Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL3706

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00274
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenaanspraak. Belanghebbende heeft zijn pensioenaanspraak prijsgegeven, terwijl niet gezegd kan worden dat de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar was, zodat de Inspecteur terecht de waarde van de pensioenaanspraak in 2002 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 77 met annotatie van Prof. dr. H.M. Kappelle
Belastingadvies 2010/6.6
V-N 2011/25.18.9
FutD 2010-0450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00274

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 26 januari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2009, nr. AWB 07/5934 IB/PVV, betreffende na te noemen aan belanghebbende opgelegde aanslag en ten aanzien van hem genomen beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.315. Daarbij heeft de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden (hierna: de Inspecteur) bij afzonderlijke beschikking een bedrag van € 16.953 aan revisierente aan belanghebbende in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 15 december 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1937 en was houder van vijftig procent van de aandelen in [A] B.V. (hierna: [A]), welke vennootschap alle aandelen hield van [B] B.V. (hierna: de vennootschap). De andere vijftig procent van de aandelen in [A] werden gehouden door [C] B.V. (hierna: [C]). Enig aandeelhouder van [C] is de zoon van belanghebbende, [D], geboren op [dag en maand] 1963 (hierna: de zoon). In februari 2002 heeft belanghebbende zijn aandelen in [A] verkocht aan [C].

3.2. De activiteiten van de vennootschap bestonden uit het fabriceren van carrosserieën en de handel in koeltransportmiddelen, opleggers en onderdelen. Ten tijde van de verkoop van de aandelen in [A] verkeerde de vennootschap in slechte financiële omstandigheden. Om het bedrijf van de ondergang te redden heeft de zoon het bedrijf van de vennootschap gereorganiseerd en getransformeerd in een agentschap. In het kader van deze reorganisatie is het dienstverband met een deel van het personeel beëindigd. Een en ander resulteerde in een positief bedrijfsresultaat na belastingen voor de vennootschap van € 119.066 in 2001 en € 14.963 in 2002. De vennootschap is in 2006 in staat van faillissement verklaard.

3.3. In 1990 heeft de vennootschap aan belanghebbende pensioenrechten toegekend, waarbij de verstreken diensttijd vanaf 1 februari 1982 in aanmerking wordt genomen. Per dienstjaar wordt 2,33% oudedagspensioen toegekend op basis van het toegekende salaris, verminderd met de inbouw van AOW. Het betreft een levenslang oudedagspensioen, met ingang van de dag waarop belanghebbende de 65-jarige leeftijd zou bereiken en, bij vooroverlijden van belanghebbende, een levenslang partnerpensioen ter grootte van 70 procent van het oudedagspensioen. De pensioenbrief bevat daarnaast - voor zover hier relevant - nog de volgende bepalingen:

"Voor dit pensioen wordt door ons in eigen beheer gereserveerd.

Wij behouden ons het recht voor de gedane pensioentoezegging te wijzigen

ingeval:

a. (...).

b. Onze bedrijfsresultaten, uitsluitend te onzer beoordeling, het niet toelaten

langer voor de benodigde pensioenen de noodzakelijke reserveringen ten laste

van het resultaat te doen."

3.4. De vennootschap heeft het aan belanghebbende toegezegd pensioen in eigen beheer gehouden. Op de balans per 31 december 1992 van de vennootschap zijn de pensioenaanspraken van belanghebbende en die van zijn zoon gepassiveerd voor een totaalbedrag van € 58.048. In de daaropvolgende jaren is aan de pensioenvoorziening niet meer gedoteerd.

3.5. Belanghebbende is op [dag en maand] 2002 (hierna: de pensioendatum) 65 jaar geworden. Op basis van de toegekende pensioenaanspraken dienden de pensioenuitkeringen aan belanghebbende per [dag en maand] 2002 in te gaan. Belanghebbende heeft afgezien van uitbetaling van zijn pensioenaanspraken zodat er geen pensioenuitkeringen hebben plaatsgevonden.

3.6. Voor de heffing inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft belanghebbende voor het jaar 2002 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 37.520. Omdat belanghebbende in 2002 heeft afgezien van zijn pensioenaanspraken heeft de Inspecteur de waarde van de pensioenaanspraak tot belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning over het jaar 2002 gerekend. De Inspecteur heeft de waarde van de aanspraak bepaald op € 84.795.

3.7. De vennootschap heeft in elk van de jaren 2002 en 2003 aan belanghebbende uitkeringen gedaan van € 6.009 ten titel van stamrechtuitkering. [A] heeft in 2002 € 29.950 en in 2003 € 27.467 aan belanghebbende uitgekeerd ten titel van terugbetaling van gestort informeel kapitaal.

3.8. De vennootschap heeft in de periode van 2002 tot en met 2005 elk jaar de arbeidsbeloning van haar directeur [D] ten opzichte van het voorafgaande jaar verhoogd, met respectievelijk € 6.713 in 2002, € 13.692 in 2003, € 19.120 in 2004 en € 33.340 in 2005.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen in hoger beroep

4.1. In geschil is of de Inspecteur terecht de waarde van de prijsgegeven pensioenaanspraken tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend, meer in het bijzonder of de pensioenaanspraken op moment van prijsgeven voor verwezenlijking vatbaar waren. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1. Vaststaat dat belanghebbende in 2002 heeft afgezien van zijn pensioenaanspraak jegens de vennootschap. Daaruit volgt op grond van artikel 19b, lid 1, aanhef en onder c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB) dat de pensioenaanspraak wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking, tenzij de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar was. Belanghebbende stelt dat deze uitzondering aan de orde is. De Inspecteur heeft dit ontkend.

6.2. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 19b, lid 1, aanhef en onder c, van de Wet LB volgt dat bij aanwezigheid van dwingende maatschappelijke redenen zoals schuldsanering, faillissement of surseance van betaling sprake kan zijn van niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraken. In het jaar 2002 was bij de vennootschap een schuldsanering, surseance van betaling of faillissement niet aan de orde.

6.3. Belanghebbende stelt dat de slechte financiële toestand van de vennootschap aanleiding vormde af te zien van zijn pensioenaanspraken op de vennootschap. Deze omstandigheid vormde mogelijk een zakelijke overweging voor belanghebbende om als aandeelhouder af te zien van zijn pensioenaanspraak jegens de vennootschap, maar zulks kan niet worden aangemerkt als een dwingende maatschappelijke reden voor belanghebbende om als werknemer zijn pensioenaanspraak prijs te geven. De vennootschap heeft in 2002 en 2003 stamrechtuitkeringen jaarlijks groot € 6.009 aan belanghebbende voldaan, maakte in de jaren 2001 en 2002 weer winst en zag ruimte om haar directeur [D] loonsverhogingen toe te kennen. Hieruit leidt het Hof af dat belanghebbende zijn pensioenaanspraak heeft prijsgegeven met het oog op de aandelenbelangen van zichzelf en zijn zoon in de vennootschap. Aldus heeft het aandeelhoudersbelang en niet het werknemersbelang voorop gestaan bij de keuze om af te zien van de pensioenaanspraken.

6.4. Vorenstaande overwegingen voeren tot de slotsom dat belanghebbende zijn pensioenaanspraak heeft prijsgegeven, terwijl niet gezegd kan worden dat de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar was, zodat de Inspecteur terecht de waarde van de pensioenaanspraak in 2002 tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

6.5. Door de Inspecteur is gesteld dat belanghebbende, op grond van de pensioentoezegging door de vennootschap, tot en met ultimo 1992 een ouderdomspensioen van € 6.593 en een nabestaandenpensioen van € 4.615 heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft deze stelling niet, althans onvoldoende betwist. Anders dan belanghebbende - naar het Hof begrijpt - betoogt, brengt het enkele feit dat de vennootschap na 1992 heeft afgezien van dotaties aan de pensioenvoorziening niet met zich dat de tot en met 1992 opgebouwde pensioenrechten zijn verlaagd.

6.6. De Inspecteur heeft aan de hand van een actuariële berekening gesteld dat de waarde van voornoemde pensioenaanspraken per de ingangsdatum van het pensioen bepaald dient te worden op € 103.517. Belanghebbende heeft deze door de Inspecteur in het geding gebrachte actuariële berekening onvoldoende betwist. Ook overigens heeft het Hof geen reden om aan de juistheid van de berekening en de daaruit resulterende waarde van de pensioenaanspraken per de pensioeningangsdatum te twijfelen. Nu de Inspecteur de waarde van de pensioenaanspraak in de aanslag op € 84.795 heeft gesteld, heeft de Inspecteur de waarde van de pensioenaanspraak niet te hoog vastgesteld.

6.7. Nu het standpunt van de Inspecteur juist is, is de verschuldigdheid van de revisierente niet in geschil.

6.8. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, J.W. baron van Knobelsdorff en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 26 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.