Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2263

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00185
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was in het jaar 2004 deelraadslid van het stadsdeel [P] van de gemeente [Q]. Hij heeft voor de daarmee gemoeide werkzaamheden een bedrag, inclusief vergoedingen, ontvangen van € 14.445. In geschil is of voormeld bedrag van € 14.445 behoort tot belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning. Naar ’s Hofs oordeel is de door belanghebbende ontvangen vergoeding afkomstig uit een bron van inkomen en dient deze aan de belastingheffing te worden onderworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00185

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer van 26 januari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 maart 2009, nummer AWB 08/1498 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam, opgelegde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.905.

1.2. Tegelijk met de aanslag is aan belanghebbende bij beschikking een bedrag van € 681 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de aanslag gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 november 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3. Belanghebbende was in het jaar 2004 deelraadslid van het stadsdeel [P] van de gemeente [Q]. Hij heeft voor de daarmee gemoeide werkzaamheden een bedrag, inclusief vergoedingen, ontvangen van € 14.445.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of voormeld bedrag van € 14.445 behoort tot belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning, hetgeen de Inspecteur stelt, doch belanghebbende bestrijdt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen in hoger beroep

5.1. Het hoger beroep strekt - naar het Hof begrijpt - tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.460 en tot vernietiging van de rentebeschikking.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De vergoeding voor werkzaamheden en tegemoetkoming in de kosten voor leden van de raad of een deelraad is geregeld in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (Besluit van 22 maart 1994, Stb. 1994, 244 en nadien gewijzigd; hierna: het Besluit).

6.2. Artikel 2 van het Besluit (tekst 2004) luidt, voor zover van belang:

1. Aan een lid van de raad wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel I bij dit besluit.

2. (...)

3. Aan een lid van de raad wordt een onkostenvergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend tot de maximumbedragen, genoemd in tabel II bij dit besluit.

4. Ten aanzien van een lid van de raad van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt, gelden in afwijking van het tweede lid voor de vergoeding de maximumbedragen, genoemd in tabel III bij dit besluit.

5. (...)

6.3. De vergoeding die belanghebbende heeft ontvangen dient in de belastingheffing te worden betrokken indien sprake is van een bron van inkomen in fiscale zin. In het algemeen is sprake van een bron van inkomen als (i) de belastingplichtige het subjectieve oogmerk heeft om voordelen te verwerven, (ii) deze voordelen redelijkerwijze kunnen worden verwacht, en (iii) de belastingplichtige deelneemt aan het economische verkeer. Naar

's Hofs oordeel is de door belanghebbende ontvangen vergoeding afkomstig uit een bron van inkomen als vorenbedoeld en dient deze aan de belastingheffing te worden onderworpen.

6.4. De stelling van belanghebbende, kort gezegd erop neerkomend dat hij na belastingheffing bitter weinig overhoudt van de vergoeding, kan hem niet baten aangezien de belastingrechter, gelet op het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen, recht moet spreken volgens de wet en in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet mag beoordelen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt ten behoeve van het deelraadslidmaatschap, zodat het volledige bedrag van de vergoeding in de heffing dient te worden betrokken.

6.5. De rechtbank is naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden tot de oordelen omtrent de heffingsrente gekomen. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en H.J. van den Steenhoven, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 26 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.