Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1677

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
02-02-2010
Zaaknummer
200.017.307-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BI5947, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toezeggingen gemeente standplaats woonwagen; wijziging beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Uitspraak: 2 februari 2010

Zaaknummer hof: 200.017.307/01

Zaaknummer rechtbank: 297655

Arrest van de eerste civiele kamer

gewezen in de zaak van:

[…],

wonende te 's-Gravenhage,

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam,

tegen:

de gemeente 's-Gravenhage,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna: de Gemeente,

advocaat: mr. A.R. de Jonge te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 17 oktober 2008 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 juli 2008, door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd. De Gemeente heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Vervolgens hebben partijen hun standpunten ter zitting van het hof van 18 januari 2010 door hun raadslieden aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten. Voorafgaande aan de pleidooien heeft [appellant] nog een (groot) aantal stukken in het geding gebracht. Tot slot hebben partijen het hof gevraagd (aan de hand van een kopie van hun procesdossiers) arrest te wijzen.

Beoordeling van het hoger beroep

uitgangspunten

1. In hoger beroep kan van de onder 2 in het vonnis vastgestelde feiten worden uitgegaan nu hiertegen geen concrete grieven zijn gericht.

2. Het gaat in deze zaak om de vraag, kort weergegeven, of de Gemeente op grond van eerdere toezeggingen verplicht is aan [appellant] een vervangende standplaats in de Gemeente aan te bieden voor zijn woonwagen, in het bijzonder op de locatie [locatie 3].

3. De rechtbank heeft de vordering van [appellant] afgewezen na te hebben overwogen, kort weergegeven:

a. De toezegging die de Gemeente in 2000 aan [appellant] heeft gedaan in het kader van de deconcentratie van de locatie aan de [locatie1] is vervallen, nu [appellant] dit aanbod niet heeft aanvaard en in plaats hiervan een standplaats op de locatie aan de [locatie 2] heeft geaccepteerd (4.2).

b. Ook aan de toezegging die de Gemeente in 2005 aan [appellant] heeft gedaan ten aanzien van een vervangende standplaats, kan [appellant] na 2006 niet een onvoorwaardelijk recht op een vervangende standplaats ontlenen. Het stond de Gemeente in beginsel vrij om in 2006 tot een beleidswijziging met betrekking tot de locatie [locatie 2] te komen en af te zien van het realiseren van vervangende standplaatsen, mits zij hierbij met de gerechtvaardigde belangen van de bewoners van de locatie rekening houdt. Dit is het geval nu de Gemeente voor de bewoners een sociaal plan heeft opgesteld dat voorziet in geldelijke tegemoetkomingen en in ondersteuning bij het vinden van (reguliere) woonruimte. Ook voor [appellant] gelden deze voorzieningen en hij is hierbij niet anders behandeld dan de overige bewoners van de locatie [locatie 2] (4.6 en 4.7).

grieven en weren

4. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. In zijn toelichting op de grieven heeft [appellant], samengevat en voor zover van belang, de volgende standpunten ingenomen:

a. [appellant] heeft op grond van het onvoorwaardelijke aanbod van de Gemeente onder het oude beleid een recht op een vervangende standplaats op de locatie [locatie 3]. Nooit is hem meegedeeld dat hij dit recht zou verliezen als hij zich op de locatie [locatie 2] liet inschrijven. Op de locatie [locatie 2] is hem geen eigen standplaats aangeboden maar slechts een tijdelijke inschrijving als briefadres met het oog op de nog te realiseren standplaatsen op de locatie [locatie 4] te Ypenburg waarop [appellant] zich had laten inschrijven.

b. Sinds 2004 heeft [appellant] op de locatie [locatie 2] een tijdelijk onderkomen, in afwachting van een vervangende standplaats elders. Hierdoor heeft hij geen rechten verloren nu het om een tijdelijke voorziening gaat. Na de gewelddadige dood van zijn vader kon [appellant] niet anders dan van de locatie [locatie 1] vertrekken en kon hij (voorlopig) geen standplaats aan de locatie [locatie 3] aanvaarden. Ook heeft hij geen rechten verloren door zijn plaatsing op de deconcentratielijst. Dit is hem nooit meegedeeld. De brieven die [appellant] aan de Gemeente heeft geschreven, zijn gericht op een verbetering van zijn rechtspositie, niet op een verslechtering.

c. De situatie van [appellant] is niet te vergelijken met de situatie van de overige bewoners op de locatie [locatie 2], gelet op zijn voorgeschiedenis op de locatie [locatie 1], de gewelddadige dood van zijn vader, en zijn tijdelijk adres op de locatie [locatie 2]. Bovendien is aan [appellant] in 2005 een vervangende standplaats toegezegd. Dit geldt niet voor de andere bewoners. Deze uitzonderingspositie brengt mee dat [appellant] aanspraak op een hogere plaats op de deconcentratielijst kan maken dan de overige bewoners van de locatie [locatie 2].

d. De Gemeente handelt onrechtmatig of pleegt wanprestatie door de toezegging aan [appellant] met betrekking tot een vervangende standplaats niet na te komen, met het gevolg dat hij gedwongen wordt van een woonwagen naar een reguliere woning te verhuizen, afgesplitst van zijn naaste familie.

5. De Gemeente heeft tegenover de grieven, kort weergegeven, het volgende verweer gevoerd:

a [appellant] heeft zich na de dood van zijn vader beijverd om een standplaats op de locatie [locatie 2] of op een ander woonwagencentrum in de gemeente te verwerven. De Gemeente is aan dit verzoek uiteindelijk, in haar brief van 20 juni 2005, tegemoet gekomen. [appellant] heeft aan dit (herhaalde) verzoek niet de voorwaarde verbonden dat hij in een later stadium desgewenst alsnog aanspraak kan maken op een vervangende standplaats op de locatie [locatie 3], overeenkomstig de eerdere toezegging van de Gemeente onder het in 2000 geldende beleid. De verhuizing naar de locatie [locatie 2] brengt niet mee dat [appellant], na de opheffing van deze locatie, een onvoorwaardelijk recht op een vervangende standplaats elders verkrijgt, in het bijzonder op de locatie [locatie 3], en aldus een voorrangspositie verkrijgt boven de (meeste) andere bewoners van de locatie [locatie 2].

b. De toezegging die de Gemeente in 2000, bij brief van 15 september 2000, heeft gedaan, bood alleen zicht op een standplaats op de locatie [locatie 3] en niet op een alternatieve standplaats elders. De verhuizing naar de locatie [locatie 2] heeft uiteindelijk geresulteerd in een nieuwe toezegging in 2005 onder het toen geldende nieuwe beleid, die uitzicht bood op een vervangende standplaats bij deconcentratie van de locatie [locatie 2], waarbij [appellant] is gelijkgesteld aan de overige bewoners van deze locatie.

c. Met de persoonlijke omstandigheden van [appellant], na de gewelddadige dood van zijn vader, heeft de Gemeente in voldoende mate rekening gehouden door in te stemmen met een formele vestiging op de locatie [locatie 2] in de vorm van een briefadres en door zijn feitelijke verhuizing naar en verblijf op de locatie [locatie 2] te aanvaarden, en hem uiteindelijk in rechtspositie gelijk te stellen met de overige bewoners van deze locatie. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen niet voor een tweede maal tot een bevoorrechte behandeling van [appellant] leiden door hem voorrang te geven boven de andere bewoners van de locatie [locatie 2] met betrekking tot het toewijzingsbeleid bij het beperkt aantal binnen de Gemeente overgebleven standplaatsen. De problemen die de bewoners bij het gedwongen vertrek van de locatie ondervinden zijn in beginsel voor iedere bewoner gelijk. [appellant] vormt hierop geen uitzondering. De extra voorrangspositie waarop [appellant] aanspraak maakt is ten opzichte van de overige bewoners van de locatie [locatie 2] ook niet te rechtvaardigen.

beoordeling grieven en weren

6. In zijn arrest van 30 juni 2009 (zaaknummer 200.007.340/01 en gepubliceerd onder LJN: BJ 1592), heeft het hof in een met deze zaak in essentie gelijke of vergelijkbare zaak beslist, kort weergegeven:

a. De (herhaalde) toezegging van de Gemeente onder het tot 1 juni 2006 geldende beleid dat belanghebbende bij sluiting van de locatie [locatie 2] recht heeft op een vervangende standplaats op een nieuw te realiseren locatie, in het bijzonder de locatie [locatie 4], brengt bij afweging van alle belangen niet de verplichting van de Gemeente mee om deze toezegging ook na de wijziging van het beleid per 1 juni 2006 na te komen.

b. Met deze beleidswijziging heeft de Gemeente beoogd de algemene belangen van de Gemeente te dienen, in het bijzonder de huisvestings-, handhavings- en stedenbouwkundige belangen. Op grond hiervan is de locatie [locatie 4] niet meer aangelegd. Tegenover deze algemene en legitieme belangen moest het recht van belanghebbende op een vervangende standplaats op deze of een andere binnen de Gemeente overgebleven locatie wijken.

c. De Gemeente heeft onderkend dat zij uit toezeggingen voorvloeiende rechten van de bewoners van de locatie [locatie 2] geen gevolg zal kunnen geven en heeft daarom voorzien in een compensatieregeling, neergelegd in een zogenoemd Sociaal Plan (sociaal plan). Dit sociale plan bevat een vergoeding voor de materiële schade als gevolg van het verlies van een eigen woonwagen en verhuiskosten, alsmede een vergoeding voor immateriële schade voor het verlies van de wooncultuur (woonvorm en woonverband) waarin de bewoners van de locatie [locatie 2] leefden.

d. Belanghebbende heeft een zekere voorrang bij de toewijzing van een vervangende standplaats behouden als er binnen vijf jaar een standplaats elders binnen de Gemeente vrijkomt. De aan belanghebbende uitbetaalde vergoedingen kan belanghebbende in dat geval behouden.

e. Met deze compensatie heeft de Gemeente in een onder de gegeven omstandigheden passende compensatie voorzien.

7. Mede in het licht van deze oordelen is de rechtbank terecht en op goede gronden tot de hiervoor onder 3 b vermelde oordelen gekomen. Ook het hiervoor onder 3 a vermelde oordeel is juist, dat de toezegging die de Gemeente in 2000 aan [appellant] heeft gedaan in het kader van de deconcentratie van de locatie aan de [locatie 1], is vervallen nu [appellant] dit aanbod niet heeft aanvaard en in plaats hiervan een plaats op de locatie aan de [locatie 2] heeft geaccepteerd. Hierbij is niet van beslissende betekenis dat [appellant] aanvankelijk slechts een briefadres op deze locatie heeft verkregen, nu hij nadien feitelijk jarenlang op deze locatie woonachtig is geweest en de Gemeente deze feitelijke situatie in het belang van [appellant] heeft aanvaard en [appellant] in dezelfde positie heeft gebracht als de overige bewoners van de locatie [locatie 2].

8. Uit deze oordelen vloeit (onder meer) voort dat de Gemeente [appellant] gelijk mocht stellen met de overige bewoners van de locatie [locatie 2], zodat hij een beroep op het sociaal plan heeft kunnen doen en dat de Gemeente bij de plaatsing van [appellant] op de lijst van bewoners die voor herhuisvesting in aanmerking kwamen, mocht uitgaan van een woonduur vanaf de vestiging van zijn briefadres in 2000 op de locatie [locatie 2].

9. De grieven en hetgeen [appellant] ter ondersteuning hiervan heeft aangevoerd, stuiten op deze oordelen af. Het verweer van de Gemeente hiertegen, zoals hiervoor onder 5 verwoord, is gegrond.

slotsom

10. Uit de voorgaande rechtsoverwegingen vloeit voort dat de rechtbank de vordering van [appellant] terecht heeft afgewezen en dat hetgeen door [appellant] hiertegen in hoger beroep is aangevoerd niet tot een vernietiging van het vonnis kan leiden. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen.

11. [appellant] zal de kosten van het geding in hoger beroep hebben te dragen, nu hij hierbij in het ongelijk wordt gesteld, met hierover de door de Gemeente gevorderde rente. Hiertegen heeft [appellant] geen verweer gevoerd.

Beslissing

Het gerechtshof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente vastgesteld op € 2.985;

- bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van deze termijn tot aan de dag der voldoening;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, M.L. Vierhout, en A.V. van den Berg, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2010 in het bijzijn van de griffier.