Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2094

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
200.048.809
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing: nu de kinderen weer bij de moeder zijn en er geen noodzaak tot uhp (meer) bestaat, dient de machtiging te worden opgeheven. De noodzaak tot verder onderzoek rechtvaardigt niet de instandlating daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 januari 2010

Zaaknummer : 200.048.809

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 09-260

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. E.E. Nauta-Rijsdijk te Rotterdam,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoorhoudende te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de vader.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

kantoorhoudende te Rotterdam,

hierna: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 13 november 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 september 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 17 december 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 19 november 2009 en 22 december 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 december 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en namens Jeugdzorg: mevrouw M.C. Kensenhuis (teammanager) en mevrouw L.M. van der Laar (gezinsvoogd). De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Ook de raad was ter terechtzitting niet vertegenwoordigd. De aanwezigen hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarigen hebben geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling hun mening ten aanzien van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kenbaar te maken. De advocaat van de moeder heeft, desgevraagd, ter terechtzitting een fax van Jeugdzorg d.d. 3 september 2009 overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling van na te noemen minderjarigen verlengd tot 29 januari 2010. Voorts is met ingang van 29 september 2009 en tot 29 januari 2010 een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarigen in een crisisopvang, gevolgd door plaatsing van de minderjarigen in een leefgroep (residentieel). Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen is beëindigd. Zij verblijven wederom bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [A.], geboren [op geboortedatum in] 1993 te [geboorteplaats] en [B.], geboren [op geboortedatum in] 1996 te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarigen. De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarigen alsnog af te wijzen.

3. Jeugdzorg heeft het beroep van de moeder gemotiveerd betwist.

4. De moeder stelt dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen weliswaar na twee weken weer is beëindigd, maar dat zij niet in de bestreden beschikking wenst te berusten nu Jeugdzorg de mogelijkheid behoudt om op een later tijdstip opnieuw tot uithuisplaatsing over te gaan. De door Jeugdzorg aangevoerde feiten zijn niet dusdanig ernstig dat een uithuisplaatsing dan wel ondertoezichtstelling noodzakelijk is, aldus de moeder. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat zij altijd open heeft gestaan voor hulpverlening, maar dat zij thans verder wil met haar leven. De slaapkamers van de minderjarigen zijn inmiddels op orde, de minderjarigen hebben vrienden op school en zijn actief in hun vrije tijd. Volgens de moeder is een persoonlijkheidsonderzoek dan ook onnodig.

5. Jeugdzorg verklaart dat de minderjarigen weer zijn thuis geplaatst omdat de moeder veranderingen had aangebracht in de woonsituatie, die voordien onverantwoord was. Op dit moment is er ook geen noodzaak tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Een ondertoezichtstelling acht Jeugdzorg, gelet op de zorgelijke sociale ontwikkeling van de minderjarigen en het beperkte zicht op hun opvoedingssituatie, wel noodzakelijk evenals een persoonlijkheidsonderzoek van zowel de minderjarigen als de moeder. Volgens Jeugdzorg moeten de minderjarigen en de moeder toestemming geven voor dit onderzoek, hetgeen tot op heden niet is gebeurd.

Ondertoezichtstelling

6. Het hof overweegt dat een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts mag worden verlengd indien de wettelijke gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de minderjarigen thans zodanig opgroeien, dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat er sprake is van een geïsoleerde gezinssituatie waardoor het zicht op de huidige opvoedingssituatie van de minderjarigen ontbreekt. Gelet op de gesignaleerde zorgen met betrekking tot de voormalige opvoedingssituatie van de minderjarige, de zorgelijke (sociale) ontwikkeling van de minderjarigen en het feit dat de moeder zich niet open stelt voor hulpverlening acht het hof een ondertoezichtstelling van de minderjarigen noodzakelijk. Medebepalend daarbij is dat Jeugdzorg voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het in het belang van de minderjarigen is dat er zowel bij de minderjarigen als bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Uithuisplaatsing

7. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261 lid 1 BW mag slechts worden verleend indien de wettelijke gronden daarvoor aanwezig zijn. Het hof zal derhalve dienen te onderzoeken of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof is gebleken dat de uithuisplaatsing van de minderjarigen inmiddels is beëindigd en dat zij weer bij de moeder verblijven. Jeugdzorg heeft ter terechtzitting verklaard dat er op dit moment ook geen noodzaak bestaat de minderjarigen uit huis te plaatsen. Nu de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen thans niet (meer) wordt gebruikt voor het doel waarvoor deze is verleend, is het hof van oordeel dat deze machtiging met ingang van heden dient te worden opgeheven.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing;

bepaalt dat de machtiging tot uithuisplaatsing heden eindigt;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, De Haan-Boerdijk en Punselie, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2010.