Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1875

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00167
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN9678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met hetgeen de Inspecteur aan feiten en omstandigheden heeft aangedragen heeft hij aannemelijk gemaakt dat de aangifte welke belanghebbende heeft gedaan niet in overeenstemming is met het daadwerkelijk door hem genoten loon respectievelijk inkomen. De juistheid van de aanslag is derhalve aannemelijk gemaakt. Tot een verdergaande motivering is de Inspecteur niet gehouden. Het Hof komt tot het oordeel dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat hier sprake is van loon uit (vroegere) dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00167

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 8 januari 2010

op het hoger beroep van [belanghebbende[ te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 februari 2009, nummer AWB 07/7712 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/[P] (hierna: de Inspecteur) heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005 opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij de in de aanhef vermelde uitspraak ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

30 november 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft in het jaar 2005 een uitkering van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) van € 30.686 ontvangen. Daarnaast heeft hij over het tijdvak van 1 september 2005 tot en met 31 december 2005 een uitkering van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (hierna: Ministerie) van € 2.520 ontvangen.

3.2. Belanghebbende heeft als vrijwilliger medewerking verleend aan medische proeven.

3.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen geen aangifte gedaan van enig belastbaar inkomen uit werk en woning. In de aangifte is uitsluitend de op de uitkering van het UWV ingehouden loonbelasting ten bedrage van € 9.267 vermeld.

3.4. Bij de aanslagregeling zijn de loongegevens gecorrigeerd. Het voornemen daartoe is bij brief van 30 juli 2007 aan belanghebbende meegedeeld. In die brief zijn de voorgenomen correcties niet nader aangeduid; ook de bedragen van de correcties zijn niet vermeld.

3.5. Bij de definitieve aanslag, met dagtekening 15 augustus 2007, is het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 33.206.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt primair verdeeld het antwoord op de vraag of de door belanghebbende van het Ministerie ontvangen uitkering van € 2.520 tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2005 behoort. Subsidiair is in geschil of de ontvangen vergoedingen van € 25 en € 150 tot het belastbare inkomen uit werk en woning dienen te worden gerekend. Belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2. Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - ter staving van zijn standpunt aangevoerd dat de Inspecteur steeds in strijd heeft gehandeld met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht door niet aan te geven waarom van de aangifte is afgeweken. Voorts heeft het Ministerie de uitkering van € 2.520 als niet vallend onder pensioen, AOW, WW of een andere uitkering aangemerkt. De betaling van het bedrag is een gevolg van het ontslag in het jaar 2002 en komt voort uit een bezwaarprocedure. Het Ministerie heeft dan ook terecht inhouding van loonheffing achterwege gelaten. Het subsidiaire standpunt van de Inspecteur inzake de belastbaarheid van de ontvangen betalingen als vrijwilliger bij het ondergaan van medische proeven is onterecht. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat tot een bedrag van € 3.000 een vrijstelling bestaat.

4.3. De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende en voert primair - eveneens zakelijk weergegeven - het volgende aan. Van schending van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. Belanghebbende is, voor zover de Inspecteur kan nagaan, in het verleden als ambtenaar bij het Ministerie werkzaam geweest. Uit door het Ministerie aan de Inspecteur verstrekte gegevens blijkt dat het Ministerie de verschuldigde loonheffing over het bedrag van € 2.520 heeft bepaald aan de hand van de groene tabel rekening houdend met de loonheffingskorting 1. De uitkering is derhalve door het Ministerie aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De in te houden loonheffing bedroeg nihil. Subsidiair stelt de Inspecteur dat de ontvangen betalingen voor het als vrijwilliger medewerking verlenen aan medische proeven ten onrechte niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning zijn gerekend. De Inspecteur beroept zich op interne compensatie.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.686, met handhaving van de overige elementen en tot vergoeding van het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil in hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover van belang - waarbij onder verweerder dient te worden verstaan: de Inspecteur, en onder eiser: belanghebbende, het volgende overwogen:

"2.8 Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting (. . .).

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) is loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

2.9 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de door eiser in 2005 ontvangen uitkering van € 2.520 tot het belastbare inkomen uit werk en woning van dat jaar behoort.

2.10 Het andersluidende standpunt van eiser berust op een onjuiste rechtsopvatting.

2.11 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

2.12 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

6.2. Met hetgeen de Inspecteur aan feiten en omstandigheden heeft aangedragen heeft hij aannemelijk gemaakt dat de aangifte welke belanghebbende heeft gedaan niet in overeenstemming is met het daadwerkelijk door hem genoten loon respectievelijk inkomen. De juistheid van de aanslag is derhalve aannemelijk gemaakt. Tot een verdergaande motivering is de Inspecteur niet gehouden. Voorts heeft de Inspecteur met juistheid verwezen naar het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. In zoverre faalt het hoger beroep.

6.3. Belanghebbende heeft een bedrag van € 2.520 ontvangen van zijn voormalig werkgever. Deze heeft op de betaling de zogenoemde groene tabel toegepast. Daaruit leidt het Hof af dat de werkgever een eerste beoordeling heeft gedaan inzake de vraag of het voormelde bedrag als loon uit (vroegere) dienstbetrekking kwalificeert en deze vraag bevestigend heeft beantwoord. De Inspecteur heeft in redelijkheid op deze kwalificatie mogen afgaan, mede gelet op het ontbreken van feiten en omstandigheden welke tot een contra-indicatie leiden. Belanghebbende heeft daar, ondanks daartoe door het Hof te zijn uitgenodigd, geen, dan wel volstrekt onvoldoende feiten tegenover gesteld. Belanghebbende beschikt naar eigen zeggen niet meer over bescheiden. Ook kon hij geen inzicht geven in de opbouw van het bedrag van € 2.520 en op welke kostenposten respectievelijk geleden schade de voormelde betaling betrekking heeft. Dit hoewel hij naar 's Hofs oordeel de meest gerede partij is. Het Hof komt derhalve tot het oordeel dat de Inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat hier sprake is van loon uit (vroegere) dienstbetrekking.

6.4. Het subsidiaire geschilpunt behoeft geen behandeling nu toepassing van interne compensatie niet kan leiden tot een hogere aanslag.

6.5. Gelet op het hiervoor overwogene dient te worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, B. van Walderveen en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 8 januari 2010 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de voorzitter en mr. B. van Walderveen is de uitspraak door mr. W.M.G. Visser ondertekend.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.