Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1872

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00519
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat op de Inspecteur de last rust feiten en omstandigheden te stellen en – bij betwisting door belanghebbende – aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat een direct verband bestaat tussen de vergoeding van € 45.000 en (het beëindigen van) de dienstbetrekking en dat daarmee sprake is van loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964. Het ligt op de weg van belanghebbende zodanige feiten en omstandigheden te stellen en – bij betwisting daarvan – aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat het volledige bedrag dan wel een deel buiten het loonbegrip valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00519

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 8 januari 2010

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/[P] (kantoor [Q]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 29 oktober 2008, nummer AWB 08/3120, betreffende de hierna vermelde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.643 (aanslagnummer [xxxx.xx.xxx.x.xx).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 17 september 2007 het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.3. Het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar heeft de rechtbank bij de in de aanhef vermelde uitspraak ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 18 november 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is gehuwd en heeft kinderen. Vanaf 1 mei 1978 was belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [A] B.V. (hierna: de werkgever).

3.2. De kantonrechter te Middelburg heeft op verzoek van belanghebbende bij beschikking van 19 februari 2003 de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de werkgever ontbonden per 2 mei 2003. Daarbij is aan belanghebbende een vergoeding ten laste van de werkgever toegekend van € 45.000 bruto (hierna te noemen: de ontslagvergoeding).

3.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2003 een aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.467. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om toepassing van de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting. In de aangifte is geen rekening gehouden met de ontvangen ontslagvergoeding.

3.4. Bij de vaststelling van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de door belanghebbende ingediende aangifte. De Inspecteur heeft de ontslagvergoeding als loon uit dienstbetrekking aangemerkt en de toepassing van de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting geweigerd. Daarnaast heeft de Inspecteur de ophogingsfactor en de drempel voor de buitengewone uitgaven gecorrigeerd waardoor een kleiner bedrag aan buitengewone uitgaven in aanmerking is genomen.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen:

- moet de door belanghebbende ontvangen ontslagvergoeding geheel of ten dele als loon uit dienstbetrekking worden aangemerkt;

- heeft belanghebbende recht op een hogere aftrek van buitengewone uitgaven;

- heeft de Inspecteur de toepassing van de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting terecht geweigerd;

- heef belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten gemaakt bij de rechtbank en het Hof, alsmede op een schadevergoeding ter zake van geleden immateriële schade.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot een vermindering van de aanslag overeenkomstig de gedane aangifte.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover thans nog van belang - het volgende overwogen:

"Ten aanzien van de ontslagvergoeding

2.6.1. Ingevolge artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) wordt, voor zover hier van belang, onder loon verstaan: loon overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelasting. Artikel 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB 1964) bepaalt dat loon is, al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.

2.6.2. Voor het antwoord op de vraag of de ontslagvergoeding als loon uit dienstbetrekking aangemerkt moet worden is derhalve beslissend of de ontslagvergoeding een zodanig verband met de dienstbetrekking houdt dat zij als uit die dienstbetrekking genoten kan worden aangemerkt.

2.6.3. Uit de beschikking van de Kantonrechter te Middelburg blijkt dat de ontslagvergoeding zijn oorzaak vindt in de omstandigheid dat niet langer het vertrouwen bestaat dat de arbeidsovereenkomst op zinvolle wijze kan worden voortgezet. Daarnaast blijkt uit de beschikking dat de hoogte van de ontslagvergoeding gerelateerd is aan de lengte van het dienstverband en de door de werkgever doorgevoerde reorganisatie. Naar het oordeel van de rechtbank is er derhalve een direct verband tussen de door belanghebbende ontvangen ontslagvergoeding en zijn (vroegere) dienstverband, zodat de inspecteur de ontslagvergoeding terecht volledig als loon uit dienstbetrekking heeft aangemerkt.

2.6.4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de ontslagvergoeding (voor een gedeelte) uit een onbelaste immateriële schadevergoeding en een kostenvergoeding bestaat. Een redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat belanghebbende het door hem gestelde en door de inspecteur betwiste aannemelijk maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. In rechtsoverweging 14 van de beschikking van de Kantonrechter, overweegt deze uitdrukkelijk dat voor het toekennen van een vergoeding wegens smartegeld geen grond aanwezig is. Verder is uit de beschikking van de kantonrechter noch uit andere stukken of op andere wijze aannemelijk geworden dat (een gedeelte van) de ontslagvergoeding ziet op een kostenvergoeding. Bij de vaststelling van de ontslagvergoeding is ook geen uitsplitsing gemaakt van dergelijke kosten, en in rechtsoverweging 15 van de beschikking van de beschikking van de kantonrechter oordeelt deze dat in de omstandigheden van het geval aanleiding wordt gevonden om de proceskosten van partijen te compenseren.

2.6.5. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de door hem gemaakte kosten voor het verrichten van thuiswerk en de door hem gemaakte proceskosten op de ontslagvergoeding in mindering moeten worden gebracht. Anders dan onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bestaat onder de Wet IB 2001 niet langer meer de mogelijkheid tot aftrek van kosten gemaakt ter verwerving, inning of behoud van inkomsten (zie Hoge Raad 10 augustus 2007, nr. 41 000, onder meer gepubliceerd in BNB 2008/88).

2.6.6. Voor zover belanghebbende met zijn stelling dat een middenstander ook enkel over de winst belasting hoeft te betalen een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft bedoeld te doen, wordt dit beroep door de rechtbank verworpen. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan pas aan de orde komen als sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De situatie van een werknemer en een ondernemer verschillen zowel feitelijk als rechtens zodanig van elkaar dat geen sprake is van gelijke gevallen in bovenstaande zin (zie Hoge Raad 24 september 1997, nr. 32 144, onder meer gepubliceerd in BNB 1997/400).

Ten aanzien van de buitengewone uitgaven

2.7.1. Op grond van het bovenstaande bedraagt het verzamelinkomen van belanghebbende € 73.511. Niet in geschil is dat het verzamelinkomen van de partner van belanghebbende

€ 7.767 bedraagt. Tevens is niet in geschil dat de totale door belanghebbende en zijn partner gedane buitengewone uitgaven € 6.443 bedragen.

2.7.2. Ingevolge artikel 6.24, eerste lid, letter c, juncto artikel 6.24, derde lid, van de Wet IB 2001 worden, indien het verzamelinkomen van belanghebbende en zijn partner € 51.750 te boven gaat, de buitengewone uitgaven in aanmerking genomen voor zover zij meer bedragen dan € 5.796. Het in aanmerking te nemen bedrag bedraagt derhalve € 647. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor een verhoging van de buitengewone uitgaven op grond van artikel 6.24, tweede lid, van de Wet IB 2001, nu het verzamelinkomen van belanghebbende en zijn partner meer dan € 28.850 bedraagt.

2.7.3. De inspecteur heeft de buitengewone uitgaven tot een bedrag van € 3.868 in aanmerking genomen. Gelet op het vorenoverwogene zijn de buitengewone uitgaven niet tot een te laag bedrag in aanmerking genomen.

2.7.4. De overige stellingen van belanghebbende met betrekking tot de buitengewone uitgaven behoeven geen behandeling, nu deze niet tot een verhoging van het in aanmerking te nemen bedrag kunnen leiden.

Ten aanzien van de kinderkorting en de aanvullende kinderkorting

2.8. In de artikel 8.12 van de Wet IB 2001, in welk artikel de kinderkorting is geregeld, wordt onder meer als voorwaarde gesteld voor de toekenning van deze korting dat het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan

€ 58.214. Gelet hierop heeft de inspecteur de toepassing van de kinderkorting en de kinderkorting terecht geweigerd. Nu belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van de kinderkorting, kan op grond van artikel 8.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, reeds daarom ook de aanvullende kinderkorting niet in aanmerking worden genomen.

Ten aanzien van de overige door belanghebbende aangevoerde grieven

2.9.1. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat hij in zijn belangen is geschaad omdat hem, door de eerdere vaststelling van de definitieve aanslag van zijn partner, de mogelijkheid van het verdelen van aftrekposten nadat er een aanslag is opgelegd is ontnomen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat belanghebbende het hoogste verzamelinkomen heeft en belanghebbende bovendien nog een beroep kan doen op de goedkeuring in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 31 juli 2007, CPP 2007/583M

2.9.2. De rechtbank volgt belanghebbende eveneens niet in zijn stelling dat de aangifte gevolgd moet worden omdat niet binnen een jaar nadat de aangifte is ingediend een aanslag is opgelegd. Onderhavige aanslag is opgelegd binnen de in artikel 11, derde lid, van de AWR genoemde termijn van drie jaren voor het vaststellen van een aanslag. Belanghebbende heeft geen rechtsregel genoemd noch is die de rechtbank ambtshalve bekend, op grond waarvan de inspecteur de aanslag eerder had moeten opleggen dan wel de aangifte eerder in behandeling had moeten nemen. De door belanghebbende genoemde rechtsregels zien op een andere situatie.

2.9.3. Voor zover belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft bedoeld te stellen dat de uitspraak op het bezwaarschrift niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd is en reeds daarom vernietigd dient te worden, kan hem dit niet baten. Volgens vaste jurisprudentie brengt de loop van de procedure in belastingzaken mee dat schending van het motiveringsbeginsel, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval al sprake zou zijn, alleen tot gevolg heeft dat de rechtbank, zo deze de uitspraak van de inspecteur bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen.

2.9.4. Belanghebbende beklaagt zich er voorts over dat de inspecteur de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar heeft overschreden. De rechtbank overweegt dat de inspecteur geen uitspraak heeft gedaan binnen de termijn van een jaar van artikel 25 van de AWR. Overschrijding van deze termijn leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak of de aanslag. Belanghebbende had, ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, in beroep kunnen komen zodra de inspecteur in gebreke was tijdig uitspraak te doen.

2.9.5 Ten slotte beklaagt belanghebbende zich erover dat de inspecteur de termijn voor het indienen van een verweerschrift heeft overschreden. De rechtbank merkt op dat aan de inspecteur uitstel is verleend voor het indienen van een verweerschrift tot 30 januari 2008 en dat het verweerschrift binnen deze termijn is ingediend.

2.10. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard." (einde citaat)

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven. Ter aanvulling merkt het Hof het volgende op.

6.3. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd inzake het overschrijden van termijnen aan de zijde van de Inspecteur leidt niet tot de conclusie dat de aanslag moet worden vernietigd dan wel moet worden verminderd. Belanghebbendes andersluidende standpunt mist steun in het recht. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

6.4. Het Hof is van oordeel dat op de Inspecteur de last rust feiten en omstandigheden te stellen en - bij betwisting door belanghebbende - aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat een direct verband bestaat tussen de vergoeding van € 45.000 en (het beëindigen van) de dienstbetrekking en dat daarmee sprake is van loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Wet LB 1964. In deze bewijslast acht het Hof - in navolging van de rechtbank, de overwegingen waarvan het Hof tot de zijne maakt - de Inspecteur geslaagd. Alsdan ligt het op de weg van belanghebbende zodanige feiten en omstandigheden te stellen en - bij betwisting daarvan - aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat het volledige bedrag dan wel een deel buiten het loonbegrip valt. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende daarin niet is geslaagd. Het enkele feit dat het aanvankelijk bij de kantonrechter gevorderde bedrag ter zake van de ontbinding van de dienstbetrekking uit diverse componenten is samengesteld, heeft onvoldoende gewicht ten opzichte van de beslissing van de kantonrechter belanghebbende een brutobedrag, zonder nadere specificatie of het verstrekken van inzicht in de samenstelling daarvan, toe te kennen.

6.5. Belanghebbende heeft verzocht om aftrek van de kosten die hij heeft gemaakt ter zake van thuiswerken. Dienaangaande merkt het Hof op dat de kosten, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, in het jaar 1999 zijn gemaakt en, naar het Hof begrijpt, zijn betaald. Alsdan had belanghebbende in de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over dat jaar die kosten in beginsel in aftrek kunnen brengen. Daarbij dient een ontvangen of toegezegde vergoeding in mindering te worden gebracht. Het achterwege blijven van een beweerdelijk toegezegde kostenvergoeding van de zijde van de werkgever, doet daaraan niet af. Belanghebbende had dan langs de weg van het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, dan wel een verzoek om ambtshalve vermindering (artikel 65 AWR), alsnog aftrek van de gemaakte kosten kunnen verzoeken. Overigens merkt het Hof op dat voor de jaren 2001 en volgende kosten ter zake van inkomsten uit dienstbetrekking door de wetgever zijn geschrapt als aftrekpost. Ook in zoverre bestaat in het onderhavige jaar geen recht op aftrek.

6.6. De overige geschilpunten welke partijen verdeeld houden zijn een rechtstreeks gevolg van het tot het belastbare inkomen uit werk en woning rekenen van het voormelde bedrag ad € 45.000. Het Hof acht belanghebbende niet geslaagd in het aandragen van feiten en omstandigheden die de conclusie dragen dat de Inspecteur daarbij van een onjuiste wetstoepassing is uitgegaan. Ook is het Hof niet van cijfermatige onvolkomenheden gebleken. Voorts is het Hof niet gebleken van enige schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of enig andere in het geschreven dan wel ongeschreven (inter)nationale recht gefundeerd rechtsbeginsel.

6.7. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en schadevergoeding

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld. Van een bijzondere omstandigheid welke tot een doorbreking van de voormelde hoofdregel zou moeten leiden is het Hof niet gebleken. Evenmin acht het Hof termen aanwezig tot het toekennen van een schadevergoeding ter zake van immateriële schade, voortvloeiend uit het geschil met de Inspecteur, in het bijzonder de lange duur daarvan, over te gaan.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.T. Sanders en U.E. Tromp, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 8 januari 2010 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.