Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2815

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
105.006.723-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaarden rechtsgeldige opzegging dealerovereenkomst voor onbepaalde tijd en eventuele schadeplichtigheid importeur jegens dealer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2010, 24

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.723/01

Rolnummer (oud) : 07/858

Zaak-/rolnummer rechtbank : 64897/ HAZA 06-2366

Arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 12 januari 2010

inzake

[Naam],

wonende te Arkel, gemeente Giessenlanden,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. R.A. van der Hansz te 's-Gravenhage,

tegen

MOTOMONDO B.V. ,

voorheen uitsluitend h.o.d.n. MV Agusta Motor Benelux B.V.,

gevestigd te Giessenburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Agusta,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 10 juli 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen hem en Agusta gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 18 april 2007. Bij tussenarrest van 2 augustus 2007 is een comparitie na aanbrengen gelast, welke op 2 november 2007 heeft plaatsgevonden. Daarop heeft [appellant] bij memorie van grieven van 20 december 2007 zes grieven tegen het vonnis aangevoerd. Agusta heeft op 23 juni 2009 een memorie van antwoord genomen, waarbij zij de grieven heeft bestreden.

Vervolgens heeft Agusta, onder overlegging van haar procesdossier, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in haar vonnis van 18 april 2007 onder 2 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Agusta is importeur/distributeur Benelux van in Italië vervaardigde motorfietsen, onderdelen en accessoires. [appellant] is in 1999 door Agusta (mondeling) aangesteld als dealer. Agusta heeft de dealerovereenkomst beëindigd; in eerste instantie per 1 januari 2006, maar bij schrijven van 17 oktober 2005 per 1 mei 2006. [appellant] heeft schriftelijk protest aangetekend tegen de (wijze van) beëindiging.

In eerste aanleg heeft Agusta betaling gevorderd van de nog openstaande facturen ter zake van de door haar onder de dealerovereenkomst aan [appellant] geleverde goederen ten bedrage van € 28.826,61 te vermeerderen met de overeengekomen rente, subsidiair de wettelijke (handels)rente. [appellant] heeft deze vordering betwist. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat Agusta nog een aantal crediteringen ter zake van garantieclaims in behandeling dient te nemen. Daarnaast heeft hij gesteld dat er geen enkele reden was om de dealerovereenkomst te beëindigen, zodat Agusta met de opzegging onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en gehouden is de door hem dientengevolge geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden, ter zake waarvan hij een vordering in reconventie heeft ingediend.

3. De rechtbank heeft de vordering van Agusta in conventie tot betaling van de hoofdsom en tot betaling van de wettelijke rente toegewezen, bij gebreke van feitelijke onderbouwing van de weren van [appellant] en omdat zij de opzegging niet onrechtmatig vond. De vordering van [appellant] in reconventie heeft de rechtbank afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank kort samengevat overwogen dat [appellant] de onderneming voor eigen rekening en risico heeft gevoerd, hij geen exclusieve dealer is geweest en de in acht genomen opzegtermijn van ruim zes maanden redelijk is, zodat dat de opzegging niet op een zwaarwegende grond behoefde te berusten en de dealerovereenkomst met ingang van 1 mei 2006 rechtsgeldig is beëindigd. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat voor toekenning van een schadevergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid in deze procedure geen plaats is, reeds omdat [appellant] zijn onderneming voor eigen rekening en risico heeft gevoerd.

4. Met de eerste vier grieven komt [appellant] allereerst op tegen het oordeel van de rechtbank dat de opzegtermijn van zes maanden redelijk is en dat geen zwaarwegende grond voor opzegging was vereist, zodat de dealerovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. Daarbij heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat hij veel geld en tijd heeft geïnvesteerd in de dealerovereenkomst en schade lijdt door de opzegging. De grieven III en IV richten zich daarnaast tegen het oordeel van de rechtbank dat Agusta niet schadeplichtig is jegens hem. Ook grief VI is daartegen gericht.

Met grief V komt [appellant] op tegen het verwerpen van het verweer dat nog crediteringen ter zake van garantieclaims dienen plaats te vinden.

5. Het hof zal allereerst ingaan op grief V.

[appellant] stelt aan garantieclaims een (tegen)vordering op Agusta te hebben van € 10.236,52, waarvan een bedrag van € 9.886,52 thans nader is gespecificeerd op een met de hand geschreven overzicht (productie 2 memorie van grieven). Agusta heeft ter comparitie na aanbrengen aangevoerd dat alle door [appellant] ingediende garantieclaims zijn afgehandeld en er geen claims meer open staan. [appellant] heeft erkend de thans gestelde claims niet eerder te hebben ingediend. Als redenen daarvoor noemt [appellant] de verslechterde relatie tussen partijen (proces-verbaal comparitie na aanbrengen) en de weigering van Agusta de daarvoor te hanteren garantieformulieren aan hem toe te sturen (memorie van grieven). Wat daarvan zij, naar het oordeel van het hof had het op de weg van [appellant] gelegen in ieder geval in de onderhavige procedure de gestelde claims deugdelijk te onderbouwen onder opgave van die gegevens die normaal gesproken op een dergelijk garantieformulier worden ingevuld, zoals model, framenummer, naam klant, datum reparatie etcetera. Dat heeft [appellant] ook thans nagelaten: uit de in het geding gebrachte specificatie blijkt niet om welke goederen en/of klanten het gaat en evenmin of het hier om onder de garantie vallende reparaties gaat. [appellant] heeft ter zake geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat nadere bewijslevering niet aan de orde is. Het beroep op verrekening met de garantieclaims wordt daarom als onvoldoende onderbouwd verworpen. Grief V faalt dan ook.

6. De grieven I tot en met IV en VI zijn alle gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vordering die [appellant] stelt te hebben wegens onrechtmatige beëindiging van de dealerovereenkomst en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7. Het hof stelt voorop dat de vraag of een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden opgezegd en zo ja, onder welke voorwaarden, bij gebreke van een wettelijke of contractuele regeling daaromtrent moet worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de aard en inhoud van de overeenkomst en in verband met de omstandigheden van het geval. Uit de aard van een duurovereenkomst als de onderhavige vloeit voort dat deze in beginsel opzegbaar is, mits daarvoor een redelijke termijn in acht wordt genomen. Dit neemt niet weg dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat opzegging slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (HR 3 december 1999, NJ 2000/120). Tot de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden opgezegd, kan tevens behoren dat de opzeggende partij geheel of ten dele de schade moet vergoeden die de wederpartij door de opzegging lijdt (HR 21 april 1995, NJ 1995/437).

8. Bij de beoordeling van de vraag of de litigieuze dealerovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd zijn de navolgende, uit het procesdossier blijkende, omstandigheden van belang:

a) Agusta heeft de overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van ruim zes maanden;

b) op het moment van opzegging was [appellant] gedurende zes jaar als dealer van Agusta werkzaam geweest;

c) het dealerschap in Nederland en/of in het daarbinnen gelegen rayon was niet exclusief: naast [appellant] heeft Agusta in de loop der tijd nog andere dealers aangesteld; bij comparitie na aanbrengen heeft [appellant] gesteld dat Agusta hem had beloofd dat hij exclusief dealer zou worden, maar dat heeft Agusta ten stelligste ontkend, terwijl zij ook al in haar conclusie van antwoord in reconventie had gesteld dat [appellant] wist dat er ook andere dealers zouden worden aangesteld; nu [appellant] deze stelling bij memorie van grieven niet nader heeft onderbouwd en in zijn conclusie van dupliek in conventie zelf stelt dat Agusta meer dealers heeft aangesteld, zonder daarbij te stellen dat exclusiviteit was overeengekomen, gaat het hof daaraan voorbij;

d) er was evenmin sprake van een exclusieve afnameverplichting; naar [appellant] bij gelegenheid van voornoemde comparitie heeft verklaard, verkocht hij naast de producten van Agusta ook (tweedehands) motorfietsen van andere merken en zijn de totale omzet en aantallen daarvan steeds groter geweest dan het aandeel motorfietsen afgenomen van Agusta;

e) [appellant] dreef zijn onderneming voor eigen rekening en risico;

f) op enig moment heeft [appellant] besloten alleen op afspraak zijn winkel te openen (blz. 4 brief [appellant] d.d. 3 december 2005, productie 6 inleidende dagvaarding in eerste aanleg);

g) in 2005 was sprake van tegenvallende verkoopresultaten; op 9 februari 2005 hebben partijen een brainstormsessie gehouden om te bezien hoe een hogere omzet kon worden bevorderd;

h) naar [appellant] ter comparitie van partijen in eerste aanleg heeft verklaard, heeft hij na deze brainstormsessie alleen normale en lopende investeringen gedaan; de in het motormagazine van maart 2005 aangekondigde 'restyling' van het bedrijf (productie 9 conclusie van antwoord in reconventie) is kennelijk niet uitgevoerd;

i) bij gelegenheid van deze comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] voorts gesteld dat afspraken zijn gemaakt omtrent de terugkoop door Agusta van aan hem geleverde motorfietsen; Agusta heeft bij die gelegenheid bevestigd dat zij het voorstel had gedaan om motorfietsen welke na 1 mei 2005 zijn afgeleverd terug te nemen (alsook vastgelegd bij schrijven van 11 januari 2006, productie 7 inleidende dagvaarding in eerste aanleg);

j) [appellant] behield het recht de na verkoop nog aanwezige voorraad te verkopen;

k) in haar opzeggingsbrief van 17 oktober 2005 heeft Agusta aangegeven dat [appellant] ook na de einddatum van het dealerschap de mogelijkheid behield om onderdelen en accessoires bij Agusta te kopen en garantie te claimen voor zolang de garantie van de bij haar ingekochte motoren zou lopen (productie 5 inleidende dagvaarding).

9. Gelet op de duur van de tussen partijen bestaande handelsrelatie alsmede gelet op het feit dat deze op generlei wijze exclusief was en [appellant] voor zijn inkomsten ook feitelijk niet uitsluitend afhankelijk was van de (weder)verkoop van de producten van Agusta, acht het hof de (uiteindelijk) door Agusta in acht genomen opzegtermijn redelijk. Voorts is het hof van oordeel dat deze omstandigheden maken dat Agusta gerechtigd was de overeenkomst om haar moverende redenen op te zeggen, met dien verstande dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de gegeven redenen niet onjuist of irrelevant mogen zijn. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. Agusta heeft in haar opzeggingsbrief als redenen gegeven: de omstandigheid dat de positionering, presentatie, uitstraling en filosofie van Agusta niet past in de (nieuwe) bedrijfsfilosofie van [appellant] en de tegenvallende verkoopresultaten. Deze omstandigheden, die [appellant] op zichzelf niet heeft weersproken, maken dat geen sprake is van onjuiste of irrelevante redenen. Het enkele feit dat - naar althans [appellant] stelt - het aanstellen van meerdere dealers in de regio mogelijk mede oorzaak is geweest van de tegenvallende verkoopresultaten, kan daar niet aan afdoen.

10. Vervolgens ligt voor de vraag of de eisen van de redelijkheid en billijkheid gelet op de omstandigheden van het geval meebrengen dat Agusta gehouden is [appellant] geheel of ten dele de schade te vergoeden die deze door de opzegging lijdt.

In dit verband is allereerst van belang dat, naar [appellant] zelf stelt, hij niet de door Agusta gewenste 'extra' investeringen heeft gepleegd, [appellant] de onderneming voerde voor eigen rekening en risico en hij voor zijn inkomsten niet uitsluitend afhankelijk was van de (weder)verkoop van de producten van Agusta. Anders dan [appellant] meent, is in een situatie als deze voor een vergoeding van de tijdens het bestaan van de handelsrelatie gepleegde (voor een onderneming als de onderhavige) gebruikelijke investeringen, zoals het adverteren, het inkopen van onderdelen en het bezoeken van vakbeurzen en dergelijke, geen plaats. De eisen van de redelijkheid en billijkheid nopen, mede gelet op de in r.o. 8 onder a) t/m k) genoemde omstandigheden, evenmin tot het betalen van een vergoeding voor opgebouwde goodwill.

Het hof begrijpt uit de bij grief IV gegeven toelichting in samenhang gelezen met het door [appellant] gestelde bij gelegenheid van de comparitie na aanbrengen en zijn brief d.d. 3 december 2005 (productie 6 inleidende dagvaarding in eerste aanleg) dat [appellant] daarnaast meent schade te hebben geleden doordat hij met de verouderde voorraad is blijven zitten. Het hof stelt voorop dat voor zover op het moment van beëindiging sprake is geweest van een meer dan gebruikelijke en daardoor ook verouderde voorraad, dit behoort tot het ondernemersrisico van [appellant]. Voor zover de voorraad de gebruikelijke omvang niet te boven ging, moet [appellant] in beginsel geacht worden in de gelegenheid te zijn geweest deze voorraad in de loop van de in acht genomen redelijke opzegtermijn te verkopen. Bovendien bleef [appellant] ook na het einde van de relatie nog gerechtigd de voorraad te verkopen. Voor zover [appellant] bij de verkoop daarvan nadelige gevolgen heeft ondervonden van het vroegtijdig bekend worden van de beëindiging van het dealerschap - zoals door hem is gesteld in voornoemde brief van 3 december 2005 en door Agusta niet is weersproken - en Agusta om die reden gehouden was tot het terugnemen van althans een deel van de voorraad, heeft Agusta aan deze verplichting voldaan door het hiervoor onder 8 sub i) weergegeven - onvoorwaardelijke - aanbod tot terugkoop van motorfietsen (en ongebruikte courante onderdelen) welke minder dan één jaar voor datum van beëindiging door haar waren geleverd, tegen de historische inkoopprijs (wat betreft de onderdelen met aftrek van een handling fee van 10%). Dat [appellant] dit aanbod ten tijde van de beëindiging van de relatie niet heeft willen accepteren en zijn schade op dit punt zodoende niet heeft beperkt, dient voor zijn rekening te blijven. Van Agusta kan niet worden verwacht dat zij een dergelijk aanbod jarenlang gestand doet, te minder nu artikelen als de onderhavige met het verstrijken van de tijd in waarde verminderen.

De conclusie moet zijn dat ook voor het vergoeden van schade verband houdende met het verouderd zijn van de voorraad geen plaats is.

11. De slotsom is dat het hof - evenals de rechtbank - van oordeel is dat de door [appellant] in conventie opgeworpen weren falen en zijn vordering in reconventie niet voor toewijzing vatbaar is. Het vonnis zal dan ook worden bekrachtigd. Daarbij past een veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 18 april 2007;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Agusta tot op heden begroot op € 865, - aan verschotten en € 2.316, - aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D. Kiers-Becking, T.H. Tanja-van den Broek en G.J. Heevel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 in aanwezigheid van de griffier.