Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2236

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00041
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of voor de eenheden product die - naar onbestreden vaststaat - bij vergissing zijn uitgeslagen in verpakkingen van tien liter, niettemin aanspraak bestaat op vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, Wa. Naar uit de feiten blijkt en belanghebbende in extenso aannemelijk heeft gemaakt, zijn evenwel de eenheden product zonder uitzondering overeenkomstig hun bestemming als reinigingsmiddel verbruikt en op generlei wijze voor menselijke consumptie aangewend. Daarmee staat vast dat het product is verbruikt op een wijze die volkomen overeenstemt met de in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, Wa besloten doelstelling van de wetgever dat overige alcoholhoudende producten die niet voor menselijke consumptie zijn aangewend buiten de accijnsheffing blijven, waaruit volgt dat de eenheden product de accijnsvrijstelling deelachtig behoren te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00041

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 8 januari 2010

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] BV te [Z] (rechtsopvolger van [Y] BV) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 december 2008, nummer AWB 07/7351 ACC, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 met dagtekening 25 juli 2007 een naheffingsaanslag in de accijns opgelegd ten bedrage van € 18.193,05, alsmede bij beschikking een verzuimboete van 10 percent van dat bedrag.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane Zuid, bij in een geschrift, gedagtekend 24 september 2007, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot op € 14.069,08 en de boete verminderd tot op € 1.407.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de boete en voor het overige ongegrond, de uitspraak op bezwaar betreffende de boete en de boetebeschikking vernietigd, en de Staat gelast het betaalde griffierecht van € 285 aan belanghebbende te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 433. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 november 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

3. Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende handelt in internationaal verband in organische en anorganische vloeibare- en vaste stoffen voor laboratoria en voor de farmaceutische-, voedingsmiddelen-, chemische- en algemene industrie.

3.2. Op 8 maart 2007 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften in de heffing van accijns in de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 en de naleving van de voorschriften in de aan belanghebbende verleende vergunning voor opslag van goederen in haar accijnsgoederenplaats.

3.3. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is vastgesteld dat in 2005 en 2006 enkele partijen van het accijnsgoed ethanol 96% gedenatureerd met 5% methanol, vermengd met 5% methylalcohol, GN-code 2207.2000.90, bestemd als reinigingsmiddel (hierna: het product) uit de accijnsgoederenplaats van belanghebbende in plaats van in verpakkingen van vijf liter zijn uitgeslagen in verpakkingen van tien liter met aanspraak op vrijstelling van accijns, terwijl de afnemers niet in het bezit waren van een vrijstellingsvergunning. Deze bevindingen zijn neergelegd in het controlerapport van 25 juni 2007.

3.4. Op basis van deze bevindingen heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

3.5. Het product is niet vermengd met ten minste 1 volumepercent lichte olie of gasolie dan wel 0,1 volumepercent ethyl tertiair butyl ether of op een wijze die is vastgesteld in overeenstemming met hetgeen de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane West voorstaat bij de toepassing van artikel 25 en bijlage A.2, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling accijns (hierna: UR accijns). Belanghebbende maakt gebruik van goedkeurend beleid van de staatssecretaris van Financiën, vervat in het Handboek accijns, onderdeel 10.40.00 "Accijns op overige alcoholhoudende producten", hoofdstuk 5, waarbij het product in verpakkingen van vijf liter met vrijstelling van accijns uit haar accijnsgoederenplaats kan worden uitgeslagen.

3.6. Ten behoeve van haar logistieke processen heeft belanghebbende kort voor de onderzoeksperiode een specifiek geautomatiseerd beheerssysteem geïmplementeerd om goederenstromen structureel beter te kunnen volgen en te verantwoorden, gevolgd door de geautomatiseerde periodieke aangifte. Als gevolg van een tekort op enig moment aan voorraad verpakkingen van vijf liter in het productieproces heeft het systeem eenheden product uitgeslagen in verpakkingen van tien liter aan afnemers zonder vrijstellingsvergunning in plaats van in verpakkingen van vijf liter (hierna: de eenheden product).

3.7. Geen van de eenheden product is aangewend voor menselijke consumptie. Alle producten zijn daarentegen verbruikt als reinigingsmiddel overeenkomstig productiedoel en bestemming.

3.8. Terstond na ontdekking van deze omissie heeft belanghebbende maatregelen getroffen waarmee de productie met de verpakkingen van vijf liter onder alle omstandigheden is geborgd. Sedertdien betrekken de afnemers van belanghebbende de eenheden product uitsluitend in verpakkingen van vijf liter.

3.9. Belanghebbende neemt als grote chemische onderneming op voordracht van de Belastingdienst Douane Rotterdam als "pilot" deel aan het project horizontaal toezicht.

4. Omschrijving geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In geschil is of voor de eenheden product die - naar onbestreden vaststaat - bij vergissing zijn uitgeslagen in verpakkingen van tien liter, niettemin aanspraak bestaat op vrijstelling van accijns als bedoeld in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de accijns (hierna: Wa).

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die zij daartoe in de van hen afkomstige stukken en ter zitting hebben aangevoerd.

4.3. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Het product behoort tot de categorie overige alcoholhoudende producten zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel d, Wa in verbinding met artikel 12, eerste lid, onderdeel a, Wa. Onder de voorwaarde dat het product is vermengd met de aangewezen stoffen in de aangewezen hoeveelheden zoals bedoeld in artikel 25 en bijlage A.2, onderdeel c, UR accijns, geldt op grond van artikel 64, eerste lid, onderdeel b, Wa voor de uitslag ervan vrijstelling van accijns, mits het product kennelijk niet is bestemd voor inwendig gebruik door de mens.

5.2. Volgens de parlementaire geschiedenis van artikel 64 Wa, waarvan onderdeel b van het eerste lid een vrijstelling inhoudt voor overige alcoholhoudende producten die kennelijk niet zijn bestemd voor inwendig gebruik door de mens, betreffen de vrijstellingen van artikel 64 Wa uitsluitend gevallen waarin uit het product zelf blijkt dat het in aanmerking komt voor een vrijstelling. Dit kan onder meer blijken uit de verpakking of uit het feit dat het product ongeschikt is gemaakt voor menselijke consumptie (MvT, Kamerstukken II 1989-1990, 21 368, nr. 3, blz. 35 en 57-58).

5.3. Kenmerkend voor het product is dat uit het product zelf blijkt dat het in aanmerking komt voor een vrijstelling door de bestemming als reinigingsmiddel, de verpakking, de geur en de kleur en door de vermenging met 5% houtgeest (ruwe, onzuivere methylalcohol) waarmee het product volledig is gedenatureerd en daardoor ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie.

5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de in bijlage A.2, onderdeel c, UR accijns voorgeschreven vermenging niet heeft toegepast. Daardoor moet in beginsel ook de accijnsvrijstelling toepassing missen. Naar uit de feiten blijkt en belanghebbende in extenso aannemelijk heeft gemaakt, zijn evenwel de eenheden product zonder uitzondering overeenkomstig hun bestemming als reinigingsmiddel verbruikt en op generlei wijze voor menselijke consumptie aangewend. Daarmee staat vast dat het product is verbruikt op een wijze die volkomen overeenstemt met de in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, Wa besloten doelstelling van de wetgever dat overige alcoholhoudende producten die niet voor menselijke consumptie zijn aangewend buiten de accijnsheffing blijven, waaruit volgt dat de eenheden product de accijnsvrijstelling deelachtig behoren te zijn.

5.5. Tot deze conclusie leidt ook de omstandigheid dat noch uit de tekst noch uit de parlementaire geschiedenis van artikel 64 Wa volgt, dat bij vorengenoemde beleidsregel een zo vergaande beperkende bevoegdheid kan zijn toegestaan dat de verpakkingsnorm voor het product is beperkt tot vijf liter, nu de Inspecteur na betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het bestanddeel ethanol in het product vermengd met 5% houtgeest in verpakkingen van tien liter wel en in verpakkingen van vijf liter niet op lonende wijze uit het product is af te scheiden, welke beperking in casu dan ook verbindende kracht moet missen.

5.6. Nu de accijnsvrijstelling van toepassing is, kan buiten beschouwing blijven dat belanghebbende een bedrijfsbeleid voert dat getuigt van goed ondernemerschap waarmee wordt beoogd strikt te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen, dat belanghebbende nimmer de intentie heeft gehad het product in de tienliterverpakkingen aan het douanetoezicht te onttrekken of met het gebruik van die verpakkingen ook maar enig voordeel te behalen en een dergelijk voordeel ook niet is behaald, dat bij belanghebbende de voorbije 25 jaar geen enkele fiscale kwestie behalve de onderhavige heeft gespeeld en dat belanghebbende op voordracht van de Belastingdienst Douane Rotterdam is aangezocht om als "pilot" deel te nemen in een van de implementatieprojecten voor horizontaal toezicht. Het standpunt van de Inspecteur dat die omstandigheden niet nopen tot het achterwege laten van een naheffingsaanslag in dit specifieke geval behoeft derhalve geen behandeling.

5.7. De slotsom is dat het hoger beroep slaagt en dat bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de boete en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de naheffingsaanslag;

- vernietigt de naheffingsaanslag; en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 433 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 8 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.