Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL0780

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
001448-08 en 001669-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hof wijst verzoek tot volledige kwijtschelding terugbetaling miljoenen uit drugshandel af

Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft op 22 januari 2010 een verzoek tot matiging van een groot aan de Staat te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen gelden, voornamelijk uit de handel in drugs, grotendeels afgewezen. Het Haagse hof verlaagde het verschuldigde bedrag van 22,5 miljoen Euro met 7,7 miljoen Euro in verband met tegenvallende opbrengsten van verkochte goederen om de schuld in te kunnen lossen.

Het hof besliste in 2005 dat de betrokken man aan de Nederlandse staat 22,5 miljoen Euro moet betalen, daar dit geld wederrechtelijk verkregen is. Het gaat hier om geld verkregen met name door handel in drugs. Van dit bedrag is inmiddels 10,6 miljoen Euro ingevorderd.

Op basis van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering heeft betrokkene bij het hof een verzoek tot volledige kwijtschelding van het resterende bedrag ingediend, daar verzoeker te weinig middelen zou hebben om de schuld in te kunnen lossen. Het hof heeft het bedrag gematigd met 7,7 miljoen Euro. De verkoop van in beslag genomen auto’s leverde 7,2 miljoen Euro op in plaats van de beraamde 14,3 miljoen Euro en de verkoop van een huis 3 ton in plaats van de gecalculeerde 1 miljoen Euro. Voor het overige zag het hof geen aanleiding de resterende vordering kwijt te schelden van de man die nu weer een gevangenisstraf uitzit voor nieuwe drugszaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 109
JOW 2010, 38

Uitspraak

AV-Nummers 001448-08 en 001669-08

Rolnummer 22-002429-02 PO

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

Op de vordering van de advocaat-generaal van dit hof tot verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang op grond van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering en naar aanleiding van een verzoekschrift op grond van artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering ingediend namens na te noemen verzoeker:

[veroordeelde/verzoeker]

[geboortedatum]

[geboorteplaats]

[adres]

Procesgang

Vordering ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering

Aan de veroordeelde is bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 7 september 2005 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot het betalen aan de Staat van een bedrag van

EUR 22.500.000,-.

Het arrest is ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB).

De advocaat-generaal heeft op 20 oktober 2008 een vordering ‘verlof tenuitvoerlegging lijfsdwang’ ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering voor de duur van 1095 dagen bij dit gerechtshof ingediend.

Aan bovengenoemde vordering van het openbaar ministerie is ten grondslag gelegd dat de uitwinning van de gelegde beslagen heeft plaatsgevonden en dat dit tot op de datum van de indiening van de vordering een totaalbedrag van

EUR 9.720.128,92 heeft opgeleverd de datum van de indiening van de vordering, zodat de restantvordering

EUR 12.779.871,08 bedraagt. Dit restantbedrag is exclusief de deurwaarderskosten.

Aan bovengenoemde vordering van het openbaar ministerie is tevens ten grondslag gelegd dat de veroordeelde geen inzicht wenst te geven in zijn vermogen en uitgavenpatroon.

Verzoek ex artikel 577b, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering

Aan de veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 7 september 2005 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot het betalen aan de Staat van een bedrag van EUR 22.500.000,-.

Veroordeelde heeft bij een op 2 december 2008 ter griffie van dit hof binnengekomen verzoekschrift verzocht het door het hof opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, te matigen tot nihil voor zover nog niet aan de ontnemingsmaatregel is voldaan.

Behandeling in raadkamer

De voormelde vordering en voornoemd verzoek zijn door het hof op 3 december 2008, 25 maart 2009 en op 11 december 2009 in het openbaar in raadkamer behandeld. Daar zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadslieden mr. K.A. Krikke, advocaat te Amersfoort en mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam en de advocaat-generaal, mr. M. ter Hart.

Verzoek tot aanhouding

Door de verdediging is een verzoek gedaan tot aanhouding van de behandeling in raadkamer, op gronden die zijn weergegeven van de aan deze beschikking gehechte pleitnota’s, alsmede de mondelinge aanvulling hierop. Het verzoek houdt in hoofdzaak in dat aanhouding van de behandeling van de zaak dient te volgen nu de volgende stukken ontbreken:

-een overzicht van al hetgeen in de Verenigde Staten in beslag is genomen en wat de betreffende zaken hebben opgeleverd;

-een bescheid betreffende het saldo van de rekening in Luxemburg;

-een overzicht van de roerende goederen die in Blaricum in beslag zijn genomen, wat die hebben opgebracht en waar het geld is gebleven.

Voorts is het naar de mening van de verdediging wenselijk de uitspraak van de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (LJN BD0932 d.d. 14 april 2008) af te wachten.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Voor zover het verzoek van de verdediging ziet op aanhouding van de behandeling in raadkamer omtrent de vordering lijfsdwang ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering, wijst het hof voornoemd verzoek af gelet op de hierna door het hof te nemen beslissing. Voor wat betreft het verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering is het hof van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot aanhouding van de behandeling in raadkamer, nu het hof nader onderzoek niet van belang acht voor enige door het hof te nemen beslissing. Ook overigens is het hof voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen in de onderhavige zaak zonder de uitspraak van de Hoge Raad betreffende een vergelijkbare zaak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (LJN BD0932 d.d. 14 april 2008)af te wachten.

Beoordeling van het verzoek ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

Het verzoek is – kort en zakelijk weergegeven - gestoeld op de grond dat:

1) het hof met betrekking tot de op p. 9 e.v. van de conclusie d.d. 7 december van A. Krikke genoemde uitgaven er aan voorbij is gegaan dat de veroordeelde dit geld niet meer heeft (en in zoverre de rechtmatige toestand is bereikt);

2) de veroordeelde delen van zijn vermogen had ondergebracht bij derden, welk vermogen veroordeelde vervolgens (gedeeltelijk) kwijt is geraakt;

3) de waarde die door het hof bij het bovengenoemde ontnemingsarrest is toegekend aan het huis te Blaricum en Investment Cars achteraf te hoog blijkt te zijn geweest;

4) de veroordeelde geen inkomsten of vermogen heeft, onder meer omdat hij thans in voorlopige hechtenis verblijft. Ook in de toekomst valt volgens de verzoeker niet te verwachten dat hij voldoende draagkracht zal hebben om aan de vordering te voldoen.

Het hof merkt dienaangaande het volgende op.

Artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering opent de mogelijkheid voor vermindering of

kwijtschelding van het vastgestelde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel. Dit kan onder meer gebeuren op grond van onvoldoende draagkracht dan wel verdiencapaciteit van de veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis is het daarbij echter steeds de veroordeelde die aannemelijk moet maken dat hij niet in staat is aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van dat geldbedrag te voldoen, en dat er niets slechts sprake is van betalingsonwil (KII, 2001–2002, 28 079, nr. 3 p. 16).

Voorts brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee dat de in artikel 577b Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschriftprocedure, behoudens de gevallen als bedoeld in het derde lid van die bepaling, niet kan worden aangewend om de in een onherroepelijk ontnemingsarrest genomen beslissingen ter discussie te stellen. Om die reden wijst het hof het verzoek af, voor zover het gestoeld is op de stelling dat gedane uitgaven dienen te leiden tot een lagere betalingsverplichting (grond 1 van het verzoek).

Ook de door de veroordeelde genoemde acties van derden die hebben geleid tot vermogensvermindering (grond 2 van het verzoek), waaronder een mogelijk onrechtmatige verhypothekering van het huis van de veroordeelde in Blaricum door de heer X en de vervreemding van aan de veroordeelde toebehorende auto’s leveren op zichzelf geen grond tot matiging op. Dat de veroordeelde door eigen toedoen bepaalde vermogensbestanddelen kwijt is geraakt, leidt op zichzelf niet tot een verlaging van zijn betalingsverplichting.

Wel kan waardedaling van een verhaalsobject grond zijn tot matiging, indien aannemelijk wordt dat de draagkracht van de veroordeelde hierdoor is aangetast (grond 3 van het verzoek). Naar het oordeel van het hof is dit laatste het geval gezien de extreem lage beslagopbrengst van de inbeslaggenomen auto’s en van de woning van de veroordeelde in Blaricum.

Van belang hierbij is dat in het ontnemingsarrest van 7 september 2005 het hof is uitgegaan van een waarde van de onderneming (dat wil zeggen met name van de inbeslaggenomen auto’s) van in totaal fl 31.458.446 (afgerond EUR 14.275.220). De beslagopbrengst is echter veel lager, namelijk:

1) in Nederland EUR 4.916.709,05;

2) in de VS maximaal EUR 2.306.808,87 (totaal beslagopbrengst in de VS van EUR 3.979.535,87 minus de waarde van de beslagopbrengst van het onroerend goed in de VS, volgens opgave van de veroordeelde in raadkamer ongeveer

EUR 1.672.727).

Het hof zal gezien deze lage beslagopbrengst van in totaal EUR 7.223.517,92 de betalingsverplichting verminderen met

EUR 7.051.702 08. (EUR 14.275.220 - EUR 7.223.517,92)

Ook neemt het hof in aanmerking dat het hof in het ontnemingsarrest van 7 september 2005 is uitgegaan van een waarde van de inbeslaggenomen woning van de veroordeelde in Blaricum van in totaal EUR 952.938,45

(fl 2.100.000), terwijl de beslagopbrengst slechts EUR 318.189,30 was. Om die reden zal het hof de betalingsverplichting verminderen met EUR 634.749,15.

Het voorgaande leidt tot een vermindering van de oorspronkelijk opgelegde betalingsverplichting van EUR 22.500.000,- met EUR 7.686.451,- (EUR 7.051.702,- + EUR 634.749,-) tot EUR 14.813.549,-. Naar het oordeel van het hof is aldus tevens voldoende aan het standpunt van de veroordeelde dat de zijns inziens weinig succesvolle tegeldemaking van zijn bezit door het openbaar ministerie niet op hem mag worden afgewenteld.

Nu overigens niet is komen vast te staan of aannemelijk is geworden dat veroordeelde in de toekomst, wanneer hij weer vrij komt, geen inkomsten zal (kunnen) verwerven en evenmin duidelijkheid bestaat in hoeverre veroordeelde (nog) over enig wederrechtelijk verkregen voordeel beschikt, is voor volledige kwijtschelding van de nog openstaande betalingsverplichting geen plaats (grond 4 van het verzoek).

Daarbij is gelet op de leeftijd van de veroordeelde (thans 54 jaar), de in het verleden gebleken verdiencapaciteit van de veroordeelde als autohandelaar alsmede met zijn toekomstige verdiencapaciteit (onder andere) als projectontwikkelaar, alsmede op de ingevolge artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijke verjaringstermijn van het recht tot uitvoering van de ontnemingsmaatregel. Voorshands ziet het hof evenmin aanleiding om de nog resterende vordering gedeeltelijk kwijt te schelden.

Het verzoek zal daarom slechts in zoverre worden toegewezen, dat de ontnemingsmaatregel zal worden verminderd tot een bedrag van EUR 22.500.000,- - EUR 7.686.451,- = EUR 14.813.549 (waarvan blijkens de opgave van het CJIB d.d. 24 maart 2009 reeds EUR 10.616.847,94 is geëxecuteerd).

Beoordeling van de vordering ex artikel 577c Wetboek van Strafvordering

Indien de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest, waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van de officier van justitie verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen.

De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij de gevorderde 1095 dagen lijfsdwang, aangezien er volgens de advocaat-generaal nog een vordering tegen de veroordeelde open staat van EUR 12.779.871,08 en de veroordeelde zich tot op heden niet heeft gewend tot het CJIB met een aanbod tot betaling (van een deel) van het door het hof vastgestelde ontnemingsbedrag.

Door de veroordeelde is hiertegen onder meer ingebracht dat de veroordeelde geen draagkracht meer heeft en er derhalve sprake is van betalingsonmacht. Ook is aangevoerd dat de toepassing van lijfsdwang niet opportuun is aangezien de veroordeelde thans voorarrest ondergaat en het te verwachten valt dat hij nog lange tijd zal vast zitten gezien de ernst van de feiten waarvan hij wordt verdacht.

Het hof is – alles overwegende – van oordeel dat de toepassing van lijfsdwang thans niet opportuun is, aangezien de veroordeelde op dit moment reeds ”uit anderen hoofde” van zijn vrijheid is beroofd, welke vrijheidsberoving naar verwachting geruime tijd zal duren. Bovendien zou de veroordeelde door de oplegging van de vordering lijfsdwang niet in de gelegenheid worden gesteld om zijn verdiencapaciteit, welke het hof aanneemt, aan te wenden voor de betaling van de restschuld. Het hof zal daarom de - thans ingediende - vordering tot tenuitvoerlegging van de lijfsdwang afwijzen.

Beslissing:

Het hof:

Wijst de vordering ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering af;

Wijst het verzoek ex artikel 577b, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering in dier voege toe, dat het vanaf nu nog te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot een bedrag van

EUR 14.813.549,-

(veertien miljoen achthonderddertienduizend vijfhonderdnegenenveertig EURO)

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Reinking, A.L.J. van Strien en C.M.G. van Rijnberk, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 januari 2010.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.