Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL1132

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
22-005195-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BG6967, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte, zijn toenmalige partner, schuldig gemaakt aan ernstige mishandeling van hun baby. Hoewel onduidelijk is gebleven wie van de verdachten het fatale letsel heeft toegebracht, zijn zij beiden verantwoordelijk voor het afschuwelijke gevolg. Bovendien hebben zij samen, toen duidelijk was dat het kindje een dokter nodig had, hun dochter aan haar lot overgelaten en nagelaten de noodzakelijke medische hulp in te schakelen. De verdachten hebben daar uit eigen belang bewust van afgezien. Uiteindelijk is hun dochter ten gevolge van die mishandelingen overleden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005195-08

Parketnummer: 10-640235-07

Datum uitspraak: 29 januari 2010

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VADER],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

thans verblijvende in de [naam Penitentiaire Inrichting].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 15 mei 2009 en 15 januari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, waarbij de onder 1 cumulatief ten laste gelegde feiten door het hof zijn aangeduid met de letters A, B en C, - ten laste gelegd dat:

1.A.

hij in de periode van 12 november 2007 tot en met 03 december 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [baby], geboren [geboortedag] (zijnde het kind van verdachte), van het leven te beroven met dat opzet excessief, althans hevig, botsend (geweld op/tegen het hoofd van die [baby] heeft uitgeoefend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij in de periode van 12 november 2007 tot en met 03 december 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [baby], geboren [geboortedag] (zijnde het kind van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten scheuren in de schedelnaden van het schedeldak en/of vervorming van de rechterzijde van de schedel en/of een breuk in het schedeldak links en/of bloeduitstortingen in/onder het schedeldak) heeft toegebracht, door in genoemde periode opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

- die [baby] met kracht op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- met kracht die [baby] op/tegen een bedrand en/of een hard voorwerp en/of een harde ondergrond, te slaan en/of te duwen en/of te drukken en/of te gooien en/of

- die [baby] met kracht heen en weer te bewegen en/of te schudden en/of

- excessief, althans hevig, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] uit te oefenen;

EN/OF

1.B.

hij op of omstreeks 04 december 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [baby], geboren [geboortedag] (zijnde het kind van verdachte), van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk excessief, althans hevig, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] uitgeoefend ten gevolge waarvan die [baby] is overleden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 04 december 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [baby], geboren [geboortedag] (zijnde het kind van verdachte) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten scheuren in de schedelnaden van het schedeldak en/of vervorming van de rechterzijde van de schedel en/of een breuk in het schedeldak links en/of bloeduitstortingen in/onder het schedeldak, althans één of meer ernstige hoofdletsels) heeft toegebracht, door toen aldaar opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

- die [baby] met kracht op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- met kracht die [baby] op/tegen een bedrand en/of een hard voorwerp en/of een harde ondergrond, te slaan en/of te duwen en/of te drukken en/of te gooien en/of

- die [baby] met kracht heen en weer te bewegen en/of te schudden en/of excessief, althans hevig, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] uit te oefenen,

terwijl het feit op of omstreeks 04 december 2007 de dood van die [baby] ten gevolge heeft gehad;

EN/OF

1.C.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 04 december 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [baby], geboren [geboortedag] (zijnde het kind van verdachte) meermalen, althans eenmaal,

- op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

- op/tegen een bedrand en/of een hard voorwerp en/of een harde ondergrond geslagen en/of geduwd en/of gedrukt en/of gegooid en/of

- (hard) heen en weer heeft bewogen en/of geschud en/of

excessief, althans hevig, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] heeft uitgeoefend,

(terwijl het laatst feit - de laatste mishandeling - de dood, althans zwaar lichamelijk letsel (te weten scheuren in de schedelnaden van het schedeldak en/of vervorming van de rechterzijde van de schedel en/of een breuk in het schedeldak links en/of bloeduitstortingen in/onder het schedeldak, althans één of meer - ernstige - hoofdletsels) van/voor die [baby] ten gevolge heeft gehad);

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2007 tot en met 04 december 2007, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, te Rotterdam, opzettelijk een kind, [baby], geboren [geboortedag], tot wiens onderhoud en/of verpleging en/of verzorging hij, verdachte, en/of zijn mededader, zijnde de ouder(s) van die [baby], krachtens wet verplicht was/waren, telkens en/of bij voortduring, in hulpeloze toestand heeft/hebben gebracht en/of gelaten,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader,

terwijl hij/zij wist(en) dat die [baby] een (pasgeboren) zuigeling en - al daardoor - hulpbehoevend en/of afhankelijk (van haar ouders, te weten verdachte en zijn mededader) was en/of hij/zij wist(en) dat die [baby],

- met kracht op/tegen het hoofd en/of het lichaam was gestompt en/of geslagen en/of

- met kracht op/tegen een bedrand en/of een hard voorwerp en/of een harde ondergrond, was geslagen en/of geduwd en/of gedrukt en/of gegooid en/of

- met kracht heen en weer was bewogen en/of geschud,

althans hij/zij wist(en) dat excessief, althans hevig, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] was uitgeoefend,

althans hij/zij wist(en) dat die [baby] ernstig letsel aan het hoofd en/of het lichaam had,

die [baby] aan haar lot overgelaten en/of

nagelaten zich te vergewissen van de toestand van die [baby] en/of

adequate verzorging en/of verpleging en/of inschakeling van medische hulp/verzorging onthouden aan die [baby],

althans geen adequate maatregelen ter verzorging en/of bescherming van die [baby] genomen, en aldus die [baby] in een situatie gebracht en/of gelaten die voor de gezondheid en/of het welbevinden van die [baby] gevaarlijk en/of schadelijk was en/of kon zijn(, terwijl voorgaande de dood, althans zwaar lichamelijk letsel van/voor die [baby] ten gevolge heeft gehad).

Procesgang

In eerste aanleg is aan de verdachte - na wijziging van de tenlastelegging - tenlastegelegd, onder 1 primair: het (mede)plegen van doodslag, onder 1 subsidiair: het (mede)plegen van zware mishandeling met de dood ten gevolge, en onder 2: het (mede)plegen van opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen en/of laten, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft.

De verdachte is in eerste aanleg ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken, en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarbij de rechtbank heeft gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, met verpleging van overheidswege.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beslissing omtrent het bewijs van het tenlastegelegde1

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en uit de wettige bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Aanleiding tot deze strafzaak is de dood van baby [baby].2 [Baby] werd op 5 december 2007 door medewerkers van de ambulancedienst dood aangetroffen in de woning van haar ouders aan de Josephlaan 10 in Rotterdam.3 De moeder van [baby] had in de ochtenduren alarm geslagen en aan de hulpdiensten gevraagd langs te komen "zonder zwaailicht".4 Toen de ambulance kwam was de baby al koud en stijf.5

[baby] is nog geen vier weken oud geworden en bleek overleden te zijn aan ernstig (hersen)letsel. Beide ouders, de verdachte [vader] (biologische vader van het kind) en diens medeverdachte [moeder] (moeder van het kind) beschuldigen elkaar ervan het fatale letsel te hebben toegebracht.6

Doodsoorzaak

Uit het deskundigenrapport d.d. 22 mei 2008 van arts-patholoog dr. V. Soerdjbalie blijkt dat op het lichaam van [baby] letsels aan het gelaat, de schedel en het centraal zenuwstelsel zijn aangetroffen.7 Er zijn vele bloeduitstortingen geconstateerd op onder andere haar gelaat en haar bovenlichaam. Er waren scheuren in de schedelnaden en er was vervorming van de rechterzijde van de schedel. Er waren bloeduitstortingen in het schedeldak beiderzijds en een breuk in het schedeldak links. Voorts is er laag in het ruggenmergkanaal en onder de hersenvliezen bloed aangetroffen.

Voornoemde letsels zijn blijkens de bevindingen van [naam [naam kraamhulp]-patholoog] bij leven opgetreden door inwerking van hevig uitwendig mechanisch botsend geweld links en mogelijk ook rechts op het hoofd, waarbij rekening dient te worden gehouden met meer dan één keer toegepast geweld. Als voorbeelden voor het geweld dat deze letsels kan veroorzaken noemt Soerdjbalie-Maikoe hevig slaan tegen of met objecten/voorwerpen, of een val van grote hoogte. Een val van bijvoorbeeld 50 centimeter hoogte, of één of meerdere klappen met de vlakke hand, zouden deze letsels niet kunnen verklaren.

Wat de datering van het ontstaan van deze letsels aan het lichaam van [baby] betreft komt dr. V. Soerdjbalie-Maikoe tot de volgende conclusie. De - genezende - fracturen aan haar schedel zijn ongeveer 7-20 dagen oud. Er is voorts sprake van traumatische schade (aan de hersenen en het ruggenmerg) die meerdere dagen tot maximaal een week voor het overlijden is ontstaan. Daarnaast zijn beschadigingen aangetroffen in de hersenen die passen bij kort voor het overlijden opgetreden trauma.

Samengevat duiden de bevindingen op geweldsinwerking in verschillende tijdslijnen namelijk dagen tot maximaal circa 1 week vóór het overlijden en kort vóór het overlijden.

Het is volgens de arts-patholoog dr. B. Kubat niet aan te geven of het laatstelijk toegebrachte trauma op zichzelf dodelijk is geweest.8 Gezien de uitgebreidheid van de hersenkneuzing is dit trauma kort voor het overlijden ernstig geweest, maar dient rekening te worden gehouden met het feit dat voorgaande trauma-episoden hebben bijgedragen aan het overlijden. Wel kan worden gesteld dat het kind niet zou zijn overleden indien het trauma kort voor het overlijden niet had plaatsgevonden.

Een precieze aanduiding van het tijdstip van overlijden is volgens dr. V. Soerdjbalie-Maikoe niet te geven.9 Zij signaleerde bij de sectie van het kindje op 6 december 2007 een postmortale tijd van minimaal 2 tot 3 dagen.

Omdat beide ouders hebben verklaard dat [baby] op 4 december nog geleefd heeft en zij daarin consistent zijn geweest, gaat het hof ervan uit dat [baby] is overleden op 4 december 2007.10

De eerste 20 dagen na de geboorte van [baby]

Toen [baby] op [geboortedag] in het ziekenhuis was geboren, was het een gezond kindje.11 Er was weliswaar een groeiretardatie geconstateerd, maar verder geen afwijkingen.12 In de periode van 12 tot 16 november 2007 was er enkele uren per dag een kraamhulp bij de ouders en [baby] aanwezig.13 Deze kraamhulp ([naam kraamhulp]) heeft later bij de politie verklaard dat zij in de dagen dat zij in het gezin was geen letsel heeft gezien bij [baby].14 Ook is [baby] nog op 29 november 2007 onderzocht door de psychiatrisch verpleegkundige [naam psychiatrisch verpleegkundige], die later bij de politie heeft verklaard dat zij niets verontrustends heeft gezien: [baby] was op dat moment helder aan het rondkijken. Het zag er op dat moment allemaal heel goed uit.15

Het ontstaan van letsel bij [baby] na 29 november 2007

Hoewel de beide verdachten ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan zware mishandeling van [baby], hebben beiden bij de politie wel verklaard "tikken" dan wel "klappen" aan het kindje te hebben gegeven. [moeder] heeft bij herhaling verklaard dat zij [baby] wel eens "een tikje op d'r bil, op d'r pamper,"16 en "een tik op haar wang" heeft gegeven.17 [vader] heeft herhaaldelijk toegegeven dat hij [baby] heeft geslagen.18

Beide ouders geven voorts toe al vóór 4 december 2007 letsel bij [baby] te hebben waargenomen. [moeder] heeft een dikke lip, een blauw oogje en een grote bult op het hoofdje van [baby] waargenomen.19 [vader] geeft aan dat hij het letsel op haar mondje en een plek op het oogje heeft waargenomen.20 Ook kreeg [baby] altijd een mutsje op, om de buil op haar hoofd te verbergen.21

De gebeurtenissen op 4 december 2007

Op 4 december 2007 had [moeder] in de ochtend een afspraak met Bureau Jeugdzorg, om haar zoontje Rawien te bezoeken. Zij is daar alleen naar toe gegaan en heeft [baby] bij [vader] achtergelaten, omdat ze niet wilde dat "die mevrouw van Jeugdzorg" die plek op haar oog zou zien "en er wat van zou denken".22 Toen [moeder] weer thuis kwam was [baby] aan het huilen en bleek zij letsel aan haar schedel te hebben.23 Ook was het "ademhalen en huilen (..) anders dan normaal." 24

In de middag van 4 december 2007 heeft [vader] de woning verlaten. [moeder] was met [baby] alleen thuis. [vader] verklaart dat toen hij weer thuis kwam [moeder] tegen hem zei dat [baby] uit het bed was gevallen. In eerste instantie is dit ook de verklaring van [moeder], echter al bij het eerste verhoor bij de politie verklaart zij: "Hij wilde niet dat we de waarheid zouden gaan vertellen. Dus hadden we samen een beetje verzonnen om het verhaal te vertellen (...). Dat de kleine dus van het bed was gevallen".25 [vader] blijft bij zijn verklaring dat [baby] van het bed is gevallen.26

Wel heeft [vader] een aantal keren bekend dat hij [baby], in de ochtend van 4 december 2007 heeft geslagen toen hij alleen met haar was achtergebleven omdat [moeder] naar Jeugdzorg was. Zij huilde toen en daar kon hij niet tegen. Dat gehuil drong, zo verklaarde [vader] later, helemaal naar zijn hersens toe.27 [vader] verklaarde hierover:

"Toen begon ze (..) te krijsen, te krijsen, te krijsen. (..) Ik begon te slaan, slaan, slaan. Ik begon er een beetje bij te lachen (..)Bam, bam, bam, nou stil zijn. Ik moest er wel een beetje om lachen, want ik vond het een grappig gezicht hoe ik haar beet had. (..) Ik denk vijf a zes keer, bam, bam, bam, bam, bam. (..) Ze werd stil."28

Later verklaarde hij ook: "Ze was aan het huilen, huilen, huilen. Toen heb ik haar geslagen. Toen Nisa thuiskwam, heb ik verteld dat ik [baby] billenkoek had gegeven. Ik heb haar niet verteld dat ik haar tegen haar hoofdje heb geslagen."29 In een - direct opgenomen zogenoemd OVC30 - gesprek tussen [vader] en [moeder] verklaart [vader] voorts dat hij: "het een paar tikken heeft gegeven".31

Ook wees [vader] tijdens één van de verhoren bij de politie naar zijn hoofd en verklaarde hij

"Toen ik hoorde dat het hier was gebroken (..). Toen dacht ik, ja die klap was van mij."32

[moeder] heeft [baby] die middag getemperatuurd. Haar temperatuur was toen ongeveer 34 graden.33 [vader] heeft [baby] nog geprobeerd te reanimeren.34

De ouders voelden iets bij de schedel knikken, dat er daar iets verschoof.35 [vader] verklaarde: "Daarna werd die bult maar groter en groter op gegeven moment kreeg ze een misvormd hoofd ofzo...".36 "Het lichaam werd alleen maar kouder en kouder."37 Volgens [moeder] werd het kindje helemaal blauw van kleur en was zij niet meer wakker te krijgen.38

[moeder] haalde de luier van het kindje weg omdat zo verklaarde [vader] later: "we wisten. Dat heeft ze niet meer nodig."39

Voorts zijn verdachten een fles wijn gaan drinken omdat ze daar "trek in hadden".40 Ook hebben ze op de bank naar een "apen film gekeken op National Geographic".41 Na de borrel volgde de laatste zucht van [baby].42

Nog steeds werd door verdachten geen hulp ingeroepen, volgens [moeder] omdat zij "tijd nodig hadden om afscheid te nemen".43 Pas op de ochtend van 5 december 2007 heeft de moeder van [baby] de ambulance gebeld. Volgens de ouders was het kindje de avond daarvoor overleden.44

[moeder] verklaart over de bewuste dag, waarop [baby] is gestorven:

"Zij huilde op een pijnlijke manier. (...) Ik vond het wel nodig dat ze hulp nodig had. (...) Ik was moe. Het kwam er niet van [dat ik hulp ging halen]. Ik was een uurtje [gaan] slapen. (...) Als de ambulance was gekomen en alles zou verteld worden, dan zou zij van mij afgepakt worden en ik zou dan mee moeten..(...) Met andere woorden, ik heb mijn dochter dood laten gaan terwijl ik iets voor haar had kunnen doen. Ik weet dat ik daar de fout in ben gegaan. Ik had gewoon iemand moeten bellen"45 Volgens [moeder] zei de verdachte: "Ja we gaan niet bellen anders gaan we naar de gevangenis en kunnen we geen afscheid nemen."46

Ook de verdachte wist dat er hulp moest komen. Hij voelde zich naar eigen zeggen schuldig, toen hij op de bank lag in de kamer waar net [baby] was gestorven: "ik wist wel dat we echt fout zaten en in de problemen konden raken omdat we nalatig zijn geweest."47 Op dat moment deed dat, naar eigen zeggen, niet zo veel met hem.48

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Wat zich in de korte periode waarin [baby] heeft geleefd precies heeft afgespeeld, valt moeilijk te achterhalen. Beide ouders beschuldigen elkaar ervan het fatale letsel te hebben toegebracht, maar hebben over de gebeurtenissen dusdanig wisselende verklaringen afgelegd dat aan de betrouwbaarheid daarvan moet worden getwijfeld. Er zijn geen getuigen die iets relevants hebben kunnen verklaren over wat zich in de woning van de verdachten moet hebben afgespeeld. Ook de sectiebevindingen en het overige technische bewijs geven geen uitsluitsel over de precieze toedracht en tijdstippen waarop het fatale letsel is toegebracht. Wel acht het hof het uitgesloten dat een derde het letsel heeft toegebracht. In de periode dat het letsel is ontstaan hebben de verdachten geen derden in de buurt van [baby] toegelaten.49 De verdachten zijn slechts twee keer van huis geweest met [baby], één keer naar de markt en één keer naar de woning van de ouders van [moeder] in Rotterdam.50 Volgens [moeder] had [baby] in die periode geen verwondingen.51

Gezien de voornoemde bekentenissen kan worden aangenomen dat [vader] [baby] in de ochtend van 4 december 2007 tegen haar hoofd heeft geslagen. Uit het sectierapport volgt echter dat enkel slaan niet kan worden aangemerkt als hevig geweld dat tot het geconstateerde letsel heeft geleid. De uitlatingen van [vader] inhoudende "dat hij het gedaan heeft"52, en "we zijn allebei schuldig",53 zijn te vaag om te kunnen concluderen dat hij heeft bedoeld te bekennen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Voorts heeft [moeder] verklaard [baby] ook te hebben geslagen, onder meer in de tweede week dat [baby] thuis was.54 Het valt derhalve niet zonder meer uit te sluiten dat [moeder] [baby] vaker en ernstiger heeft mishandeld. Bovendien zijn de verklaringen van beide verdachten over het aandeel van de medeverdachte in de mishandelingen dusdanig tegenstrijdig, dat bij de geloofwaardigheid van deze verklaringen vraagtekens dienen te worden geplaatst. Dit leidt ertoe dat de verdachten van een deel van de tenlaste gelegde feiten moeten worden vrijgesproken.

Poging doodslag/zware mishandeling in de periode vóór 4 december 2007 (het onder 1A tenlastegelegde)

Hoewel vast staat dat reeds vóór 4 december 2007 de baby [baby] ernstig is mishandeld en het kindje daarbij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is onduidelijk wie van de ouders dit letsel heeft toegebracht, op welke datum dit gebeurde en of de verdachte bij de zware mishandelingen aanwezig was. Ook is onduidelijk of de verdachte op het moment dat het desbetreffende zwaar lichamelijke letsel werd toegebracht, bekend was met (mogelijk) eerdere mishandelingen van het kindje en in hoeverre hij wist van het gevaar dat zij daardoor liep. Immers, het is mogelijk dat de eerste mishandeling al meteen zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt.

Gelet hierop is niet komen vast te staan dat verdachte reeds in de bovengenoemde periode opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, had op de dood dan wel het zwaar lichamelijk letsel van baby [baby]. Derhalve dient hij naar 's hofs oordeel van het hem onder 1 A. tenlastegelegde, zijnde het (mede)plegen van poging tot doodslag dan wel zware mishandeling van [baby] [moeder] te worden vrijgesproken.

De doodslag op 4 december 2007 (het onder 1B, primair tenlastegelegde)

Vast staat dat op 4 december 2007 baby [baby], nadat zij reeds eerder verschillende keren was mishandeld en nadat zij al één keer zwaar lichamelijk letsel had opgelopen ten gevolge van een mishandeling, opnieuw zeer ernstig is mishandeld. Ook in dit geval is niet bekend wie van de ouders het ernstige letsel heeft toegebracht. Tevens is onduidelijk gebleven hoe precies de mishandeling heeft plaatsgevonden. Weliswaar heeft de verdachte bij de politie toegegeven het kind verschillende keren geslagen te hebben, o.a. op het hoofd, maar blijkens het sectierapport kan deze slag op het hoofd (alleen) niet het fatale letsel veroorzaakt hebben. Gezien deze onduidelijkheid over de toedracht van het feit is met onvoldoende mate van zekerheid vast komen te staan dat op het moment van de mishandeling reeds het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het kindje was gericht.

Wel is blijkens het voorgaande komen vast te staan dat nadat het kindje reeds ernstig gewond was geraakt en beide ouders wisten dat het zeer ernstig gewond was (omdat zij het schedeltje voelden knikken en de temperatuur daalde) het kindje aan haar lot over hebben gelaten.55 De moeder is gaan slapen, daarna hebben beide ouders televisie gekeken en hebben zij samen een fles wijn leeg gedronken. Dit terwijl het babytje eerst nog klaaglijk huilde56 en daarna in een steeds slechtere conditie kwam te verkeren, hetgeen de ouders ook hebben gesignaleerd.57 Door aldus te handelen en geen hulp in te schakelen hebben beide verdachten willens en wetens de kans aanvaard dat het kindje zou overlijden.

Nu echter de tenlastelegging alleen ziet op het plegen van doodslag door zware mishandeling en niet (mede) ten laste is gelegd dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan doodslag door de baby adequate medische assistentie te onthouden en/of door na te laten deze in te roepen, terwijl deze onmiskenbaar en dringend geboden was, kan de doodslag zoals ten laste gelegd, naar het oordeel van het hof niet worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 1B, subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Hoewel de vraag wie het fatale letsel heeft toegebracht niet kan worden beantwoord, komt het hof desalniettemin tot een bewezenverklaring van het medeplegen van zware mishandeling die de dood ten gevolge heeft gehad, en overweegt daartoe het volgende.

De verdachten woonden met [baby] in een kleine flat.58 Zij zorgden "om en om" voor [baby].59 Beiden gaven haar flesjes, verschoonden haar en deden haar in bad.60 Het kan niet anders dan dat degene die [baby] niet heeft mishandeld wist van mishandelingen door de ander. Beide verdachten hebben bij de politie verklaard dat zij eerder (ernstige) verwondingen bij [baby] hebben gezien.61

Geen van beiden heeft ingegrepen. Zij hebben dat bewust niet gedaan. Zo hebben zij het weekeinde voor het overlijden van [baby] geen bezoek willen ontvangen, omdat zij niet wilden dat iemand de verwondingen van [baby] zag.62 Beide verdachten hebben aldus, door bezoekers buiten de deur te houden, de ernst van de lichamelijke situatie van [baby] onderkend.

Ook hebben zij geen hulp gevraagd bij Jeugdzorg of bij één van de andere instanties die hen begeleidden. [vader] verklaarde hierover dat hij bang was dat als de mensen van Jeugdzorg zouden zien dat hun dochter klappen had gekregen, zij het kindje weg zouden halen. "En dat wilde ik niet".63

[moeder] verklaarde hierover dat zij op 4 december een gesprek had aangevraagd met de voogd van haar zoontje Rawien omdat zij iets kwijt wilde: "Ik heb haar tijdens dit gesprek echter niet verteld wat ik in (..) eerste instantie kwijt wilde. Ik dacht namelijk dat het beter was als die kleine niet meer bij ons zou wonen. Ik was bang dat ze klappen zou krijgen. [verdachte] kan namelijk niet tegen haar gehuil".64

Zij verklaarde tevens:

"Ik wist dat het mijn fout is geweest om haar geen hulp te geven. Ik denk dat het niet lang verder was gegaan. Misschien nog 1 of 2 keer klappen dan had ik tegen [vader] gezegd dat we haar weg moesten doen. Ik wil haar niet laten bezwijken aan de klappen die zij van [vader] kreeg."65

De verdachten hebben hun eigen belang, te weten het voorkomen van de gevolgen van het uitkomen van de mishandelingen, boven dat van hun dochter geplaatst. Zij hebben dit tot het laatst toe volgehouden, ook nog op het moment dat voor beiden duidelijk moet zijn geweest dat [baby] niet in orde was, toen zij afkoelde en suf was en een flinke bult op het hoofd had. Ook toen hebben zij voor zichzelf in plaats van voor hun dochter gekozen en geen hulp gezocht. Door, wetende van de mishandelingen van [baby], niet in te grijpen hebben de verdachten nagelaten hun dochter tegen verder onheil te beschermen. Zij hebben daarmee hun rechtsplicht tegenover hun dochter ernstig geschonden en aldus hebben zij de mishandelingen aanvaard en zich in feite bij dat gedrag aangesloten. Het hof komt op grond hiervan tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, derhalve van medeplegen.

Gezien het letsel dat de verdachten hebben waargenomen vóór de fatale mishandeling op 4 december 2007 en gezien het feit dat zij na het ontstaan van het letsel hebben vermeden dat iemand [baby] zou zien omdat [baby] dan weg zou worden gehaald, is voorts sprake van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel dat is ontstaan op 4 december. Door in strijd met hun rechtsplicht niet in te grijpen hebben de verdachten willens en wetens de kans aanvaard dat verdere mishandelingen zouden volgen en dat [baby] als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hof komt derhalve voor zowel de verdachte als zijn medeverdachte tot een bewezenverklaring voor het medeplegen van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, hetgeen de dood tot gevolg heeft gehad.

Met betrekking tot het onder 1C tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Bij de beoordeling van dit feit gaat het hof er van uit dat de steller van de tenlastelegging impliciet subsidiair mede gedoeld heeft op de mishandelingen in de tenlastegelegde periode die weliswaar niet fataal zijn geweest voor [baby], maar wel letsel teweeg hebben gebracht.

Hoewel niet duidelijk is geworden wie van beide verdachten in de tenlastegelegde periode het zwaar lichamelijk letsel bij [baby] heeft toegebracht, hebben beide verdachten, zoals hiervoor aan de orde is gekomen, wel toegegeven in deze periode [baby] herhaaldelijk "tikken" en "klappen" te hebben gegeven. Bovendien is in de tenlastegelegde periode door beide verdachten waargenomen dat [baby] letsel had, te weten een blauw oogje en een kapot lipje.

Het hof houdt de verdachten aan de hiervoor geciteerde verklaringen, aangezien de verdachten op die punten in hoofdlijnen wel consistent zijn geweest en het hof deze verklaringen wel betrouwbaar acht. Dat de verdachten over sommige details wisselend hebben verklaard doet daaraan niet af.

Ook acht het hof het niet geloofwaardig dat de verdachte de bekennende verklaringen heeft afgelegd om "de schuld op zich te nemen", zoals zijn raadsvrouw heeft gesteld66. De verdachte heeft namelijk ook verklaringen afgelegd die belastend zijn voor zijn medeverdachte. Toen hij de bekennende verklaringen aflegde stelde hij ook "we hebben beiden schuld".67

Ook is, blijkens de na te noemen rapportage van het Pieter Baan-centrum de intelligentie van de verdachten niet dermate laag dat reeds daarom getwijfeld zou moeten worden aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen.

Derhalve komt het hof tevens tot een bewezenverklaring voor het onder 1.C. tenlastegelegde medeplegen van mishandeling, hetgeen letsel ten gevolge heeft gehad.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

De verdachten moeten op de hoogte zijn geweest van de noodzaak van medisch ingrijpen bij [baby], hetgeen uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Op beide verdachten rustte als de ouders van [baby] bovendien de plicht om haar die noodzakelijke hulp te verschaffen. Beiden hebben nagelaten om medische hulp in te schakelen. Naar het oordeel van het hof zijn weliswaar meer oorzaken voor de dood van [baby] denkbaar, maar de verdachten hebben beiden het gevaar dat [baby] zou komen te overlijden aanmerkelijk vergroot doordat zij hebben nagelaten medische hulp in te schakelen. Het overlijden van [baby] kan dan ook redelijkerwijs mede aan de verdachte worden toegerekend als gevolg van diens nalaten tijdig en adequate medische hulp in te schakelen.

Het hof volgt hierbij niet de opvatting van de advocaat-generaal dat de onder 2 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid bestaande uit het overlijden of zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen, omdat het niet mogelijk is de dood toe te rekenen aan een aantal gedragingen of afzonderlijke feiten.68 Voor één gevolg kunnen namelijk meerdere strafrechtelijk relevante oorzaken bestaan.69 Dat de dood van [baby] mede is veroorzaakt door de onder 1 ten laste gelegde zware mishandeling is geen reden om niet ook het nalaten adequate hulp in te schakelen als oorzaak van haar dood aan te merken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1.B. subsidiair, 1.C., alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.B.

hij op of omstreeks 04 december 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [baby], geboren [geboortedag] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten scheuren in de schedelnaden van het schedeldak en vervorming van de rechterzijde van de schedel en een breuk in het schedeldak links en bloeduitstortingen in het schedeldak heeft toegebracht, door toen aldaar opzettelijk,

- excessief, botsend geweld op/tegen het hoofd van die [baby] uit te oefenen,

terwijl het feit omstreeks 04 december 2007 de dood van die [baby] ten gevolge heeft gehad;

EN

1.C.

hij in de periode van 12 november 2007 tot en met 04 december 2007 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend een persoon genaamd [baby], geboren [geboortedag] meermalen,

- tegen het lichaam heeft geslagen

terwijl deze feiten lichamelijk letsel voor die [baby] ten gevolge hebben gehad;

2.

hij in de periode van 12 november 2007 tot en met 04 december 2007, tezamen en in vereniging met een ander, te Rotterdam, opzettelijk een kind, [baby], geboren [geboortedag], tot wiens onderhoud en verpleging en verzorging hij, verdachte, en zijn mededader, zijnde de ouder van die [baby], krachtens wet verplicht waren, in hulpeloze toestand hebben gebracht en gelaten,

immers hebben hij, verdachte en/of zijn mededader,

terwijl zij wisten dat die [baby] een (pasgeboren) zuigeling en - al daardoor - hulpbehoevend en afhankelijk was en zij wisten dat die [baby], ernstig letsel aan het hoofd had,

die [baby] aan haar lot overgelaten en adequate verzorging en verpleging en inschakeling van medische hulp/verzorging onthouden aan die [baby], terwijl voorgaande de dood van die [baby] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks - voor zover het hof dit nog nodig oordeelt - plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde het verweer gevoerd dat er sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand. De raadsvrouw voert daartoe aan dat de verdachte, door zijn angst zichzelf bloot te stellen aan een eventuele strafvervolging, niet verweten kan worden dat hij zijn rechtsplicht om hulp in te roepen voor [baby] heeft verzaakt.

Het hof verwerpt dit verweer. De stelling dat een ernstig gewond kind aan zijn of haar lot mag worden overgelaten, enkel en alleen omdat de verantwoordelijke persoon zich aan een eventuele vervolging blootstelt, vindt geen steun in het recht. Het hof is dan ook van oordeel dat van een situatie van overmacht in de zin van noodtoestand geen sprake is.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

Het feit is dus strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder feit 1.B., subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplegen van zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Ten aanzien van het onder feit 1.C. bewezenverklaarde:

Medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft,

en

medeplegen van opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij krachtens wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder feit 1.A. subsidiair, 1.B. primair, 1.C., alsmede ter zake van het onder feit 2 tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met de medeverdachte, zijn toenmalige partner, schuldig gemaakt aan ernstige mishandeling van hun baby. Hoewel onduidelijk is gebleven wie van de verdachten het fatale letsel heeft toegebracht, zijn zij beiden verantwoordelijk voor het afschuwelijke gevolg. Bovendien hebben zij samen, toen duidelijk was dat het kindje een dokter nodig had, hun dochter aan haar lot overgelaten en nagelaten de noodzakelijke medische hulp in te schakelen. De verdachten hebben daar uit eigen belang bewust van afgezien. Uiteindelijk is hun dochter ten gevolge van die mishandelingen overleden. Dergelijke feiten brengen behalve in de naaste omgeving van het gezin in de maatschappij gevoelens van ongeloof, verontwaardiging en onrust teweeg. Door feiten als deze wordt de rechtsorde ernstig geschokt.

Bij de strafoplegging heeft het hof tevens het volgende meegewogen.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het Pro Justitia rapport, d.d. 14 juli 2008 opgesteld en ondertekend door C.M. Deutekom, klinisch psycholoog, alsmede het Pro Justitia rapport, d.d. 6 augustus 2008, opgemaakt en ondertekend door P.C.A. van der Graaff, psychiater. Deutekom stelt in haar rapport dat de verdachte een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens heeft in de vorm van een verstandelijke handicap en dat zijn persoonlijkheid als gevolg van verwaarlozing in de jeugdjaren gebrekkig is ontwikkeld en zich kenmerkt door narcistische en antisociale trekken met de conclusie dat verdachte voor beide feiten als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt.

Van der Graaff concludeert in zijn rapport dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van afhankelijkheid van cannabis (milde vorm) en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke handicap en antisociale persoonlijkheidstrekken, zodat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt, en dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt. Beide deskundigen adviseren het hof aan de verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege op te leggen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport naar aanleiding van de observatie van verdachte bij FPA Palier, opgemaakt op 6 mei 2008 door M. Koerhuis, psychiater, die tot de conclusie komt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor ernstige psychopathologie in de zin van depressie of een psychose.

Het hof heeft ter terechtzitting van 15 mei 2009 de observatie van de verdachte in het Pieter Baan Centrum bevolen, aangezien Van der Graaff tijdens diens verhoor als deskundige in hoger beroep, in de zaak tegen de medeverdachte [moeder] is teruggekomen op zijn advies in zijn eerdere rapportage, waardoor - gezien de samenhang tussen de zaken - er bij het hof ook vragen rezen over de tot dan toe uitgebrachte Pro Justitia rapportage over de verdachte.

Deze observatie heeft geresulteerd in het rapport, d.d. 4 december 2009 opgemaakt en ondertekend door A.G.M. Weenink, GZ-psycholoog, alsmede door A.G.S. de Ranitz, psychiater. De deskundigen concluderen in hun rapport dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als volledig toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt, en dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt. Voorts achten zij geen grond aanwezig voor het geven van het advies om aan de verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging van overheidswege op te leggen.

Dit advies is gebaseerd op de vaststelling dat bij verdachte sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en ontwijkende trekken en cannabismisbruik. Omdat het onderzoek geen evidente stoornis in zijn agressieregulatie heeft opgeleverd kan op basis van zijn pathologie agressie, zeker excessieve agressie, niet worden verklaard en achten deze deskundigen verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde geheel toerekeningsvatbaar.

Het hiervoor vermeld oordeel van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum over de toerekeningsvatbaarheid met betrekking tot feit 2 is gebaseerd op de bevinding dat het laten gebeuren van zaken, het vermijden in te grijpen een houding is die zeer nauw aansluit bij de persoonlijkheid van verdachte, terwijl de beperkingen van verdachte, met name het intellectueel desorganiseren onder emotionele druk maken dat hij de gevolgen van zijn gedrag minder overziet.

Op grond van de beschouwingen en de conclusies van de deskundigen Weenink en De Ranitz komt het hof tot het oordeel dat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde geheel en het onder 2 bewezenverklaarde in licht verminderde mate dient te worden toegerekend. Het hof gaat uit van de rapportage van de laatstgenoemde deskundigen omdat deze - naar het hof voorkomt - grondiger is dan de eerdere Pro Justitia rapportage van de eerstgenoemde deskundigen.

Voorts is blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2010, de verdachte al eens is veroordeeld. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Door de verdachte wordt de ernst van de situatie totaal gebagatelliseerd. Terwijl beide ouders wisten dat [baby] zeer ernstig gewond was hebben zij haar aan haar lot over gelaten. De moeder is gaan slapen, daarna hebben beide ouders televisie gekeken en hebben zij samen een fles wijn leeg gedronken. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bij zijn laatste woord de onderhavige situatie aangemerkt als 'een klein dingetje' waarvoor hij moet vastzitten. Nu het hof geen TBS oplegt en tot een ander oordeel komt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte dan de rechtbank, ziet het hof daarin aanleiding een hogere gevangenisstraf dan de rechtbank op te leggen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Deze gevangenisstraf is hoger dan de gevangenisstraf van de medeverdachte, gezien de mate van haar toerekeningsvatbaarheid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 255, 257, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1.A., alsmede het onder 1.B. primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1.B. subsidiair, 1.C., alsmede het onder feit 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking, mr. A.L.J. van Strien en mr. D.J.C. van den Broek, in bijzijn van de griffier mr. C. Bossema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2010.

1 In de geciteerde passages zijn taal- en schrijffouten verbeterd. De gedeelten tussen vierkante haken bevatten zakelijke weergaven van verklaringen of verklarende opmerkingen.

2 Sectiebevindingen Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende de beantwoording van vragen inzake sectiebevindingen, NFI-zaaknummer 2007.12.05.164, kindje [baby], geboren [geboortedag], S2007-443, d.d. 19 december 2007 opgesteld en ondertekend door [naam [naam kraamhulp]-patholoog].

3 Proces-verbaal van verklaring getuige [getuige 1] (werkzaam als ambulance chauffeur in Rotterdam), nummer 2007410697-36, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 30.

4 Proces-verbaal van bevindingen inhoudende de uitgewerkte telefonische melding zoals gedaan bij de Centrale Post Ambulance, nummer 2007410697-28, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R. Mudde, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 37.

5 Zie noot 3.

6 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-49, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 105;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-93, d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 309, 321 en 340.

Dat de verdachten de wettige en/of biologische ouders van het kind zijn blijkt uit hun verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 januari 2010.

7 Rapportage Nederlands Forensisch Instituut, NFI-zaaknummer 2007.12.05.164, Sectie nummer 2007.443/VS097, d.d. 22 mei 2008 opgesteld en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog.

8 Rapportage Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende de beantwoording van aanvullende vragen betreffende het hersenonderzoek, zonder datum, NFI-zaaknummer 2007.12.05.164, Sectie 2007-443, opgesteld en ondertekend door dr. B. Kubat, arts en patholoog.

9 Sectiebevindingen Nederlands Forensisch Instituut, inhoudende de beantwoording van vragen inzake sectiebevindingen, NFI-zaaknummer 2007.12.05.164, kindje [baby], geboren [geboortedag], S2007-443, d.d. 19 december 2007 opgesteld en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog.

10 Vergelijk ook p. II-2 van de forensisch medische rapportage, Forum Educatief, Centrum voor forensische geneeskunde en gedragswetenschappen, 2008-001, d.d. 24 juli 2008 opgesteld en ondertekend door [naam forensisch arts], Forensisch arts, gevoegd in het dossier;

11 Rapportage Nederlands Forensisch Instituut, NFI-zaaknummer 2007.12.05.164, Sectie nummer 2007.443/VS097, d.d. 22 mei 2008 opgesteld en ondertekend door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog, p. 2 en 9.

12 Forensisch medische rapportage, Forum Educatief, Centrum voor forensische geneeskunde en gedragswetenschappen, 2008-001, d.d. 24 juli 2008 opgesteld en ondertekend door dr. [naam forensisch arts, Forensisch arts, p. II-1, gevoegd in het dossier

13 Proces-verbaal van verklaring getuige [naam kraamhulp], werkzaam als kraamverzorgster bij Zin Kraamzorg Little care, nummer 2007410697-55, d.d. 11 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar D. Jongeneel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 172.

14 Proces-verbaal van verklaring getuige [naam kraamhulp], werkzaam als kraamverzorgster bij Zin Kraamzorg Little care, nummer 2007410697-55, d.d. 11 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar D. Jongeneel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 172.

15 Proces-verbaal van verklaring getuige [getuige 2], werkzaam als psychiatrisch verpleegkundige bij Bavo Europoort, nummer 2007410697-66, d.d. 12 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren D. Jongeneel en B. Koedoot, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 189.

16 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697, documentcode 0802011000.V02, d.d. 29 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren H.F. Lucas en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 409.

17 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-102, d.d. 1 augustus 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 724.

18 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-32, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.A. de Wijs en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 73-75;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-78, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren B. Koedoot en I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 147, 151, 155;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-93, d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 322-323.

19 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 652-653 en 662;

proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-102, d.d. 1 augustus 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 718-720.

20 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-93, d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 348 en 451

21 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-102, d.d. 1 augustus 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 719.

22 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-49, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 111.

23 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 223 t/m 225.

24 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 229

25 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-14, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 71.

26 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-17, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.A. de Wijs en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 60.

27 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 248.

28 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-32, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.A. de Wijs en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 73-75;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-78, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren B. Koedoot en I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 147, 151 en 155.

29 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende het verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-51, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.A. de Wijs en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 120 en 121.

30 Opgenomen Vertrouwelijke Communicatie.

31 Proces-verbaal van bevindingen inhoudende de uitwerking van de opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen [moeder] en [vader], nummer 2007410697-95, d.d. 15 mei 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren I. Slagter en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 617.

32 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 269.

33 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 227;

Proces-verbaal van bevindingen inhoudende het verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-10, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R. Quispel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 9.

34 Proces-verbaal van bevindingen, nummer 2007410697-7, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M. Burg en B. van Hal, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 3;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 256.

35 proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-78, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren B. Koedoot en I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 126;

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 231;

proces-verbaal van verhoor van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 663

36 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 257.

37 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 258.

38 Proces-verbaal van bevindingen, nummer 2007410697-9, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R. Quispel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 7 en 8.

39 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 261.

40 Aldus de verklaring van de medeverdachte [moeder], zie het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 234;

zie ook het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-17, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M.A. de Wijs en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 66.

41 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 230.

42 Aldus de verklaring van de medeverdachte [moeder], zie het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 235;

43 Proces-verbaal van bevindingen, nummer 2007410697-10, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M. Burg en B. van Hal, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 2.

44 Proces-verbaal van verklaring getuige [getuige 1] (werkzaam als ambulance chauffeur in Rotterdam), nummer 2007410697-36, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 31.

45 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 228 t/m 234.

46 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 226.

47 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 265.

48 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 266

49 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-79, d.d. 19 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en M.A. de Wijs, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 271;

proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-93, d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 312.

50 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-49, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 111;

Proces-verbaal van bevindingen, nummer 2007410697-37, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Berwers en R.S. Groeneveld, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 35.

51 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-49, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 111;

52 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 677.

53 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 678.

54 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-102, d.d. 1 augustus 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 724-725.

55 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-78, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren B. Koedoot en I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 126.

56 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 226 t/m 231.

57 Zie hetgeen hiervoor is overwogen bij het kopje 4 december 2007.

58 Proces-verbaal van aantreffen dode baby, nummer 2007410697, d.d. 27 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren G.P.J. Beenen, J. Sietzema en W.F. de Planqué (2007410697 PV Groot) p. 3 en 4, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan".

59 Proces-verbaal van verklaring getuige [naam kraamhulp], werkzaam als kraamverzorgster bij Zin Kraamzorg Little care, nummer 2007410697-55, d.d. 11 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar D. Jongeneel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 171;

proces-verbaal van verklaring getuige [getuige 3], werkzaam als gezinsvoogd bij Stichting bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, nummer 2007410697-27, d.d. 6 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren D. Jongeneel en J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 57.

60 proces-verbaal van verklaring getuige [naam kraamhulp] (werkzaam als kraamverzorgster bij Zin Kraamzorg Little care), nummer 2007410697-55, d.d. 11 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar D. Jongeneel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 171;

proces-verbaal van verklaring getuige [getuige 2], werkzaam als psychiatrisch verpleegkundige bij Bavo Europoort, nummer 2007410697-66, d.d. 12 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren D. Jongeneel en B. Koedoot, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 189;

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-49, d.d. 9 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 113.

61 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 652-653 en 662;

proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-102, d.d. 1 augustus 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 718-720;

Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader], nummer 2007410697-93, d.d. 25 februari 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I. Slagter, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 348 en 451.

62 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 660.

63 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [vader] en van de medeverdachte [moeder] (kruisverhoor d.d. 26 februari 2008), nummer 2007410697-96, d.d. 16 april 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren H.F. Lucas en J.C.A. Stouthandel, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 535.

64 Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-14, d.d. 5 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 69.

65Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-77, d.d. 18 december 2007 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R. Mudde en S.G. Peker, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 234.

66 Zie p. 9 e.v. van de pleitnota, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2010, door mr. A.N. Slijters.

67 Proces-verbaal van het kruisverhoor van de verdachte [vader] en de medeverdachte [moeder], nummer 2007410697-101, d.d. 30 juli 2008 in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren R.S. Groeneveld en H.F. Lucas, gevoegd in het proces-verbaal "Josephlaan", p. 678.

68 Requisitoir ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 15 januari 2010, p. 331.

69 Vgl. J. De Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer 2009, p. 174; vgl. ook Hoge Raad 30 september 2003, LJN AF9666.