Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4529

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00308
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschikking verkrijgingsprijs aandelen. De beschikking moet worden aangemerkt als een beschikking waarbij voor het eerst de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. is vastgesteld. Er is geen sprake van een herziening van een eerder genomen beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0484
V-N 2010/30.9

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00308

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 5 januari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2008, nummer AWB 06/7942 IB/PVV, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest, heeft bij beschikking van 3 december 2004 de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. te [Z] per 1 januari 2001 vastgesteld op € 124.150 (fl. 273.591).

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2006 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 29 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende en zijn zuster [B] waren tot in 2001 ieder voor 50% houder van de certificaten van aandelen in [C] B.V. [C] B.V. hield op haar beurt alle aandelen in vier dochtervennootschappen, te weten [D] B.V., [E] B.V., [F] B.V. en [G] B.V., van welke vennootschappen de twee laatstgenoemde horecaondernemingen exploiteren.

3.2. In de loop van 2001 zijn de belangen van belanghebbende en zijn zuster ontvlochten. Op basis van de balansen van 31 december 2000 zijn daartoe de volgende handelingen verricht:

- de aandelen in [C] B.V. werden gedecertificeerd;

- de aandelen in [D] B.V. werden op 26 juni 2001 tegen nominale waarde (fl. 40.000) overgedragen aan belanghebbende;

- de aandelen in [E] B.V. werden op 26 juni 2001 tegen nominale waarde (fl. 40.000) overgedragen aan belanghebbendes zuster;

- het vermogen van [C] B.V. is door een zuivere splitsing in de zin van artikel 2:334a, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek overgegaan naar [E] B.V. en [D] B.V., waardoor onder meer de aandelen in [F] B.V. naar [E] B.V. overgingen en de aandelen in [G] B.V. naar [D] B.V.;

- [C] B.V. hield vervolgens van rechtswege op te bestaan, de naam van [E] B.V. werd gewijzigd in [H] B.V. en die van [D] B.V. in [A] B.V.

3.3. Bij brief van 30 maart 2001 heeft de gemachtigde van belanghebbende de onder 3.2. vermelde handelingen voorgelegd aan de Inspecteur en daarbij onder meer geschreven:

"Zoals bovenstaand omschreven worden voorafgaand aan de splitsing de aandelen in [C] B.V. gedecertificeerd en in dezelfde verhouding (50/50) bij [belanghebbende] en [[B]] geplaatst. Na splitsing van [C] B.V. zullen beide families, behoudens een eventuele vordering/schuld wegens 'overbedeling' bij de splitsing, geen financiële band meer hebben. Als gevolg van de splitsing houdt [C] B.V. op te bestaan. Het vermogen van [C] B.V. gaat van rechtswege en onder algemene titel over op respectievelijk [D] B.V. (...) en [E] B.V. (...).

Artikel 4.16 lid 1 onderdeel d Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: IB) regelt dat een juridische splitsing voor aanmerkelijk belanghouders (...) in de verdwijnende vennootschap ([C] B.V.) aangemerkt wordt als een vervreemding. Artikel 4.41 IB creëert voor de in het kader van een juridische splitsing geconstateerde vervreemdingsvoordelen een doorschuifmogelijkheid. Wanneer van deze doorschuifmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, zo schrijft artikel 4.42 lid 2 IB voor, wordt de verkrijgingsprijs van de aandelen in [C] B.V. voor een evenredig gedeelte toegerekend aan de aandelen die [belanghebbende] en [[B]] direct na de splitsing in hun respectieve (verkrijgende pensioen-)vennootschappen hebben.

Graag vernemen wij van u, onder verwijzing naar de artikelen 4.41 lid 2 juncto 3.56 lid 7 IB, of u met ons van mening bent dat de bovenstaande splitsing van [C] B.V. om zakelijke redenen plaatsvindt."

3.4. Bij brief van 5 juli 2001 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur onder meer geschreven:

"(...)

INKOMSTENBELASTING

Wilt u, op basis van het bovenstaande en onder verwijzing naar mijn brief van 30 maart jl. bij beschikking de verkrijgingsprijs van de aandelen in [D] B.V. en [E] B.V. voor respectievelijk [belanghebbende] en [[B]] als volgt vaststellen:

[Belanghebbende] Koopprijs aandelen [D] B.V. fl. 40.000

Verkrijgingsprijs aandelen [C] B.V. fl. 233.590

Vast te stellen verkrijgingsprijs fl. 273.590

[[B]] Koopprijs aandelen [E] B.V. fl. 40.000

Verkrijgingsprijs aandelen [C] B.V. fl. 233.590

Vast te stellen verkrijgingsprijs fl. 273.590

(...)"

3.5. Met dagtekening 18 december 2001 heeft de Inspecteur een beschikking genomen, verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende, met de volgende inhoud:

"Volgens mijn gegevens heeft uw cliënte [A] B.V. aandelen in [C] B.V. te [Z] middels juridische splitsing verkregen. De verkrijgingsprijs van deze aandelen stel ik bij beschikking vast.

Beschikking

Uw cliënte heeft 230 aandelen in [C] B.V. te [Z], nominaal fl. 233.590,- verkregen door juridische fusie. Voor de toepassing van de bepalingen voor het aanmerkelijk belang (artikel 4.1 tot en met 4.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001) stel ik de verkrijgingsprijs van deze aandelen per 1 januari 2001 vast op fl. 1.618.889 (of 734.120,- EUR)"

Met dezelfde dagtekening heeft de Inspecteur een beschikking gegeven ten aanzien van [H] B.V. met mutatis mutandis dezelfde inhoud, met dien verstande dat daarin een verkrijgingsprijs werd vastgesteld van fl. 4.239.419 (€ 1.923.764).

3.6. Bij brief van 3 januari 2002 heeft de gemachtigde aan verweerder onder meer geschreven:

"(...) Naar aanleiding van deze beschikkingen (Hof: als bedoeld onder 3.5) heb ik de volgende vragen:

* Als gevolg van de splitsing is [C] B.V. opgehouden te bestaan. [A] B.V. (...) en [H] B.V. (...) fungeerden als verkrijgende vennootschappen (...) Aan beide verkrijgende vennootschappen is naar mijn mening (...) fl. 2.929.154 toegescheiden:

[A] B.V. [H] B.V.

Toescheiding bij splitsing fl. 1.618.889 fl. 4.239.419

Vordering op [C] B.V. fl. 1.310.265 +

Schuld aan [A] B.V. fl. 1.310.265 -

Totaal fl. 2.929.154 fl. 2.929.154

Naar mijn mening dienen de verkrijgingsprijzen van beide aandeelhouders exact aan elkaar gelijk te zijn.

* Gelden de in de afgegeven beschikkingen vermelde verkrijgingsprijzen tevens als verkrijgingsprijs voor [belanghebbende] (voor al zijn aandelen in [A] B.V.) en [[B]] (voor al haar aandelen in [H] B.V. (...)? Het is nu wat verwarrend, daar gesproken wordt over de holding die aandelen [C] B.V. zou hebben verkregen (hetgeen niet het geval is, slechts het vermogen is overgegaan).

* In de afgegeven beschikkingen wordt eenmaal abusievelijk verwezen naar een juridische fusie."

3.7. De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 11 januari 2002 een beschikking gegeven, die als volgt luidt:

"Zoals met u besproken heeft uw cliënte [A] B.V. aandelen in [C] B.V. te [Z] middels juridische splitsing verkregen. De verkrijgingsprijs van deze aandelen stel ik bij beschikking vast.

Beschikking

Uw cliënte heeft 230 aandelen in [C] B.V. te [Z], nominaal fl. 233.590,- verkregen door juridische splitsing. Voor de toepassing van de bepalingen voor het aanmerkelijk belang (artikel 4.1 tot en met 4.52 van de Wet inkomstenbelasting 2001) bepaal ik de verkrijgingsprijs per 1 januari 2001 op fl. 2.929.154,- (of 6.455.006 EUR). Deze prijs is tevens toepasselijk voor [belanghebbende]"

Met dezelfde dagtekening heeft verweerder een beschikking afgegeven ten aanzien van [H] B.V. met dezelfde inhoud, met dien verstande dat daarin wordt vermeld:

"Deze prijs is tevens toepasselijk voor [[B]]"

3.8. In 2003 heeft [A] B.V. een dividend uitgekeerd aan belanghebbende in de vorm van aandelen, waarvan een deel ten laste van de agioreserve. Naar aanleiding van deze uitdeling is tussen gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur gecorrespondeerd over de fiscale gevolgen en is de status van de hiervoor vermelde beschikkingen ter sprake gekomen.

3.9. Bij brief van 3 december 2004 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat naar zijn mening de beschikking van 11 januari 2002 geen oordeel bevat over de verkrijgingsprijs van de aandelen van belanghebbende in [A] B.V. De Inspecteur wijst in die brief verder op ongerijmdheden in de beschikking van 11 januari 2002 en kondigt aan dat hij op grond van artikel 4.37 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) een beschikking zal nemen met betrekking tot de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. Daarbij tekent hij aan:

"Aangezien ik primair van mening ben dat dit ook mogelijk is op grond van artikel 4.36 Wet inkomstenbelasting 2001 wil ik voor wat betreft het vermelde artikel een voorbehoud maken."

3.10. Met dagtekening 3 december 2004 heeft verweerder beschikkingen genomen waarbij de verkrijgingsprijzen van belanghebbende en zijn zuster [B] van hun aandelen onderscheidenlijk in [A] B.V. en [H] B.V. worden vastgesteld op fl. 273.591. In de beschikkingen is als grondslag ervan artikel 4.37 van de Wet IB 2001 vermeld.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is de vraag of de beschikking van 3 december 2004 kan worden gekwalificeerd als een herziening van een eerder genomen beschikking als bedoeld in art 4.37 van de Wet IB 2001, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de beschikking van 3 december 2004.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling

6.1. Uit de tekst van de beschikking van 11 januari 2002 blijkt dat daarin de verkrijgingsprijs van de door [A] B.V. verkregen aandelen in [C] B.V. is bepaald. Uit die tekst volgt niet dat het genoemde bedrag geldt als verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. Dit brengt mee dat de beschikking van 3 december 2004 moet worden aangemerkt als een beschikking waarbij voor het eerst de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. is vastgesteld en geen sprake is van een herziening van een eerder genomen beschikking.

6.2. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Ondanks de verzoeken van belanghebbende bij brieven van 30 maart 2001, 5 juli 2001 en 3 januari 2002, heeft de Inspecteur niet eerder dan 3 december 2004 de verkrijgingsprijs van de aandelen in [A] B.V. vastgesteld.

6.3. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en P.M. Verhagen, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 5 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.