Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL3963

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
200.044.997-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering inschrijving merk op absolute gronden (beschijvend teken) afgewezen; subsidiair verzoek tot gedeeltelijke inschrijving voor deel van de waren niet in behandeling genomen nu daarom niet is verzocht in de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.044.997/01

beschikking van de vijfde civiele kamer d.d. 9 februari 2010

inzake

[Naam],

wonende te [plaats],

verzoeker,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem,

tegen

de BENELUX-ORGANISATIE VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM

(MERKEN EN TEKENINGEN OF MODELLEN) en haar orgaan

het BENELUX-BUREAU VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM,

gevestigd te Den Haag,

verweerder,

hierna te noemen: het Bureau,

vertegenwoordigers ex art. 2.12 lid 2 BVIE: mrs. C.J.P. Janssen en P. Veeze.

Het geding

Bij op 5 oktober 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift heeft [appellant] het hof verzocht het Bureau te bevelen over te gaan tot inschrijving van het depot van het teken TURNKEYWORLD als woordmerk voor de in het depot aangegeven waren en diensten in de klassen 20, 35, 37 en 42, althans in één of meer van deze klassen, met veroordeling van het Bureau in de kosten van de procedure.

Het Bureau heeft bij op 18 november 2009 ter griffie van het hof ingekomen verweerschrift verzocht het verzoek van [appellant] af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 januari 2010. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten, [appellant] door zijn advocaat en het Bureau door mr. Veeze.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Uit de stellingen van partijen en de processtukken is het volgende gebleken.

a. [appellant] heeft op 27 november 2008 een Beneluxdepot verricht van het woord TURNKEYWORLD voor de volgende waren en diensten:

- Kl 20 Meubelen, spiegels, lijsten; van hout, kurk, riet, bies, teen, hoorn, been, ivoor, balein, schildpad, barnsteen, parelmoer, meerschuim, vervangingsmiddelen van al deze stoffen of van plastic vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen.

- Kl 35 Organiseren en houden van exposities, presentaties, beurzen en andere evenementen voor commerciële of publicitaire doeleinden; detailhandelsdiensten met betrekking tot meubelen en alle andere zaken ten behoeve van de inrichting van kantoren, bedrijven en hotels; verkooppromotie van zaken betreffende hotel-, bedrijven- en kantoorinrichting; demonstraties van zaken betreffende hotel-, bedrijven- en kantoorinrichting; import en export van zaken betreffende hotel-, bedrijven- en kantoorinrichting; zakelijke bemiddeling betreffende hotel-, bedrijven en kantoorinrichting.

- Kl 37 Inrichting van bedrijven, kantoren en hotels; installatie- en reparatiewerkzaamheden.

- Kl 42 Ontwerpen van meubels ten behoeve van kantoor-, bedrijfs- en hotelinrichting; het ontwerpen van interieurs voor kantoren, bedrijven en hotels; het geven van technische adviezen inzake de inrichting van kantoren, bedrijven en hotels.

b. Bij brief van 2 januari 2009 heeft het Bureau aan de gemachtigde van [appellant] medegedeeld voornemens te zijn de inschrijving te weigeren omdat het teken TURNKEYWORLD beschrijvend is en bovendien ieder onderscheidend vermogen mist, waarbij is verwezen naar de artikelen 2.11, lid 1, sub b en c BVIE.

c. Bij brieven van 20 januari 2009 en 1 juli 2009 heeft de gemachtigde van [appellant] bezwaar gemaakt tegen de voorlopige weigering. In deze brieven is verzocht de weigering te herroepen/de merkinschrijving niet te weigeren en alsnog over te gaan tot inschrijving van het teken TURNKEYWORLD in de opgegeven klassen.

d. Op voormelde brieven heeft het Bureau bij brieven van 17 februari 2009 en 5 augustus 2009 gereageerd. Op 5 augustus 2009 heeft het Bureau ook zijn definitieve beslissing tot weigering aan de gemachtigde van [appellant] medegedeeld.

2. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [appellant] in zijn verzoekschrift dat het teken TURNKEYWORLD niet uitsluitend beschrijvend is voor de waren en diensten waarvoor het is gedeponeerd, dat het een neologisme is, fantasievol en meer dan de som der delen. [appellant] stelt enerzijds dat het teken verwijst naar de door hem te verlenen service, namelijk het openen van een deur door het draaien van de sleutel in het slot naar een nieuwe omgeving. Anderzijds stelt hij dat het teken geen direct en concreet verband legt met de waren en diensten waarvoor hij het wil gebruiken.

3. In artikel 2:11 BVIE is bepaald:

1. het Bureau weigert een merk in te schrijven indien naar zijn oordeel:

(…)

b. het merk elk onderscheidend vermogen mist

c. het merk uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of het tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of de diensten;

(…).

4. Onder meer in zijn arresten van 4 mei 1999, NJ 2000, 269 (inzake Chiemsee) en 12 februari 2004, NJ 2006, 531 (inzake Postkantoor) heeft het HvJ EG gewezen op het algemeen belang bij vrijhouding van bepaalde tekens.

In laatstgenoemd arrest heeft het hof onder meer overwogen:

“53. (…) dat volgens artikel 3, lid 1 sub c, van de richtlijn de inschrijving wordt geweigerd van merken die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor deze inschrijving wordt aangevraagd.

54. zoals het hof reeds heeft verklaard (…) streeft artikel 3, lid 1, sub c van

de richtlijn een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk dergelijke tekens of benamingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. deze bepaling belet derhalve dat die tekens of benamingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden.

55. dit algemeen belang impliceert immers dat alle tekens of benamingen

die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving wordt aangevraagd, voor alle ondernemingen vrij beschikbaar blijven zodat zij deze tekens en benamingen kunnen gebruiken om dezelfde kenmerken van hun eigen waren te beschrijven. merken die uitsluitend bestaan uit dergelijke tekens of benamingen kunnen dus niet worden ingeschreven (…).

(…)

57. het is irrelevant dat er andere tekens of benamingen bestaan die gebruikelijker zijn dan die waaruit het merk bestaat, om dezelfde kenmerken van de in de inschrijvings-aanvraag vermelde waren of diensten aan te duiden. (…)

58. Evenmin is het doorslaggevend of een groot dan wel een klein aantal concurrenten belang kan hebben bij gebruik van de tekens of benamingen waaruit het merk bestaat. elke marktdeelnemer die thans waren of diensten aanbiedt die concurreren met die waarvoor de inschrijving is aangevraagd, alsmede elke marktdeelnemer die dit in de toekomst zou kunnen doen, moet ongestoord gebruik kunnen maken van de tekens of benamingen die kunnen dienen om de kenmerken van deze waren of diensten te beschrijven.

97. Het is voorts niet noodzakelijk dat de in artikel 3, lid 1, sub c, van de richtlijn bedoelde tekens of benamingen waaruit het merk is samengesteld, op het moment van de inschrijvingsaanvraag daadwerkelijk worden gebruikt voor de beschrijving van waren of diensten als die waarvoor de aanvraag is ingediend, of van de kenmerken van deze waren of deze diensten, zoals de formulering van deze bepaling aangeeft, is het voldoende dat deze tekens en benamingen hiertoe kunnen dienen. de inschrijving van een woord als merk moet dan ook op grond van deze bepaling worden geweigerd, indien het in minstens één van de potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten aanduidt (…).

98. Over het algemeen is de enkele combinatie van bestanddelen die op zich beschrijvend zijn voor kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, zelf nog steeds beschrijvend voor deze kenmerken in de zin van artikel 3, lid 1, sub c. van de richtlijn. het enkele aaneenschrijven van dergelijke bestanddelen, zonder daaraan een ongebruikelijke wending te geven in bijvoorbeeld syntactische of semantische zin, kan immers slechts leiden tot een merk dat uitsluitend bestaat uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van kenmerken van deze waren of diensten.

99. Het is evenwel mogelijk dat een dergelijke combinatie niet beschrijvend is in de zin van artikel 3, lid 1, sub c van de richtlijn, indien de door deze combinatie gewekte indruk ver genoeg verwijderd is van de indruk die uitgaat van de eenvoudige aaneenvoeging van die bestanddelen. in het geval van een woordmerk, dat bestemd is om zowel gehoord als gelezen te worden, zal aan die voorwaarde zowel voor de auditieve als voor de visuele indruk die door het merk wordt gewekt, moeten zijn voldaan.

100. Een merk bestaande uit een woord waarvan elk bestanddeel beschrijvend is voor kenmerken van de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, is derhalve zelf ook beschrijvend voor deze kenmerken in de zin van artikel 3, lid 1, sub c, van de richtlijn, tenzij het woord merkbaar verschilt van de loutere som van zijn bestanddelen. daarvoor moet het woord ofwel door de voor deze waren of diensten ongebruikelijke combinatie een indruk wekken die ver genoeg verwijderd is van de indruk die uitgaat van de eenvoudige aaneenvoeging van de door de bestanddelen gegeven aanwijzingen, zodat dit woord meer is dan de som der bestanddelen, ofwel moet het woord zijn gaan behoren tot het normale spraakgebruik en aldaar een eigen betekenis hebben gekregen, zodat het voortaan losstaat van zijn bestanddelen. in dit laatste geval dient dan te worden onderzocht of het woord dat een eigen betekenis heeft gekregen, niet zelf beschrijvend is in de zin van diezelfde bepaling.” .

5. Verder geldt in het algemeen dat de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het teken dient plaats te vinden enerzijds in relatie tot de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en anderzijds in relatie tot de perceptie ervan door het relevante publiek. Het gaat daarbij om de perceptie van de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van de desbetreffende waren en/of diensten.

[appellant] stelt het teken te (willen) gebruiken voor de verzorging van de inrichting van kantoren, hotels of andere bedrijven.

6. Het teken TURNKEYWORLD bestaat uit de woorden TURNKEY en WORLD.

Het woord TURNKEY is uit het Engels afkomstig en behoort inmiddels ook tot de Nederlandse taal. Het is opgenomen in van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal en betekent onder meer “klaar voor gebruik” of “kant-en-klaar” of (met betrekking tot gebouwen) “sleutelklaar” (zie productie 1 bij het verweerschrift). Dit is door [appellant] ook niet gemotiveerd betwist. Aan de stelling in de brief van zijn gemachtigde van 20 januari 2009 dat het woord TURNKEY door de gemiddelde inwoner van de Benelux niet zal worden begrepen als kant-en-klaar gaat het hof als onvoldoende onderbouwd voorbij. Uit de door het Bureau als productie 4 bij het verweerschrift overgelegde uitdraai van de eerste honderd hits met zoekmachine Google naar het woord TURNKEY in Nederland, blijkt dat het woord in Nederland wordt gebruikt in voormelde betekenis en ook wordt gebruikt in verband met inrichting van gebouwen. Het woord kan derhalve dienen ter aanduiding van een van de kenmerken van en is aldus beschrijvend voor de waren en diensten waarvoor het teken is gedeponeerd, kort gezegd waren en diensten met betrekking tot inrichting van bedrijven.

Het woord WORLD is Engels voor wereld en wordt ook in de Benelux opgevat als “de wereld van” of “alles met betrekking tot”. Het heeft in die zin een algemeen beschrijvend karakter, dat geen onderscheidend vermogen heeft of toevoegt.

De combinatie verschilt niet merkbaar van de som van de bestanddelen TURNKEY en WORLD. Er is geen sprake van een taalkundige vondst of een ongebruikelijke wending. De samenstelling is op de gebruikelijke wijze gevormd. Het teken zal naar het oordeel van het hof door het relevante publiek worden opgevat “de wereld van” of “alles met betrekking tot” turnkey. [appellant] stelt weliswaar dat het relevante publiek het teken anders zal opvatten dan hiervoor aangegeven, namelijk als het openen van een deur door het draaien van/ het geven van een sleutel naar/tot een nieuwe omgeving, maar gaat er ook van uit dat het zal worden begrepen als een verwijzing naar de(ze) door hem te verlenen service. Ook aldus opgevat zou sprake zijn van een niet onderscheidend teken.

Het teken TURNKEYWORLD mist aldus voor die waren en diensten waarvoor het is gedeponeerd elk onderscheidend vermogen in de zin van artikel 2.11, lid 1, sub b en c, BVIE.

7. De beslissing van het Bureau houdt in dat inschrijving is geweigerd (omdat het desbetreffende teken beschrijvend is) voor alle bij het depot aangeduide waren en diensten. [appellant] heeft in zijn verzoekschrift subsidiair verzocht het teken in te schrijven voor een of meer van de opgegeven klassen. Bij mondelinge behandeling heeft hij gesteld dat het Bureau onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het teken beschrijvend is voor alle waren en diensten waarvoor het is gedeponeerd. In zijn arrest van 15 februari 2007, C-239/05 (inzake THE KITCHEN COMPANY) heeft het HvJ EG geoordeeld dat de bevoegde autoriteit die weigert een merk in te schrijven, in haar beslissing voor elk van de in de aanvraag om inschrijving opgegeven waren en diensten haar conclusie dient te vermelden, ongeacht de wijze waarop deze aanvraag is geformuleerd. Wanneer evenwel dezelfde weigeringsgrond wordt ingebracht voor een categorie of een groep van waren of diensten, kan de bevoegde autoriteit volstaan met een globale motivering voor alle (al die) betrokken waren of diensten. Het Bureau heeft naar aanleiding van voormeld verwijt gesteld dat het teken voor alle waren en diensten waarvoor het depot is verricht beschrijvend is.

8. Of de door het Bureau gegeven motivering ten aanzien van alle waren en diensten voldoende is, kan in het midden blijven, nu de bevoegdheid van het hof bestaat uit het toetsen van de juistheid van de beslissing van het Bureau tot weigering van de inschrijving van het depot zoals dat aan het Bureau werd voorgelegd en zoals dit eventueel na een kennisgeving door het Bureau van zijn voornemen de inschrijving geheel of gedeeltelijk te weigeren door de deposant is aangepast. Dit brengt mee dat het hof niet, hetzij op verlangen van de deposant, hetzij ambtshalve, een wijziging kan aanbrengen in de door de deposant opgegeven lijst van waren en diensten door daaruit bepaalde waren en diensten te schrappen, en dat het evenmin bevoegd is een bevel tot inschrijving te geven dat anderszins beperkingen inhoudt ten opzichte van het door het Bureau beoordeelde en vervolgens geweigerde depot (vergelijk BenGH 29 juni 2006, NJ 2006, 596 inz. Europolis). In zijn arrest van 15 februari 2007 , C-239/05 (inzake THE KITCHEN COMPANY) heeft het Hof van Justitie EG deze procedurele (Benelux-)aanpak in beginsel geautoriseerd. In de bezwaarfase heeft [appellant] geen verzoek tot beperking van de waren en diensten waarvoor het merk is gedeponeerd ingediend en/of zijn depot beperkt. In de hiervoor onder 1c genoemde brieven van de gemachtigde van [appellant] valt dit niet te lezen. Ten overvloede overweegt het hof dat het met het Bureau van oordeel is dat het teken onderscheidend vermogen mist voor alle waren en diensten waarvoor het is gedeponeerd, nu deze alle betrekking hebben op inrichting van bedrijven.

9. Het verzoek van [appellant] zal derhalve worden afgewezen.

[appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van het Bureau. Het hof zal de kosten naar redelijkheid begroten, daarbij in aanmerking nemende dat het Bureau zich in dit geding heeft laten vertegenwoordigen op de voet van artikel 2.11, lid 2 BVIE.

Beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [appellant] af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van het Bureau begroot op € 313,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.D. Kiers-Becking, M.Y. Bonneur en G.J. Heevel; het is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2010, in aanwezigheid van de griffier.