Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1773

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
200.026.674-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden; vergoedingsplicht; natuurlijke verbintenis; ongerechtvaardigde verrijking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 januari 2010

Zaaknummer : 200.026.674.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-2095

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.H.C. Morshuis te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.N.M. de Gier te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 november 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage en, naar het hof begrijpt, van de tussenbeschikkingen van 27 november 2006 en 20 juni 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 1 september 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 16 november 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 3 maart 2009, 15 april 2009 en 10 november 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 11 november 2009, 12 november 2009 en 25 november 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 27 november 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikkingen van 27 november 2006 en 20 juni 2008 en de beschikking van 24 november 2008.

Bij de tussenbeschikking van 27 november 2006 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de behandeling van de verzoeken met betrekking tot de verdeling van de echtelijke woning en de vergoedingsrechten aangehouden tot 15 mei 2007 pro forma opdat partijen stukken in het geding kunnen brengen en overleg met elkaar kunnen voeren.

Bij de tussenbeschikking van 20 juni 2008 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de definitieve beslissing op de verzoeken inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de echtelijke woning aangehouden tot 15 oktober 2008 pro forma, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het op te maken taxatierapport van de echtelijke woning uiterlijk twee weken voor die datum in het geding te brengen.

Bij de beschikking van 24 november 2008 heeft de rechtbank de echtelijke woning te [X], aan de vrouw toebedeeld, bepaald dat de man zijn onverdeelde helft in de eigendom van de woning aan de vrouw dient over te dragen, waarbij de man alle handelingen dient te verrichten die voor de overdracht aan de vrouw nodig zijn en bepaald dat de man in het kader van zijn vergoedingsplicht op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden een resterend bedrag ad € 21.840,- aan de vrouw dient te voldoen, alsmede bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de vergoedingsplicht van de man, dan wel het vergoedingsrecht van de vrouw, in het kader van artikel 3 van de door partijen opgestelde huwelijkse voorwaarden.

2. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 24 november 2008 te vernietigen en opnieuw beschikkende:

I. De echtelijke woning te [X] aan de vrouw toe te delen tegen de getaxeerde waarde van € 1.585.000,- onder gehoudenheid van de vrouw en met veroordeling van de vrouw aan de man ten tijde van de notariële levering van genoemde woning te voldoen de waarde van zijn aandeel € 792.500,- in de echtelijke woning;

II. De vrouw te veroordelen in het kader van haar vergoedingsplicht op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden aan de man te voldoen een bedrag van € 60.477,- één en ander voor zover en indien het hof van oordeel is dat de vrouw recht heeft op vergoeding van een bedrag dat is ont¬trokken aan haar vermogen ten gunste van de onderneming van de man;

III. De vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 207.510,-, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de recreatiewoning te [Y];

IV. De vrouw te veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 17.500,- uit hoofde van overbedeling met betrekking tot de waarde van de inboedel zoals beschreven onder de punten 42 en 43 van het appèlrekest;

V. De vrouw te veroordelen aan de man te voldoen het bedrag van € 7.801,- zoals beschreven onder punt 47 van het appèlrekest;

VI. De vrouw te veroordelen aan de man te voldoen het bedrag van € 23.000,- zoals omschreven in punt 48 van het appèlrekest althans een dusdanig bedrag als het hof in goede justitie zal vermenen te bepalen;

VII. De vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

2. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof de verzoeken van de man af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de toedeling van de woning [X] aan de vrouw en de aan haar toekomende vergoeding en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- De man te veroordelen te overleggen alle financiële stukken van de eenmanszaak [Z] over de periode 1995 t/m 2005, alsmede alle aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting van de man over diezelfde periode;

- De verdeling van de woning te [X] te gelasten door toedeling daarvan aan de vrouw;

- De man te veroordelen alle (rechts)handelingen te verrichten die nodig zijn voor levering van de woning te [X] aan de vrouw en te bepalen dat de te dezen te geven beschikking in de plaats zal treden van de toestemming van de man indien hij weigert mee te werken aan deze levering;

- De man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag ad € 574.346,01, althans van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, uit hoofde van de afwikkeling van (artikel 3 van) de huwelijkse voorwaarden;

- De beschikking d.d. 24 november 2008 van de rechtbank 's-Gravenhage alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

- De verzoeken in incidenteel appel uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3. De man bestrijdt het incidenteel appel van de vrouw en verzoekt het hof de verzoeken van de vrouw ongegrond te verklaren, althans deze af te wijzen en de verzoeken van de man in principaal appel toe te wijzen.

4. Het hof zal de door de man en de vrouw aangevoerde grieven in het principaal en incidenteel appel zoveel mogelijk in onderling verband behandelen.

Natuurlijke verbintenis

5. De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, die een afwijking van de huwelijkse voorwaarden rechtvaardigt. De man voert daartoe, onder meer, het volgende aan:

- De man heeft de door de vrouw voor het huwelijk aangekochte woning te [A], zowel voor het in het huwelijk treden als ten tijde van het huwelijk volledig gerenoveerd.

- De man heeft eveneens de recreatiewoning te [Y], het zogenaamde plashuis, gerenoveerd.

- Het is een bewuste keuze van partijen geweest om de man voor de helft mede-eigenaar te laten zijn van de woning aan de [X].

- Door de werkzaamheden van de man is de waarde van de woningen meer dan conform de normale prijsstijgingen toegenomen.

- De vrouw financierde de aankoop van de woningen, de man voerde de verbouwingen, renovaties en dergelijke uit.

- Het op beider naam stellen van de woning aan de [X] is ook vanuit dat oogpunt redelijk en billijk.

- Het feit dat de vrouw over een aanzienlijk privé-vermogen beschikt en de man geen vermogen van enige betekenis heeft betreft een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis.

6. Door de vrouw wordt bestreden dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis. De vrouw voert daartoe, onder meer, het volgende aan:

- De werkzaamheden aan de woning te [A] zijn vrijwel geheel verricht door aannemer [naam] en de heer [naam]. De man hielp hier wel eens bij.

- De bouwwerkzaamheden verricht aan het plashuis en aan de woning aan de [X] werden eveneens grotendeels door professionele bedrijven verricht.

- De door de man verrichte werkzaamheden betroffen slechts het gebruikelijk onderhoud van de woningen.

- Door de vrouw zijn diverse bewijsstukken, waaronder facturen en betaalbewijzen van de aannemer en andere bedrijven, in het geding gebracht waaruit volgens de vrouw volgt dat deze bedrijven de bouwwerkzaamheden hebben uitgevoerd.

- De man heeft gedurende het huwelijk, maar ook reeds voor het huwelijk, een eigen onderneming gedreven waarin hij fulltime werkzaam was. De man heeft deze onderneming nog steeds.

- De man had, en heeft, volgens de vrouw alle kansen om deze onderneming tot een succes te maken.

- Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat het op beider naam stellen van de woningen is geschied om fiscale redenen om bij het overlijden van de vrouw de successierechten te beperken.

- Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw eveneens verklaard dat partijen op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd om de vermogens strikt te scheiden. De vrouw beschikte over een aanzienlijke nalatenschap van haar vader, waarbij haar vader in het testament had bepaald dat de erfrechtelijke verkrijging alleen aan de vrouw zou toekomen.

7. Het hof overweegt als volgt.

8. Ingevolge artikel 6:3, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat een natuurlijke verbintenis wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Of sprake is van een dringende morele verplichting als in dit artikel bedoeld, dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn.

9. Een groot verschil in het vermogen van de man en de vrouw kan weliswaar een objectieve aanwijzing zijn voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis, doch dat enkele feit is niet de objectieve norm die maakt dat sprake is van een natuurlijke verbintenis indien de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot gelden ter beschikking stelt voor de aanschaf van een goed.

10. Uit de akte van de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen met koude uitsluiting zijn gehuwd. De vrouw heeft de echtelijke woning gefinancierd. Ten tijde van het ter beider naam stellen van de woningen was de man ondernemer en had de vrouw met name de zorgtaken met betrekking tot het huishouden op zich genomen. De man genoot winst uit onderneming, uit welk inkomen onder meer geheel dan wel gedeeltelijk de kosten van de huishouding werden voldaan. Uit hoofde van de verzorgingsgedachte was er derhalve geen noodzaak om de woning eveneens op naam van de man te stellen. De verbouwingswerkzaamheden die de man stelt te hebben verricht, leiden evenmin tot het oordeel dat sprake is van een natuurlijke verbintenis. Uit de door de vrouw overgelegde facturen blijkt dat (ingrijpende) verbouwingswerkzaamheden zijn verricht door derden en zij heeft gesteld dat zij eveneens werkzaamheden heeft verricht. Aangezien partijen gehuwd waren, moeten de werkzaamheden die de man verrichtte worden bezien in het licht van de verplichtingen van echtgenoten als bedoeld in artikel 1:81 BW. De feiten en omstandigheden die de man met betrekking tot de door hem verrichte werkzaamheden heeft aangevoerd, zijn onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de vrouw daarmee een dringende morele verplichting heeft om af te wijken van de door partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden, en haar vergoedingsrecht als bedoeld in artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden van partijen prijs te geven.

11. Op basis van redelijkheid en billijkheid ontstaat er voor de man jegens de vrouw geen recht op een deel van het vermogen van de vrouw. Het hof acht het aannemelijk dat partijen, gelet op hun huwelijkse voorwaarden, hebben gekozen voor een volstrekte scheiding van vermogens en dat het zeker niet de bedoeling van partijen is geweest om uit te gaan van de wettelijke gemeenschap van goederen. Slechts indien het naar maatschappelijke normen onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw nakoming vordert van de tussen partijen bestaande huwelijkse voorwaarden, kan er een mogelijke aanspraak ontstaan van de man de jegens de vrouw. De feiten en omstandigheden die door de man zijn gesteld rechtvaardigen niet een vermogensrechtelijke aanspraak jegens de vrouw.

12. Het hof is gelet op het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is van een natuurlijke verbintenis.

Ongerechtvaardigde verrijking

13. De man stelt zich voorts op het standpunt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van de vrouw. Hij voert daartoe, onder meer, het volgende aan:

- Door zijn arbeidsinspanningen ten behoeve van de gezamenlijke woningen van partijen heeft hij zijn onderneming niet kunnen opbouwen en dus evenmin vermogen kunnen opbouwen.

- Indien de man de desbetreffende inspanningen niet had verricht, dan had hij veel meer winst uit zijn onderneming kunnen genereren.

- De man biedt ter zake het vorenstaande bewijs aan.

14. De vrouw heeft bestreden dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking en heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd:

- De werkzaamheden aan de woningen betroffen slechts normaal onderhoud.

- De vrouw betwist dat de man geen rendabele onderneming heeft kunnen opbouwen.

15. Het hof overweegt als volgt.

16. Ingevolge artikel 6:212 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

17. Gelet op hetgeen hiervoor door het hof is overwogen, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van ongerechtvaardigde verrijking. Vast staat dat de man verbouwingswerkzaamheden heeft verricht aan de voormalige echtelijke woning, het plashuis en de woning van de vrouw te [A], hoewel partijen van mening verschillen over de omvang daarvan. Dat deze werkzaamheden naast verrijking van de vrouw tevens verarming van de man tot gevolg hebben gehad, is niet aannemelijk, nu de voormalige echtelijke woning in waarde is gestegen, van welke omstandigheid de man ook profiteert. Ook al zou van verrijking van de vrouw en verarming van de man sprake zijn, omdat de man minder tijd had voor zijn eigen onderneming en aldus minder winst heeft kunnen realiseren, kan zijn beroep op ongerechtvaardigde verrijking niet slagen. Hiervoor is immers vereist dat de verrijking ongerechtvaardigd is. Zoals hiervoor onder 10 is overwogen moeten, nu partijen gehuwd waren, de verbouwingswerkzaamheden bezien worden in het licht van de verplichtingen van echtgenoten als bedoeld in artikel 1:81 BW. De man heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan voor een verrijking van de vrouw desondanks geen redelijke grond bestond. De man heeft daardoor niet aan zijn stelplicht voldaan. De grief van de man faalt.

Vergoedingsrechten

18. De vrouw heeft gesteld dat:

- Zij recht heeft op de vergoeding van de kosten die zij ter zake de onroerende zaken uit haar privé-vermogen heeft voldaan.

- Zij recht heeft op vergoeding van de facturen die zij ten behoeve van de onderneming van de man heeft voldaan.

- Zij recht heeft op vergoeding van de bedragen die zij heeft gestort op de bankrekening van de man ten behoeve van zijn onderneming.

19. Bij brief van de zijde van de vrouw, ingekomen bij het hof op 11 november 2009, heeft de vrouw een groot aantal bewijsmiddelen in het geding gebracht waaruit haar vergoedingsrechten volgen. Voorts heeft de vrouw nadrukkelijk bewijs aangeboden van haar stelling door onder meer het horen van de boekhouder de heer [naam].

20. De man heeft – behoudens zijn stelling dat sprake is van een natuurlijke verbintenis en/of ongerechtvaardigde verrijking – voorts gesteld dat facturen met betrekking tot zijn onderneming in werkelijkheid betrekking hadden op de verbouwing van de woningen. Dit laatste is door de vrouw ter zitting bestreden.

21. Het hof overweegt als volgt.

22. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte stukken volgt dat de vrouw uit haar privé-vermogen een groot aantal betalingen heeft verricht met betrekking tot de goederen die aan partijen in mede eigendom toebehoorden. Voorts volgt uit deze stukken dat de vrouw ten behoeve van de onderneming van de man een groot aantal betalingen heeft verricht.

23. Gezien de door de vrouw gestelde omvang van de vergoedingsrechten en het belang voor beide partijen dat het juiste bedrag wordt vastgesteld, acht het hof het noodzakelijk dat een door het hof aangewezen deskundige de vergoedingsrechten, zoals hiervoor vermeld, voor het hof in kaart brengt.

Deskundigenonderzoek

24. De deskundige zal op grond van artikel 198, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.

Onderzoeksvragen aan de deskundigen

25. Op een nog te houden regiezitting zullen de door de deskundige te beantwoorden vragen worden geformuleerd.

Aansprakelijkheid deskundige

26. Het hof is ermee bekend dat de deskundige zijn opdracht alleen wenst te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

27. De deskundige dient binnen vier weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de man en aan de vrouw.

28. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

29. De deskundige, een register-accountant, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels.

30. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is - na partijen en de deskundige te hebben gehoord - te beoordelen of die partij conform artikel 198, derde lid, Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

Deskundige

31. Het hof zal de heer E.R. Lankester RA benoemen tot deskundige. Het staat de deskundige vrij om tijdens zijn onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.

32. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

33. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- exclusief BTW. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren- en verrichtingenstaat. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal het hof overgaan tot uitbetaling.

34. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 17.850,- inclusief BTW. Het hof acht het redelijk en billijk dat beide partijen ieder voor een gelijk deel voorlopig de kosten van de deskundige dragen. Partijen dienen er voor zorg te dragen dat voormeld voorschot wordt gedeponeerd ter griffie van het hof door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding van zaaknummer 200.026.674/01.

Deskundigenbericht

35. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

36. Indien de advocaten en/of de deskundige vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw J.H. Muller-Rietveld en bij haar afwezigheid tot mevrouw mr. I. van der Kamp.

Regiezitting

37. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt een regiezitting plaats.

Identificatiebewijs

38. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

39. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. J.M. van de Poll en bij haar afwezigheid mr. A.N. Labohm.

Inboedel

40. De man is van mening dat de rechtbank ten onrechte zijn aanspraken op de helft van de waarde van de gemeenschappelijke inboedel buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de man is de inboedel nimmer verdeeld. Ter zake de verdeling van de inboedel vordert de man van de vrouw € 17.500,-.

41. Door de vrouw wordt bestreden dat de inboedel niet is verdeeld. Voorts wordt door de vrouw bestreden dat als waarderingsmaatstaf dient te gelden de inboedelverzekering. Tot slot heeft de vrouw gesteld dat als de man nog bepaalde inboedelgoederen wenst te verkrijgen hij dient aan te geven welke dit zijn.

42. Het hof overweegt als volgt. Het hof is met de vrouw van oordeel dat voor de waardering van de inboedelgoederen niet uitgegaan kan worden van de inboedelverzekering. Voor de waardering dient uitgegaan te worden van de waarde die deze goederen hebben op het moment van de feitelijke verdeling. Het is een feit van algemene bekendheid dat inboedelgoederen een geringe waarde hebben.

43. De man dient zich voor de regiezitting schriftelijk uit te laten welke inboedelgoederen hij nog wenst te verkrijgen en voorts dienen beide partijen zich eveneens voor de regiezitting uit te laten of de inboedelgoederen alsnog dienen te worden getaxeerd.

Winkel

44. De man stelt dat hij recht heeft op de helft van de opbrengst die de vrouw bij verkoop van de door haar met een compagnon gedreven winkel heeft ontvangen. De man stelt aanspraak te maken op de helft van deze verkoopopbrengst, nu de vrouw zonder de inspanningen van de man de winkel nooit had kunnen starten en zij door de werkzaamheden van de man ongerechtvaardigd is verrijkt. Voorts stelt de man dat, indien met vergoedingsrechten van de vrouw (naar het hof begrijpt: voor investeringen in de onderneming van de man) rekening wordt gehouden, zijn betalingen ten behoeve van de winkel van de vrouw eveneens vergoed moeten worden, ten bedrage van € 4.950,-. De man biedt bewijs aan.

45. De vrouw stelt dat de volgens afspraak tussen partijen alleen benodigde grondstoffen en materialen door haar en haar compagnon aan de man zijn betaald. De stelling van de man dat de vrouw zonder inspanning van de man de winkel nooit had kunnen starten, is volgens de vrouw ongeloofwaardig.

46. Het hof overweegt als volgt. Uit punt 44 van het verweerschrift op het incidenteel appel volgt dat er tussen partijen een afspraak is gemaakt dat alleen de grondstoffen en materialen door de man aan de vrouw en haar compagnon in rekening zouden worden gebracht. Op basis van de stellingen van de man is het hof van oordeel dat de man geen rechtsgrond heeft aangevoerd op grond waarvan hij aanspraak kan maken op de helft van de verkoopopbrengst van de winkel. De vordering van de man dient derhalve te worden afgewezen.

Kosten echtelijke woning

47. De man stelt dat vanaf het moment dat hij de echtelijke woning heeft verlaten in juni 2005 nog diverse kosten met betrekking tot deze woning heeft voldaan. Gezien het feit dat het hier huishoudelijke kosten betreffen, stelt de man zich op het standpunt dat, nu de vrouw de echtelijke woning vanaf juni 2005 alleen bewoont, deze kosten voor haar rekening dienen te komen.

48. De vrouw stelt dat de door de man verrichte betalingen aangemerkt dienen te worden als kosten van de huishouding. Voorts stelt de vrouw dat zij ook haar deel in de kosten van de huishouding heeft voldaan.

49. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de door de man gevorderde bedragen in beginsel kunnen worden aangemerkt als kosten van de huishouding. Voor zover de rekeningen met betrekking tot de onroerende zaak vallen na datum van de ontbinding van het huwelijk acht het hof het redelijk en billijk dat deze door de vrouw worden voldaan aangezien zij het genot had van de echtelijke woning.

50. Het hof verzoekt de man voor de regiezitting schriftelijk aan te geven welke bedragen hij ten behoeve van de voormalige echtelijke woning na de datum van de ontbinding van het huwelijk heeft voldaan.

Waardering voormalige echtelijke woning

51. Ter zitting heeft de vrouw een grief geformuleerd ter zake de waardering van de voormalige echtelijke woning. De vrouw wenst dat voor de waarde wordt uitgegaan van de huidige verkoopwaarde.

52. De man heeft ter zitting uitvoerig op deze grief gerespondeerd. Hij is van mening dat uitgegaan moet worden van de destijds getaxeerde waarde van € 1.585.000,-.

53. Het hof overweegt als volgt. Gezien de huidige ontwikkelingen op de woningmarkt acht het hof het redelijk en billijk om voor wat betreft de waarde van de echtelijke woning uit te gaan van de huidige verkoopwaarde.

Proceskosten

54. Het hof zal de beslissing ter zake de proceskosten eerst geven bij de eindbeslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat de man 14 dagen voor de regiezitting schriftelijk zal reageren zoals overwogen in rechtsoverwegingen 43 en 50;

benoemt de heer E.R. Lankester RA, kantoorhoudende te Nieuwveen, aan de Oude Nieuwveenseweg 111-113, postadres: postbus 3006, 2440 AA te Nieuwveen, tot deskundige;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de vrouw binnen vier weken na heden een voorschot van € 8.925,- ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermeldingen onder vermelding van zaaknummer 200.026.674/01;

bepaalt dat de man binnen vier weken na heden een voorschot van € 8.925,- ter griffie van het hof zal deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement 's-Gravenhage, Rabobank te Utrecht en onder vermelding en onder vermelding van zaaknummer 200.026.674/01;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. J.M. van de Poll en bij haar afwezigheid mr. A.N. Labohm;

bepaalt dat partijen binnen 14 dagen na deze beschikking hun verhinderdata voor de maanden februari, maart en april 2010 aan de griffier van dit hof zullen opgeven;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting zal toezenden aan de griffier van dit hof, onder vermelding van zaaknummer 200.026.674/01;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Labohm en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2010.