Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4508

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
08-00241
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD4238, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verliesverrekening. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden en met juistheid geoordeeld dat de onderneming op voormeld moment was gestaakt. De enkele afwikkeling van schadeclaims voortvloeiend uit de gestaakte exploitatie van het ferryschip is niet aan te merken als een tijdelijk stilleggen van de onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00241

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 4 februari 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] B.V. gevestigd te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 22 mei 2008, nr. AWB 06/3616 VPB, betreffende na te noemen aanslag en beschikking.

Aanslag en beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 53.741 alsmede, bij gelijktijdig genomen beschikking, het in het jaar 2002 verrekende verlies uit andere jaren vastgesteld op nihil.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar in één geschrift het bezwaar tegen zowel de aanslag als de beschikking gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 49.662 en het in het jaar 2002 verrekende verlies uit andere jaren vastgesteld op € 4.079.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 433. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 13 oktober 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde, kan in hoger beroep worden uitgegaan van de navolgende feiten en omstandigheden die de rechtbank in de onderdelen 2.1 tot en met 2.15 van de bestreden uitspraak heeft vastgesteld, waarbij door de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:

"2.1. Eiseres is opgericht op 24 juli 1985. Blijkens de doelomschrijving in haar oprichtingsakte bestonden de activiteiten van belanghebbende uit, kort gezegd, de exploitatie van (zee)schepen, zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden. Op 12 september 1985 is de statutaire naam van eiseres gewijzigd in [A] B.V. Haar boekjaar liep van 1 augustus tot en met 31 juli.

2.2. Vanaf haar oprichting waren de aandeelhouders/investeerders van eiseres:

- [B] B.V. (hierna: [B]) voor circa 30 %,

- [C] B.V. (hierna: [C]) voor circa 23 %,

- [D] B.V. (hierna: [D]) voor circa 23 %,

- [E] B.V. voor circa 6 %,

- [F] voor circa 6 % en

- [G] als houder voor [H] (hierna: [H]) voor circa 12 %.

[B] was enig bestuurder van eiseres.

2.3. In het boekjaar 1985/1986 is het geplaatste aandelenkapitaal van eiseres verhoogd tot fl 850.000 en is fl 434.000 aan informeel kapitaal ingebracht.

2.4. Eiseres is in 1985 aangevangen met de exploitatie van een zogeheten roll on/roll off ferryschip (hierna: het ferryschip). Als gevolg van een fout in de berekening van de lengte van het ferryschip - het was te kort bemeten - zijn reeds bij de eerste oversteek ladingen van vervoerde vrachtauto's beschadigd. Vanwege de daaruit voortvloeiende grote schadeclaims heeft eiseres de exploitatie van het ferryschip in 1986 beëindigd. Haar aandeelhouders wensten niet verder te investeren.

2.5. [H] werkte in 1985/1986 bij [D]. Hij was initiator van het project rondom het ferryschip en was ook nauw betrokken bij het ontwerp daarvan.

2.6. Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor [Z] van 15 augustus 2006 drijft [H] vanaf 1 oktober 1987 een eenmanszaak onder de naam "[I]" (hierna: [I]) met als bedrijfsomschrijving het geven van adviezen op commercieel en financieel gebied aan, met name, bedrijven in de haven-, transport- en scheepvaartsector.

2.7. De gepubliceerde jaarrekeningen van eiseres voor de boekjaren 1991/1992 en 1992/1993 zijn gelijkluidend. Haar eigen vermogen bedroeg per 31 juli 1992 en per 31 juli 1993 negatief fl. 4.847 (aandelenkapitaal f 850.000 en geaccumuleerd verlies f 854.847), haar vlottende passiva fl. 4.847 en haar balanstotaal nihil. In de toelichting op de balans van de laatstgenoemde jaarrekening is voorts vermeld:

"Onderhandelingen over voortzetting van de activiteiten hebben met de aandeelhouders plaatsgevonden. Het ziet er naar uit, dat een der aandeelhouders de anderen zal uitkopen. (...) Het geaccumuleerd verlies is in het verslagjaar niet gewijzigd."

Ook in de boekjaren 1988/1989 tot en met 1990/1991 hebben er geen mutaties plaatsgevonden in de boeken van eiseres.

2.8. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een (getypt) faxbericht van [J] (hierna: [J]) van 11 november 1993 aan '[H] [I] [Z]', waarin de woorden '[I] [Z]' (met de pen) zijn doorgehaald, met de volgende inhoud:

"This is to confirm our agreement to continue to develop business with the Netherlands Authorities with a view to concluding a contract for the accommodation of refugees, on behalf of the authorities, on board one or more of the [K] in a Netherlands port.

If successful in concluding such contract(s) through you we agree to pay you commissions of 5% of the daily charter rate, in equal amounts in line with the hire payments made under the terms of the contract."

2.9. Op 16 februari 1994 heeft [L] (hierna ook: [J]) te Liverpool, Verenigd Koninkrijk, als eigenaresse, met ingang van 4 februari 1994 voor aanvankelijk één jaar het (hotel)schip '[M]' verhuurd aan [N] (hierna: [N]) als huurder. Blijkens de desbetreffende Hire Agreement, die namens de huurder is ondertekend door [H], dient communicatie met de eigenaresse van het schip te geschieden via '[I]' te [Z]. Omstreeks hetzelfde tijdstip is tussen dezelfde partijen (kennelijk) een huurovereenkomst gesloten betreffende het schip '[O]'.

2.10. Door de Belastingdienst is bij eiseres en [I]/[H] een boekenonderzoek ingesteld. Het onderzoek betrof de aangiften vennootschapsbelasting over de boekjaren 1994/1995 en 1995/1996 en de inkomstenbelasting over de jaren 1994 en 1995. In het rapport van het onderzoek, gedateerd 16 januari 1998, is onder meer het volgende vermeld:

"De consulent geeft aan, dat er twee ondernemingen zijn; een onderneming voor de risicovolle opdrachten, welke via [eiseres] worden geleid, en een onderneming in de vorm van een eenmanszaak ([I]), waar het reguliere advieswerk plaatsvindt, en waarvoor de aansprakelijkheid als gering wordt aangemerkt.

(...)

[Eiseres] heeft in het controletijdvak bemiddeld in de verhuur van een tweetal hotelschepen van Noorse origine, de '[M]' en de '[O]' (...). De schepen werden ingezet ten behoeve van de (tijdelijke) opvang van asielzoekers.

[Eiseres] ontvangt voor deze bemiddeling provisie zowel voor de daadwerkelijke verhuur van de schepen, als ook terzake van de huur van de ligplaats. De opbrengst terzake van deze bemiddeling bedroeg over 1994/1995 en 1995/1996 resp. f 394.129 en f 133.257.

Overigens is gebleken dat reeds voor de aanvang van het boekjaar 1994/1995 omzet is behaald (..), zodat de aangifte 1993/1994 formeel niet juist is, daar er in die aangifte geen sprake is van omzet. Daar deze omzet echter wel in de aangifte 1994/1995 is verantwoord, zal in casu op het verleden niet worden teruggekomen.

(...)

Door [eiseres] worden aanloopverliezen geclaimd ad f 1.288.847; deze verliezen stammen uit een periode (1984/1986), waarin de huidige aandeelhouder geen formeel belanghebbende was bij de onderneming (toen nog [A] BV geheten). Eerst in 1994 zijn alle aandelen formeel overgenomen door [H]. Buitendien is de onderneming in de tussentijd gestaakt, waardoor de sanctie als genoemd in art. 20 lid 5 van de Wet vennootschapsbelasting in werking treedt.

(...)

(...) [B]ij raadpleging van het dossier van de Kamer van Koophandel (...) (is) gebleken dat over de periode 1987 t/m 1992 geen jaarstukken zijn gedeponeerd. Daarnaast is over de jaren 1989/1990 en 1990/1991 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend, en zijn deze ambtshalve vastgesteld op nihil. (...)."

2.11. [H] heeft op 20 mei 1994, bij een drietal akten van levering, alle aandelen in eiseres verkregen. In de aanhef van deze akten is vermeld dat "[de verschenen partij] (...) namens de verkoper (verklaarde) te hebben verkocht (...) aan de koper, die verklaarde van de verkoper te hebben gekocht (...) de (a)andelen (...) in het kapitaal van [eiseres]".

Voorts is in de akten, onder de garanties voor de koper, onder meer opgenomen dat, met betrekking tot de belastingverplichtingen van eiseres, "gedurende de periode vanaf één en dertig juli negentienhonderd drie en negentig (...) [eiseres] geen belastbare commerciële activiteiten (heeft) ondernomen' en 'alle kosten verbonden met of voorkomende uit belastingkwesties en/of complicaties die hun oorsprong hebben in de periode van voor de datum van de overdracht voor rekening zijn van [eiseres]".

2.12. Vanaf 20 mei 1994 is [H] enig bestuurder van eiseres. Bij statutenwijziging van 4 oktober 1994 is de naam van belanghebbende gewijzigd in [belanghebbende] B.V. en is de doelomschrijving uitgebreid met het adviseren van rederijen, scheepswerven en scheepvaartondernemingen op financieel en commercieel gebied. Bij statutenwijziging van 25 januari 2001 is het boekjaar van eiseres gewijzigd in het kalenderjaar, waarbij het lopende boekjaar eindigde op 31 december 2001.

2.13. Ook in het onderhavige jaar heeft eiseres zich bezig gehouden met bemiddeling bij de verhuur van Noorse hotelschepen die als verblijf voor asielzoekers worden gebruikt. Zij heeft voor het jaar 2002 aangifte gedaan van een belastbare winst ten bedrage van € 53.741 en daarbij verrekening geclaimd van het (aanloop)verlies uit het boekjaar 1985/1986 (waarvan blijkens de bijlagen bij de aangifte per 31 december 2001 € 267.371 nog niet is gecompenseerd) tot dat bedrag. Het aangegeven belastbare bedrag bedraagt aldus nihil.

2.14. Bij de aanslagregeling heeft verweerder de verrekening van het verlies niet geaccepteerd en de aanslag VPB 2002 opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van € 53.741. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder een verlies van € 4.079 over het boekjaar 1997/1998 verrekend. Voorts heeft verweerder bij beschikking van 31 december 2007 een verlies van € 8.467 over het boekjaar 2004 verrekend.

2.15. Met betrekking tot het (aanloop)verlies uit het boekjaar 1985/1986 is in het kader van de aanslag VPB voor het boekjaar 1995/1996 eerder een procedure gevoerd. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft terzake bij uitspraak van 14 november 2000, nr. BK 98/02471, V-N 2001/27.9, beslist dat de omstandigheid dat met goedvinden van verweerder de winst over het boekjaar 1993/1994 is begrepen in de aangifte VPB over het boekjaar 1994/1995 niet leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet een regelmatige boekhouding heeft gevoerd, dat belanghebbende heeft voldaan aan de in artikel 20 lid 3 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1993/1994) opgenomen eis van een regelmatige boekhouding met geregelde jaarlijkse afsluitingen en dat het verlies van het boekjaar 1985/1986 zijn karakter van aanloopverlies heeft behouden."

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag en het nemen van de verliesverrekeningsbeschikking terecht (een deel van) het aanloopverlies van het boekjaar 1985/1986 buiten aanmerking heeft gelaten, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbendes hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking in dier voege dat het in 2002 te verrekenen verlies wordt vastgesteld op € 53.741 alsmede tot vermindering van de aanslag tot op nihil.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

Rechtskader:

6.1.1. Artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) bepaalt, voor zover hier van belang:

"1. Indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een verlies nog niet volledig is verrekend, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, zijn met ingang van het jaar waarin de wijziging heeft plaatsgevonden, verliezen van daaraan voorafgaande jaren, in afwijking in zoverre van artikel 20, niet meer voorwaarts verrekenbaar.

2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten aanmerking een wijziging in het uiteindelijke belang in de belastingplichtige voorzover:

a. (...)

b. de wijziging betrekking heeft op een uitbreiding van het uiteindelijke belang van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die bij het begin van het oudste jaar, bedoeld in het eerste lid, reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige had.

(...)"

6.1.2. In artikel XIVd van de Wet Ondernemerspakket (Wet van 14 december 2000, Stb. 2000, 567) is - voorzover te dezen van belang - het volgende bepaald:

"1. Voor de toepassing van artikel 20a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 blijft een wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige die voor 27 juni 2000 heeft plaatsgevonden buiten aanmerking, mits:

a. indien deze wet niet tot wet zou zijn verheven en in werking zou zijn getreden, artikel 20, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet van toepassing zou zijn, en

b. de belastingplichtige direct voorafgaande aan de wijziging een onderneming dreef.

(...)"

6.1.3. In zijn arrest van 22 september 2006, nr. 42.444, LJN: AW2299, heeft de hoge Raad geoordeeld dat het begrip "het uiteindelijke belang van een natuurlijk persoon of rechtspersoon" in artikel 20a, tweede lid, onderdeel b, mede omvat de uitbreiding van het belang van een verbonden lichaam in een verliesvennootschap zonder dat een van de uiteindelijke aandeelhouders (natuurlijke personen) een belang van ten minste een derde in de verliesvennootschap heeft.

6.1.4. In het Besluit van 6 mei 2008, nr. CPP2008/984M, Stcrt. Nr. 92, heeft de staatssecretaris van Financiën onder meer het volgende besloten:

"2.3. Terugkoop van aandelen door oorspronkelijke aandeelhouder

(...)

Hardheidsclausule onder (zeer) bijzondere omstandigheden

Ik ben in beginsel bereid, met toepassing van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, af te wijken van de boven geschetste toepassing van artikel 20a indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

- de verliescompensatie komt uitsluitend ten goede aan de oorspronkelijke aandeelhouders die de verliezen hebben geleden, en

- in de prijs van de aandelen is geen vergoeding voor het herleven van de verliescompensatie begrepen, en

- gedurende de periode dat het belang in de verliesvennootschap bij derden heeft berust zijn geen latente winsten ontstaan of ingebracht waarmee de verliezen kunnen worden verrekend.

Verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule moeten worden gericht aan de Belastingdienst/CPP Den Haag" en

"3.2. Uitbreiding van het belang van een persoon die reeds ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige had.

(...)

Naar mijn oordeel volgt uit [voormeld] arrest dat het begrip "uiteindelijke belang van een rechtspersoon", naast de rechtspersoon die zelf geen achterliggende rechthebbenden hebben, mede omvat het belang van de laatste rechtspersoon aan de top van een keten van rechtspersonen (tophoudstervennootschap). Een directe of indirecte uitbreiding van een belang in een verliesvennootschap door een tophoudstervennootschap die reeds een belang van ten minste een derde heeft in de verliesvennootschap blijft voor de toepassing van artikel 20a, eerste lid, van de Wet Vpb buiten aanmerking. Het is geen beletsel als het belang in dit lichaam vervolgens weer berust bij natuurlijke personen die zelf niet ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in het verlieslichaam houden.

(...)

Voorbeeld 2

Er is sprake van een tophoudstervennootschap X met 4 natuurlijke personen als aandeelhouder. Ieder van de aandeelhouders bezit 25% van de aandelen. X heeft een 100% belang in vennootschap Y. Y bezit 40% van de aandelen in vennootschap Z. (...) Y vergroot het belang in Z door de resterende 60% van de aandelen in Z over te nemen.

De uitzondering van artikel 20a, tweede lid, onderdeel b, is hier wel van toepassing. Er is sprake van een uitbreiding van het "uiteindelijke belang van een rechtspersoon" (X) die al ten minste een derde deel van het uiteindelijke belang in het verlieslichaam (Z) had.

Hier doet niet aan af dat de belanghebbenden in X (natuurlijke personen) ieder afzonderlijk slechts beschikken over een uiteindelijk belang van minder dan een derde in het verlieslichaam (Z).

Volledigheidshalve merk ik op dat indien in het voorbeeld de resterende 60% van de aandelen niet door vennootschap Y of X zouden worden aangekocht maar door een of meer van de aandeelhouders natuurlijke personen in X, niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 20a, tweede lid, onderdeel b. De uiteindelijke aandeelhouders natuurlijke personen houden immers individueel minder dan een derde van het uiteindelijke belang in het verlieslichaam.

Voorbeeld 3

(Geparafraseerd): zelfde casus met dien verstande dat de aandelen in X worden gehouden door personal holdings van de natuurlijke personen. Nu staan de personal holdings aan het eind van de keten: in geval van verwerving van het 60% belang in het verlieslichaam door een (van de) natuurlijke personen, personal holdings, of vennootschap X is de uitzondering van 20a, tweede lid, onderdeel b, niet van toepassing: de personal holdings beschikken immers niet over een derde van het uiteindelijke belang."

Beoordeling

6.2. Primair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op haar de onder 6.1.2. vermelde overgangsbepaling van toepassing is en zij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ten tijde van de verwerving door [H] van de (overige) aandelen in belanghebbende de onderneming was gestaakt. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden en met juistheid geoordeeld dat de onderneming op voormeld moment was gestaakt. Het Hof voegt hier nog aan toe dat de enkele afwikkeling van schadeclaims voortvloeiend uit de gestaakte exploitatie van het ferryschip niet is aan te merken als een tijdelijk stilleggen van de onderneming. Het bestaan van enig voornemen tot het continueren van de onderneming in de periode van de financiële afwikkeling in het boekjaar 1987/1988 tot aan het moment waarop het volledige aandelenbelang bij [H] is komen te berusten heeft belanghebbende, gelet op de vaststaande feiten, niet aannemelijk gemaakt.

6.3. Voorts stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het Besluit vermeld onder 6.1.4., meer in het bijzonder aan hetgeen daarin onder punt 3.2. is vermeld. Belanghebbende leest daarin dat in geval sprake is van een "consortium" van aandeelhouders dat een vennootschap drijft en waarbij het voor geen van de leden van het consortium bij gelijke verdeling van de aandelen mogelijk is om minimaal éénderde van de aandelen te verkrijgen om zodoende aan het genoemde minimumaantal van artikel 20a van de Wet te kunnen voldoen, mag worden afgeweken van dat minimumaantal.

Naar het oordeel van het Hof berust het standpunt van belanghebbende op een onjuiste lezing dan wel interpretatie van het Besluit en kan in het Besluit geen steun worden gevonden voor haar standpunt.

6.4. Verder beroept belanghebbende zich op het hardheidsclausulebeleid opgenomen in onderdeel 2.3. van het evengenoemde Besluit. Naar het oordeel van het Hof miskent belanghebbende daarbij dat het hardheidsclausulebeleid, zoals verwoord in de aangehaalde passage van het Besluit, ziet op de situatie waarin de oorspronkelijke aandeelhouders hun aandelen hebben verkocht aan derden en de aandelen nadien terugkeren in het bezit van de oorspronkelijke aandeelhouders. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is derhalve aan het Besluit niet het in rechte te honoreren vertrouwen te ontlenen dat de wettelijke regeling ten opzichte van haar buiten toepassing dient te blijven.

Voor zover belanghebbendes betoog inhoudt dat in haar geval - naast de in het Besluit beschreven situatie - sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt, heeft de gelden dat de toepassing van de hardheidsclausule is voorbehouden aan de Minister van Financiën en dat het niet aan de rechter is hierover te oordelen.

6.5. Ten slotte stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de weigering van het in aanmerking nemen van de verliezen van voor de aandeelhouderswisseling in casu in strijd komt met doel en strekking van de Wet. Haars inziens is met deze maatregel beoogd een dam op te werpen tegen handel in verliezen; in haar geval is geen sprake van handel in verliezen. Belanghebbendes stelling dat de onderhavige bepaling eerst dan kan worden toegepast, indien tevens sprake is van misbruik, vindt geen steun in het recht. (Zie ook Hoge Raad, 4 mei 1977, nr. 18 141, BNB 1977/211). Voor het overige staat artikel 11 van de Wet algemene bepalingen aan honorering van het standpunt van belanghebbende in de weg.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, J.W. baron van Knobelsdorff en J.W. Savelbergh, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 4 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.