraat (klasse 5; 0,0060 v.e./m³): 6.344 m³ x 0,0060 = 38,0 v.e.

Totaal aantal v.e.: 38,5.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of bij de bepaling van de hoogte van de aanslag een bedrag in mindering dient te worden gebracht voor het niet geloosde gedeelte van het ingenomen water, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

5.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in de toepasselijke coëfficiënt geen rekening wordt gehouden met niet geloosd water en dat blijkens de door hem in het geding gebrachte "Handleiding autowassen" circa 15 percent van het ingenomen water niet wordt geloosd, op grond waarvan de aanslag dienovereenkomstig moet worden verminderd.

5.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de tot 2001 geldende coëfficiënt van 0,0066 v.e./m³ rekening is gehouden met verdamping en aanhangend water, dat de huidige coëfficiënt van 0,006 v.e./m³ gunstiger is voor belanghebbende, en dat de afvalwatercoëfficiënt een forfait is, hetgeen meebrengt dat aftrek voor niet geloosd water niet mogelijk is. Niettemin wordt aftrek verleend indien de hoeveelheid niet geloosd water wordt aangetoond door middel van meterstanden. Daarvan is evenwel in het onderhavige geval geen sprake.

Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt primair tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een hoeveelheid geloosd water van 5.729 m³ en subsidiair tot een vermindering met 15 percent.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Overwegingen omtrent het geschil

7.1. De rechtbank heeft onder meer als volgt overwogen:

2.6. (...) In artikel 22 van de WVO is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor bedrijfsruimten waarvoor het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik 1000 of minder bedraagt, in de in het eerste lid genoemde gevallen het aantal vervuilingseenheden wordt bepaald aan de hand van formule A x B, waarin A is het aantal kubieke meters in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte ingenomen water en B is de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel binnen de grenzen waarvan de vervuilingswaarde van de bedrijfsruimte is gelegen. In het tweede lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld voor de bepaling van de zo-even genoemde vervuilingswaarde. Op grond van dit tweede lid is het Besluit vastgesteld. In artikel 2 van het Besluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat, indien de bedrijfsruimte een inrichting uitsluitend bestemd voor het uitwendig reinigen van motorvoertuigen is, de vervuilingswaarde per kubieke meter ingenomen water 0,0066 bedraagt.

(...)

2.7. (...) de bedrijfsruimte valt in klasse 5 van de in artikel 22, derde lid, van de WVO opgenomen tabel. De bij klasse 5 behorende afvalwatercoëfficiënt, uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden per kubieke meter ingenomen water in het heffingsjaar, bedraagt 0,0060.

2.8. In de regeling voor tabelbedrijven is er niet in voorzien dat de hoeveelheid door de bedrijfsruimte ingenomen water, voordat deze op de voet van de onder 2.6. genoemde formule wordt vermenigvuldigd met de afvalwatercoëfficiënt, dient te worden verminderd met de hoeveelheid door de bedrijfsruimte ingenomen, maar niet geloosd water. Ook uit doel en strekking van de regeling voor tabelbedrijven volgt niet dat een dergelijke vermindering zou moeten plaatsvinden. Het forfaitaire karakter van de regeling staat daaraan naar het oordeel van de rechtbank in de weg. Mitsdien vindt de door eiseres voorgestane vermindering van het aantal kubieke meters ingenomen water met het aantal kubieke meters niet geloosd ingenomen water geen steun in de wet.

7.2. Deze oordelen zijn juist.

7.3. Volgens belanghebbende is de rechtbank buiten de rechtsstrijd getreden door in de beoordeling te betrekken dat, naar de Inspecteur eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, aftrek slechts aan de orde zou kunnen komen indien de hoeveelheid van het niet geloosde gedeelte van het ingenomen water zou worden bepaald door meting.

7.4. Deze stelling van belanghebbende is onjuist. De rechtbank heeft bij de beoordeling van belanghebbendes beroep op de mogelijkheid om het verdampte en meegesleepte water in mindering te brengen, terecht het verweer van de Inspecteur daartegen in de beoordeling betrokken. Daaraan doet niet af dat dat verweer geheel of gedeeltelijk eerst ter zitting is gevoerd en evenmin dat het naar voren is gebracht nadat de rechtbank de Inspecteur had gevraagd om op de stelling van belanghebbende dienaangaande te reageren. Dat zou anders kunnen zijn indien belanghebbende met dat verweer geen rekening had kunnen houden en daarop niet heeft kunnen reageren. Daarvan is evenwel niet gebleken.

7.5. De rechtbank heeft belanghebbendes stellingen inzake de mogelijkheid van aftrek, onder verwijzing naar de tot de gedingstukken behorende brief van de Inspecteur van 15 januari 2001, opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel en dat beroep terecht afgewezen. In die brief is immers opgenomen dat de hoeveelheid niet of niet verontreinigd geloosd water kan worden afgetrokken van het ingenomen water, doch dat die hoeveelheid wel moet zijn aangetoond door middel van meterstanden. Belanghebbende heeft zulks niet gedaan. De omstandigheid dat belanghebbende daartoe niet in staat was, kan niet meebrengen dat haar niettemin een aftrek moet worden verleend.

7.6. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en J. Schuurman, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 5 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.