Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4221

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00247 en 09/00248
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ/OZB. De Inspecteur heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de vastgestelde waarde van de woning is gekomen. Onvoldoende inzicht is verschaft in de wijze waarop een verband kan worden gelegd tussen de in de bijlage vermelde verkoopcijfers van de referentieobjecten en de in geding zijnde waarde van de woning. Evenmin is inzichtelijk geworden wat de gevolgen zijn van de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten en in hoeverre deze onderlinge verschillen hebben bijgedragen aan en van invloed zijn geweest op de uiteindelijk door hem voorgestane waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummers BK-09/00247 en 09/00248

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 5 januari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] en van de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 maart 2009, nr. AWB 07/7551 WOZ, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) heeft de Inspecteur, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) voor het tijdvak 2007 en naar de waardepeildatum 1 januari 2005 (hierna: de waarde) vastgesteld op € 475.019. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2007 bekend gemaakt.

1.2. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de waardebeschikking gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de waarde verminderd tot € 450.000 onder gelijktijdige vermindering van de aanslag.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende en de Inspecteur zijn van de uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 110.

2.2. Ieder der partijen heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 25 november 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een huis in een rij met berging in een in aanbouw zijnde wijk in [Z]. De oppervlakte van het perceel is ongeveer 199 vierkante meter.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum (hierna: de waarde). De Inspecteur heeft de waarde op € 475.019 vastgesteld, terwijl belanghebbende een waarde van € 450.000 bepleit.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet dient de waarde van de woning te worden bepaald op de aan die zaak toe te kennen waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

6.2. Op de Inspecteur rust - bij betwisting - de last aannemelijk te maken dat de waarde niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer op de waardepeildatum. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde heeft de Inspecteur een meetrapport, een bouwtekening, een taxatieverslag en een rekenblad met uitleg in het geding gebracht. Een taxatierapport is niet gemaakt.

6.3. Bij de vaststelling van de waarde van de woning heeft de Inspecteur acht geslagen op de verkoopprijzen van de in de stukken vermelde referentieobjecten.

6.4. Naar 's Hof oordeel heeft de Inspecteur, ook gelet op de gemotiveerde betwisting door belanghebbende van de door de Inspecteur vastgestelde waarde, onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de vastgestelde waarde is gekomen. Onvoldoende inzicht is verschaft in de wijze waarop een verband kan worden gelegd tussen de in de bijlage vermelde verkoopcijfers van de referentieobjecten en de in geding zijnde waarde van de woning. Evenmin is inzichtelijk geworden wat de gevolgen zijn van de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten en in hoeverre deze onderlinge verschillen hebben bijgedragen aan en van invloed zijn geweest op de uiteindelijk door hem voorgestane waarde. Niet aannemelijk is geworden, gelet op de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten, dat de waarde van de woning in een juiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de referentieobjecten. Met de door de Inspecteur in het geding gebrachte stukken en hetgeen hij ter zitting heeft toegelicht, is de Inspecteur niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs. De door hem vastgestelde waarde kan niet als juist worden aanvaard. Naar 's Hofs oordeel heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning € 450.000 bedraagt.

6.5. Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de waarde van de woning voor de jaren 2008 en 2009 eveneens op € 450.000 dient te worden gesteld. Die klacht kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende tegen de woz-beschikkingen over die jaren rechtsmiddelen heeft aangewend en de rechtbank over de waarde van die woning diende te beslissen.

6.6. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als volgt.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 7 wegens reiskosten en € 100 (4 uren maal € 25 per uur) wegens verletkosten, in totaal derhalve op € 107.

7.2. Aangezien de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, zal de griffier ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur een griffierecht van € 433 heffen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 107,

- gelast de griffier ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur een griffierecht van € 433 te heffen.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, H.A.J. Kroon en H.E. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 5 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.