Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4213

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
200.018.150-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschap na scheiding: schenking met uitsluitingsclausule? Bijdrage in kosten van verzorging en levensonderhoud minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 januari 2010

Zaaknummer : 200.018.150/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-1745

[appellant],

wonende te [adres],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.C. Meijler te Wassenaar,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [adres],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. N.T. Vogelaar te Pijnacker.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 10 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 juli 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 8 juni 2009 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De vader heeft op 2 juli 2009 een verweerschrift op het incidentele appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 25 februari 2009 en 23 september 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

De hierna te noemen minderjarige [C.] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om schriftelijk haar mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar te maken.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De ouders zijn op [datum] 1986 in de gemeente [P.] gehuwd.

Uit dit huwelijk zijn geboren de thans jong-meerderjarige kinderen:

[L.], geboren op [geboortedatum in] 1989 te [geboorteplaats], verder: [L.],

[J.], geboren op [geboortedatum in] 1990 te [geboorteplaats], verder: [J.].

Uit dit huwelijk is geboren het thans nog minderjarige kind:

[C.], geboren op [geboortedatum in] 1992 te [geboorteplaats], verder: [C.].

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Voorts is bepaald dat de vader, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van [J.] en [C.] aan de moeder, die de minderjarigen verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 320,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is bepaald dat de vader met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie aan [L.] € 320,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Daarnaast is bepaald dat de vader met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tegen kwijting aan de moeder tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 50,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is bepaald dat het bedrag ad € 24.200,- dat in depot bij de notaris staat een schenking onder uitsluitingsclausule aan de vader van diens moeder betreft en buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap valt. Daarnaast is – voor zover in hoger beroep van belang – zowel aan de vader als aan de moeder de helft van de waarde van de Opmaat Polis en de helft van de waarde van de drie polissen bij Centraal Beheer/Achmea per peildatum 1 augustus 2008 toebedeeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheiding is op 27 oktober 2008 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

De vader heeft zijn beroepschrift van 23 september 2009 alleen gericht tegen de moeder en niet tegen [L.]e en [J.], die op dat moment reeds meerderjarig waren. Dit brengt mee dat het hoger beroep van de vader voor zover het de bijdragen voor [L.]e en [J.] betreft niet-ontvankelijk is.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [C.], de uitkering tot levensonderhoud van de moeder en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de moeder in haar verzoek tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud af te wijzen althans haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek en het verzoek van de moeder tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen en tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige af te wijzen althans de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, voor zover die bijdragen een redelijk bedrag per maand per kind te boven gaan, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De moeder bestrijdt het beroep. In incidenteel appel verzoekt zij de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt:) voor zover het de verdeling van de huwelijksgemeenschap betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, de verdeling vast te stellen aldus dat wordt bepaald dat als peildatum voor de waardering van de Opmaat Polis 1 januari 2008 zal worden aangehouden en dat de waarde op deze peildatum gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dat als peildatum voor de waardering van drie polissen bij Centraal Beheer/Achmea 1 januari 2008 zal worden aangehouden en dat de waarde op deze peildatum gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld en de vader te veroordelen om aan de moeder ten titel van overbedeling te voldoen de helft van het eerder bij de notaris gedeponeerde bedrag ten titel van overbedeling vast te stellen op een bedrag van € 12.100,00, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie gemeend te moeten bepalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

4. De vader verzet zich daartegen.

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

Schenking ten bedrage van € 24.200,-

5. De moeder heeft in incidenteel appel bestreden dat het in depot bij de notaris staande bedrag van € 24.200,- een schenking onder een uitsluitingsclausule aan de vader van diens moeder betreft en derhalve buiten de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap valt. Volgens de moeder is medegedeeld dat het bedrag voor hen beiden – de vader én de moeder – was.

6. De vader betwist de stellingen van de moeder. Volgens de vader blijkt uit een door hem overgelegde brief van zijn moeder van 1 december 2005 dat de schenking bij uitsluitingsclausule aan hem is gedaan.

7. Het hof is van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat de schenking buiten de gemeenschap van goederen valt. Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de moeder de inhoud en datering van de door de vader overgelegde brief gemotiveerd heeft betwist. Voorts blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat op 21 december 2005 een bedrag van € 20.000,- door Notariskantoor Warmond op de gemeenschappelijke rekening van partijen is gestort en dat op 29 september 2006 door [M.], naar het hof begrijpt: de moeder van de vader, een bedrag van € 4.200,- onder vermelding van [omschrijving] op diezelfde gemeenschappelijke rekening is gestort. Het hof leidt af uit het feit dat de schenking is overgemaakt naar de gemeenschappelijke rekening van partijen en dat de vader geen nadere bewijsstukken van zijn stelling heeft aangedragen, dat de schenking is gedaan aan beide partijen en derhalve in de gemeenschap van goederen valt. Het hof stelt vast dat de vader ter zake van overbedeling € 12.468,- aan de moeder dient te voldoen.

Peildatum verdeling polissen

8. Ter terechtzitting zijn partijen tot overeenstemming gekomen ten aanzien van de peildatum van de verdeling van de polissen, in die zin dat de verdeling daarvan plaatsvindt per datum van deze beschikking onder verrekening van de door de vader tot die datum betaalde premies.

Alimentatie

9. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, heeft de wet onmiddellijke werking.

10. In deze wet is in artikel 1: 400 lid 1 BW een voorrangsregeling voor kinderalimentatie opgenomen. In vervolg daarop is ingaande 1 maart 2009 van toepassing de nieuwe normering voor kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen. Gelet hierop zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader met ingang van 1 maart 2009 een draagkrachtpercentage van 70% hanteren.

Aandeel in de kosten van [C.]

11. De vader stelt dat de rechtbank bij de berekening van de behoefte van [C.] en de moeder ten onrechte is uitgegaan van het nettogezinsinkomen van 2007, terwijl partijen in januari 2006 uit elkaar zijn gegaan.

12. De moeder betwist de stellingen van de vader.

13. Het hof is van oordeel dat de grief van de vader terecht is voorgesteld. Bij de bepaling van de behoefte van een minderjarige aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dient uitgegaan te worden van het welvaartsniveau voor het uit elkaar gaan van de ouders. Omdat het welvaartsniveau veelal de resultante zal zijn van een inkomen over een langere periode, acht het hof het juist om in beginsel uit te gaan van het netto gezinsinkomen in een periode voorafgaande aan het uiteengaan van de ouders waarin zich geen grote veranderingen ten aanzien van dat inkomen hebben voorgedaan. Vast is komen te staan dat partijen begin januari 2007 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat het jaarinkomen van de vader in 2007 aanzienlijk hoger is dan de jaren daarvoor en daarna. Het hof acht het derhalve redelijk om bij de berekening van het netto gezinsinkomen van partijen aan de zijde van de vader uit te gaan van een gemiddeld inkomen berekend over de jaren 2005, 2006 en 2007 van € 54.730,- bruto per jaar. Daarbij in aanmerking nemende een bruto jaarinkomen van de moeder in 2006 van € 19.744,- gaat het hof uit van een netto gezinsinkomen van afgerond € 4.317,00 per maand. Het eigen aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt bij dit nettogezinsinkomen € 1.205,- bruto per maand, zijnde € 402,- per maand per kind.

Behoefte en behoeftigheid van de moeder

14. Voor de berekening van de behoefte van de moeder aan een uitkering tot levensonderhoud gaat het hof uit van 60% van het netto gezinsinkomen minus de kosten van de kinderen, hetgeen neerkomt op een behoefte van € 1.867,- per maand.

15. Het hof stelt voorop dat de onderhoudsverplichting van de vader begint op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daarvoor bestemde registers van de burgerlijke stand, te weten 27 oktober 2008. Het hof gaat bij de beoordeling van de behoeftigheid van de moeder derhalve uit van haar eigen verdiencapaciteit in 2008.

16. Het hof is gebleken dat de vader aan de hand van concrete bezwaren heeft gesteld dat de aangifte Inkomstenbelasting 2008 van de moeder een onjuiste weergave van haar verdiencapaciteit is. Hij betwist de vermelde bank-, giro- en spaartegoeden en stelt dat zij inkomsten ontvangt uit het PGB van [C.] en dat van haar moeder, welke inkomsten niet vermeld zijn op de belastingaangifte. Voorts stelt de vader dat de moeder met haar werkervaring in staat kan worden geacht een hogere verdiencapaciteit te gelde te maken. De moeder heeft de stellingen betwist, doch heeft nagelaten dit nader met financiële stukken te onderbouwen. Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende inzicht heeft gegeven in haar inkomenssituatie over 2008 en ziet in de stellingen van de vader aanleiding om uit te gaan van een hoger inkomen dan vermeld op de aangifte Inkomstenbelasting 2008. Uitgaande van een verzamelinkomen van ten minste € 26.476,- bruto per jaar, zijnde € 2.206,- bruto per maand, is het hof van oordeel dat de moeder in staat kan worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het verzoek van de moeder tot vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud zal derhalve worden afgewezen.

Verdeling van de kosten van [C.]

17. Ter terechtzitting hebben partijen zich desgevraagd akkoord verklaard met een verdeling van de kosten van [C.] in die zin, dat tweederde van de kosten ten laste van de vader komt en eenderde ten laste van de moeder. In het hiernavolgende zal het hof beoordelen in hoeverre de draagkracht van de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [C.] van € 268,- per maand toelaat.

Draagkracht van de vader

18. Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de vader uit van het inkomen en de lasten van de vader vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, te weten 27 oktober 2008.

19. Op basis van de overgelegde stukken stelt het hof vast dat de vader in 2008 een inkomen had van € 3.811,61 bruto per maand en daarbovenop een toelage - op zijn salarisoverzichten vermeld als “LL inhtoelage bezw funct” - van € 366,46 bruto per maand ontving. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat de maandelijks ontvangen toelage een reservering is in verband met vervroegd pensioen. Het hof beschouwt voormelde toelage als vast bestanddeel van zijn inkomen, aangezien hij deze toelage tot zijn 62e zal ontvangen. Daarnaast is de vader in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid en teveel uitbetaalde uren in 2008 maandelijks respectievelijk met € 161,- en € 228,70 bruto op zijn inkomen gekort. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de korting wegens arbeidsongeschiktheid en teveel uitbetaald uren over heel 2008 heeft plaatsgevonden. Daarbij ontvangt de vader 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering € 3.439,56. Voormelde inkomenselementen tezamen gaat het hof uit van een bruto jaarinkomen van € 53.682,-, zoals vermeld op de jaaropgave 2008.

20. Voorts blijkt uit de salarisoverzichten van mei 2009, juni 2009 en juli 2009 dat het inkomen van de vader in 2009 is toegenomen, omdat hij niet langer wegens arbeidsongeschiktheid in zijn inkomen wordt gekort. Het hof gaat voor de berekening van de draagkracht van de vader uit van een inkomen in 2009 van € 4.074,44 bruto per maand en een toelage van € 398,16 bruto per maand. Daarnaast ontvangt hij een vakantie-uitkering van 8% en een eindejaarsuitkering van € 3.911,52 bruto.

21. Daarnaast is tussen partijen in geschil de woonlasten van de vader. Blijkens de brief van ‘Rondom Wonen’ van 11 september 2007 en de daarbij behorende ‘specificatie gebruikersvergoeding’ bedragen de woonlasten van de vader € 267,17 bruto per maand, zodat het hof hiermee rekening houdt. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat hij per 1 januari 2010 een andere woning dient te betrekken. Het hof acht de stelling van de vader, dat hij gelet op de hoogte van zijn inkomen niet in aanmerking zal komen voor een woning van de woningbouwvereniging, aannemelijk. Het hof acht het derhalve redelijk om met ingang van 1 januari 2010 rekening te houden met woonlasten van € 700,- per maand.

22. Gelet op het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de vader een onderscheid maken in de volgende perioden. In de periode van 27 oktober 2008 tot 1 maart 2009 houdt het hof rekening met woonlasten aan de zijde van de vader van € 267,- per maand en een draagkrachtpercentage van 60%. In de periode van 1 maart 2009 tot 1 januari 2010 houdt het hof naast deze woonlasten rekening met een gestegen inkomen aan de zijde van de vader en een draagkrachtpercentage van 70%. Voorts gaat het hof met ingang van 1 januari 2010 uit van woonlasten van € 700,- per maand.

Bijdrage ten behoeve van de jongmeerderjarigen

23. In het vorenstaande heeft het hof overwogen dat de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het de bijdragen ten behoeve van de jongmeerderjarige kinderen van partijen betreft. De niet-ontvankelijkheid leidt ertoe dat de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud ten behoeve van de jongmeerderjarigen van € 320,- per maand per kind als onbestreden vaststaat en de vader onverminderd gehouden is deze te voldoen. Het hof beschouwt deze bijdrage als een maandelijkse last en zal hiermee rekening houden bij de berekening van zijn draagkracht.

Conclusie

24. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de draagkracht van de vader met ingang van 27 oktober 2008, rekening houdende met de overige door de rechtbank vastgestelde lasten (te weten: de premie zorgverzekeringswet), toereikend is om een bijdrage van € 268,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [C.] te voldoen.

25. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit gericht is tegen [L.], geboren op [geboortedatum in] 1989 te [geboorteplaats], en [J.], geboren op [geboortedatum in] 1990 te [geboorteplaats];

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vader met ingang van 27 oktober 2008 voor de verzorging en opvoeding van [C.], geboren op [geboortedatum in] 1992 te [geboorteplaats], aan de moeder zal betalen een bedrag van € 268,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

wijst het verzoek van de moeder tot vaststelling van een uitkering tot haar levensonderhoud af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld als volgt:

aan de vader worden toegescheiden:

- de helft van de waarde van de auto, zijnde € 1.250,- ;

- de helft van de waarde van de Opmaat Polis per peildatum 20 januari 2010 onder verrekening van de door de vader betaalde premie;

- de helft van de waarde van de drie polissen bij Centraal Beheer/Achmea per peildatum 20 januari 2010 onder verrekening van de betaalde premie;

- de helft van het bedrag dat bij de notaris in depot staat van € 24.936,-, zijnde 12.468,-;

aan de moeder worden toegescheiden:

- de helft van de waarde van de auto, zijnde € 1.250,- ;

- de helft van de waarde van de Opmaat Polis per peildatum 20 januari 2010 onder verrekening van de door de vader betaalde premie;

- de helft van de waarde van de drie polissen bij Centraal Beheer/Achmea per peildatum

20 januari 2010 onder verrekening van de betaalde premie;

- de helft van het bedrag dat bij de notaris in depot staat van € 24.936,-, zijnde 12.468,-;

en verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mos-Verstraten en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2010.