Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4272

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
200.035.541.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ0479, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0479
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afstamming. Het hof houdt het er voor dat de man de biologische vader is, zulks gelet op de stellingen van de vrouw, de feiten die zijn komen vast te staan en het gegeven dat de man niet aan DNA-onderzoek wenst mee te werken. Kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 januari 2010

Zaaknummer : 200.035.541/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6321

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.G.H. Janssen te Leiden.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 16 juni 2009 in hoger beroep gekomen van de (tussen)beschikking van 17 juni 2008 en de (eind)beschikking van 17 maart 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage, hierna de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 10 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 juli 2009 en 24 augustus 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 4 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 17 juni 2008 en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking van 17 juni 2008 is de beslissing op het verzoek van de vrouw, om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige (hierna: de kinderalimentatie) vast te stellen, in afwachting van de uitslag van het door de rechtbank bevolen DNA-onderzoek pro forma aangehouden.

Het DNA-onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

Bij de beschikking van 17 maart 2009 heeft de rechtbank overwogen dat de man de verwekker is van de minderjarige en, uitvoerbaar bij voorraad, de door de man met ingang van 1 januari 2007 te betalen kinderalimentatie voor [C.], geboren op [geboortedatum in] 2001 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige) bepaald op € 375,- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 500,- per maand, vanaf 17 maart 2009 telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige.

2. De man verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van haar in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de man gevallen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking inhoudelijk te bekrachtigen met als aanvulling: het alsnog veroordelen van de man in de kosten in eerste instantie, en verder met afwijzing van het appel van de man en met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep (derhalve in de kosten van beide procedures).

Appeltermijn

4. Het hof overweegt ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de appeltermijn van de eerste beschikking verlopen is, dat op grond van artikel 358 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) hoger beroep van tussenbeschikkingen slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking kan worden ingesteld, zodat de man ook kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 17 juni 2008.

Verwekkerschap

5. In zijn eerste, tweede en derde grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte een DNA-onderzoek heeft gelast om de vrouw in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat de man de verwekker is van de minderjarige. Volgens de man is een verwekker de man die samen met de moeder het kind op natuurlijke wijze heeft laten ontstaan, door of een daad te verrichten die daarop gericht was of toestemming te geven voor een daad die daarop gericht was. De man betwist dat hiervan sprake is geweest en stelt dat de vrouw moet bewijzen dat zij samen met de man een daad heeft verricht, die gericht was op het op natuurlijke wijze laten ontstaan van dit kind. Een DNA-onderzoek is volgens de man geen goed bewijsmiddel, omdat dat alleen aantoont dat het kind mede is ontstaan uit sperma van de man en niet dat de man samen met de vrouw een daad heeft verricht gericht op het op natuurlijke wijze doen ontstaan van het kind.

Ook stelt de man dat hij de door de vrouw gestelde feiten: dat hij de verwekker van het kind is, dat hij in het verleden zou hebben erkend dat hij de vader is van de minderjarige en dat er jaarlijks contact is geweest met de minderjarige, alsmede dat hij in het verleden heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding, anders dan de rechtbank overweegt, heeft betwist, zeker in zijn verweerschrift in eerste aanleg.

6. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat de vrouw de moeder is van de minderjarige en dat de minderjarige geen – juridische – vader heeft. De vrouw stelt dat de man de verwekker is van de minderjarige en dat de man derhalve een onderhoudsplicht voor hem heeft.

8. Uit artikel 1:394 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) blijkt dat de verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, als ware hij ouder verplicht is tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Onder de ‘verwekker van een kind’ als bedoeld in voornoemd artikel wordt verstaan ‘de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan’. De man weerspreekt dat hij de verwekker is van de minderjarige. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv – dat in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige van overeenkomstige toepassing is tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet – dient in beginsel de moeder van de minderjarige feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat de (in rechte aangesproken) man de in art. 1:394 BW bedoelde 'verwekker' van het kind is in die zin dat hij degene is die samen met de moeder door geslachtsgemeenschap, 'op natuurlijke wijze', het kind heeft laten ontstaan.

9. Tussen partijen staat vast dat zij een seksuele relatie met elkaar hebben gehad en dat zij in dat kader ook geslachtsgemeenschap hebben gehad. Vast staat voorts dat zij ten tijde van het conceptietijdvak samen een week op vakantie zijn geweest; daarbij in een hotelkamer verbleven; seksueel verkeer met elkaar hebben gehad en daarbij geen anticonceptiemiddelen hebben gebruikt. De vrouw heeft in de stukken en ter terechtzitting onomwonden verklaard dat de man de verwekker is van de op [geboortedatum in] 2001 geboren minderjarige. De man heeft van zijn kant betwist dat hij de verwekker/biologische vader is van de minderjarige. Hij erkent weliswaar dat hij in het conceptietijdvak seksueel verkeer met de vrouw heeft gehad doch stelt dat in die periode geen geslachtsverkeer heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft om die reden in eerste aanleg, bij tussenbeschikking van 17 juni 2008, een DNA-onderzoek gelast. Het hof is van oordeel dat de rechtbank, gezien de betwisting van de man, op goede gronden heeft besloten om een DNA-onderzoek te gelasten.

10. De man heeft, blijkens zijn proceshouding, en zijn stellingen ter terechtzitting bij het hof, niet mee willen werken aan het DNA-onderzoek, mede omdat dit een inbreuk zou zijn op zijn privacy. Het hof is echter van oordeel dat het recht op privacy moet wijken voor het belang van de vrouw en de minderjarige om te weten wie de biologische vader/verwekker van de minderjarige is.

11. Gelet op het vorenoverwogene houdt het hof het ervoor dat de man de biologische vader is van de minderjarige. Omdat het biologisch vaderschap daarmede in rechte vaststaat, bestaat ook het vermoeden dat de man de verwekker is van de minderjarige. Nu de man zijn stelling dat hij niet de verwekker is onvoldoende gemotiveerd en geconcretiseerd heeft weersproken, behoeft de man naar het oordeel van het hof niet te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

De eerste tot en met de derde grief van de man falen derhalve.

Behoefte, draagkracht en ingangsdatum

12. In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen inhoudelijk behoefte- of draagkrachtverweer heeft gevoerd en dat daarom het verzoek van de vrouw om kinderalimentatie als in zoverre onweersproken en op de wet gegrond kan worden toegewezen. De man betoogt dat hij in eerste aanleg de behoefte van de minderjarige als door de vrouw onvoldoende nader onderbouwd heeft betwist en ook in hoger beroep stelt hij dat de behoefte op geen enkele wijze is toegelicht. Voorts blijft hij bij zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage voor de minderjarige te betalen en betwist hij de terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2007 en de verhoging van de bijdrage per 1 januari 2014.

13. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

14. Het hof overweegt als volgt. Gezien de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde financiële stukken waaruit blijkt dat zij beschikt over een modaal inkomen, en het ontbreken van financiële gegevens aan de zijde van de man acht het hof een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige € 375,- per maand met ingang van 1 januari 2007 en van € 500,- per maand met ingang van 1 januari 2014 redelijk.

15. De man heeft ook in hoger beroep nagelaten verificatoire financiële bescheiden over te leggen op grond waarvan zijn draagkracht zou kunnen worden vastgesteld. Bij gebreke van deze gegevens gaat het hof ervan uit dat de man de door de rechtbank vastgestelde bedragen kan betalen.

16. Nu de man heeft nagelaten zijn betwisting van de ingangsdata van de kinderalimentatie gemotiveerd te onderbouwen, niet heeft gesteld welke ingangsdatum er dan gehanteerd dient te worden, en nu deze data het hof niet onredelijk voorkomen, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Kosten DNA-onderzoek

17. In zijn vijfde grief stelt de man dat de kosten voor het DNA-onderzoek voor rekening van de rechtbank dienen te komen, subsidiair voor rekening van de vrouw.

18. Het hof acht het, mede gelet op het feit dat de man in deze procedure in het ongelijk is gesteld, in de rede liggen dat deze (administratie) kosten voor rekening van de man komen, en zal dienovereenkomstig beslissen.

Proceskosten

19. In zijn zesde grief stelt de man dat de vrouw de proceskosten voor haar rekening moet nemen. De vrouw heeft verzocht om de man te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

20. Het hof ziet geen aanleiding om een van beide partijen te veroordelen in de kosten van beide procedures en zal – zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard – de kosten compenseren. De verzoeken van partijen tot veroordeling van de ander in de proceskosten van beide instanties wordt daarom afgewezen.

21. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, van Dijk en Burgers-Thomassen bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2010.