Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:BL0534

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
26-01-2010
Zaaknummer
24-003225-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2007:BB7894, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer met betrekking tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte is verworpen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het afleveren, verstrekken en vervoeren van ruim 7 kilogram amfetamine en/of tenamfetamine/MDA en aan het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden amfetamine en MDMA en tenamfetamine/MDA.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diverse voorbereidingshandelingen, onder meer met betrekking tot de zojuist genoemde stoffen, in de zin van de Opiumwet.

Voor die delicten volgt veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-003225-07

parketnummer eerste aanleg: 10-603033-05

Arrest van 25 januari 2010 van het gerechtshof 's Gravenhage, zitting houdende te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Rotterdam heeft bij het hierboven genoemde vonnis het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van het in feit 4, onder b, ten derde ten laste gelegde, heeft de verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 1, 2 primair, 2 subsidiair en 6 ten laste gelegde en heeft de verdachte ter zake van de onder 2 meer subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde misdrijven veroordeeld tot een straf, en heeft beslist op de in beslag genomen voorwerpen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. De officier van justitie heeft het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep ter kennis van de verdachte gebracht.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 29 september 2008, 21 september 2009 en 11 januari 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep van de verdachte is gericht tegen de gegeven vrijspraken ter zake van het onder 1 en 6 aan hem ten laste gelegde, kan de verdachte daarin niet worden ontvangen.

Ter terechtzitting is door de advocaat-generaal meegedeeld dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak ter zake van het onder 1 aan de verdachte ten laste gelegde, wegens gebrek aan belang.

Het hof zal de verdachte en de officier van justitie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in hun hoger beroep.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft, met inachtneming van vorenstaande mededeling, gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken ter zake van het onder 2 primair, 2 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde en dat het hof de verdachte ter zake van het onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen eensluidend zal beslissen als de rechtbank daarover heeft beslist.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover het betrekking heeft op de ten laste gelegde feiten onder 2 tot en met 6, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep van belang, met toepassing van de artikelen 261, derde lid, en 314a van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg, ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 27 februari 2006, althans in of omstreeks februari 2006, in het gerechtelijk ressort Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet), (immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders of een of meer van hen na te noemen middel(en) met bestemming naar het buitenland vervoerd en/of ten vervoer aangenomen en/of ten vervoer aangeboden) ruim 7070 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden, van een materiaal, bevattende amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleendioxyamfetamine), zijnde amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

althans indien terzake van het vorenstaande onder 2. geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, terzake dat

[medeverdachte 1] op of omstreeks 27 februari 2006, althans in of omstreeks februari 2006, in het gerechtelijk ressort Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) (immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededaders of een of meer van hen na te noemen middel(en) met bestemming naar het buitenland vervoerd en/of ten vervoer aangenomen) ruim 7070 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden, van een materiaal, bevattende amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleendioxyamfetamine), zijnde amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op laatst vermelde tijd en plaats aan die [medeverdachte 1] en/of een of meer van diens mededaders die amfetamine en/of tenamfetamine/MDA ter beschikking te stellen;

althans indien terzake van het vorenstaande onder 2. geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 27 februari 2006, althans in of omstreeks februari 2006, in het gerechtelijk ressort Leeuwarden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd ruim 7070 gram, althans een hoeveelheid of hoeveelheden, van een materiaal, bevattende amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleen-dioxyamfetamine), zijnde amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 juli 2006, in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk

-heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/of

aanwezig heeft gehad en/of heeft vervaardigd (op de/het adressen [adres] te[plaats 1] en/of [adres] te [plaats 2] en/of [adres] te [plaats 3]) een of meer hoeveelheden van een materiaal, bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleendioxyamfetamine) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine, zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleendioxyamfetamine) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, in ieder geval (telkens) materiaal bevattende enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 13 juli 2006 in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of [gemeente 3] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (oude tekst) en/of het vierde of vijfde lid van dat artikel (nieuwe tekst), te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen

a. een of meer anderen heeft getracht te bewegen dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of

b. zich of een ander of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit/die feiten heeft getracht te verschaffen

immers heeft verdachte tezamen met zijn mededader(s) en/of alleen, toen daar, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk daartoe

-bemiddeld bij en/of inlichtingen verschaft tot de mogelijke aanschaf door een ander van een tabletteermachine (voor het slaan van harddrugs bevattende pillen of tabletten) en/of die machine op bruikbaarheid heeft bekeken en/of informatie daarover heeft doorgegeven aan een of meer belangstellende(n) voor die machine, en/of

-stoffen, die gebruikt konden worden voor of bij de productie van synthetische drugs,

te weten rode fosfor en/of propiofenon en/of jodium(korrels), overgedragen of

geleverd aan een ander of anderen en/of

-ongeveer 7070 gram, althans hoeveelheden of een hoeveelheid, van een materiaal,

bevattende amfetamine en/of tenamfetamine/DMA (3,4-methyleendioxyamfetamine),

overgedragen aan [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of

-een of meer perso(o)n(en), die in het bezit was/waren van een grote hoeveelheid

materiaal bevattende MDMA, althans enig middel bedoeld in lijst I behorende bij de

Opiumwet, en/of van een hoeveelheid platinumoxide (te gebruiken voor of bij de

productie van synthetische drugs), benaderd en te kennen gegeven die goederen of een

deel daarvan te willen overnemen of daarin te (willen) bemiddelen en/of

c. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, te weten

een druk-reactievat, rode fosfor en/of propiofenon en/of jodiumkorrels , een elektromotor, een drukvaatje (hoogte ca. 28 cm) en/of een aantal gasflessen

(-o.a.- gevuld met zoutzuur en/of methylamine) en/of amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine/MDA en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en/of metamfetamine [zijnde dit (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I] en/of methylamine en/of ethanol methylammoniumchloride en/of aceton en/of zoutzuur en/of mierenzuur en/of PMK en/of BMK en/of een of meer reactievat(en) en/of laboratoriumglaswerk en/of een/of meer pompen en/of schei-trechters en/of een drukvat (ca. 66 cm hoog), temperatuurmeters, roerapparaten en/of een kantelapparaat en/of diverse andere stoffen en/of goederen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of (telkens) ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die/dat bestemd waren/was tot het plegen van dat/die feit(en);

5.

hij in de periode van 22 februari 2006 tot en met 13 juli 2006, in de gemeente(n) [gemeente 1] en/of [gemeente 2] en/of elders in Nederland,

a. als marktdeelnemer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een of meer geregistreerde stof(fen) van categorie 1 van bijlage 1 van de Verordening nr.273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten piperonylmethylketon (PMK), vermeld onder het synoniem

3,4-methyleendioxy-fenylpropaan-2-on, en/of benzylmethylketon (BMK), onder het synoniem 1-fenyl-2-propanon, zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in zijn bezit heeft gehad en/of in de handel heeft gebracht

en/of

b. als marktdeelnemer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorval(len) met betrekking tot geregistreerde stoffen dat/die er op wees/wezen of kon(den) wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stof(fen) wellicht misbruikt zou(den) worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, de geregistreerde stoffen piperonylmethylketon (PMK), vermeld onder het synoniem 3,4-methyleen-dioxy-fenylpropaan-2-on, en/of benzylmethylketon (BMK), onder het synoniem

1-fenyl-2-propanon zoutzuur en/of aceton overgedragen gekregen, althans verkregen en voorhanden gehad en daarvan (telkens) opzettelijk niet onverwijld kennis gegeven als bovenbedoeld;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot 13 juli 2006, in het gerechtelijk ressort Leeuwarden en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, waaraan behalve verdachte, tevens [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 2] deelnamen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk

-binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of

-verkopen, afleveren, bewerken, verwerken, bereiden, verstrekken en/of vervoeren en/of

-aanwezig hebben en/of

-vervaardigen van een of meer middelen, bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of een of meer middelen, aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en/of

-plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet en/of

-al dan niet als marktdeelnemer vervaardigen en/of in de handel brengen van geregistreerde stoffen die worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en/of psychotrope stoffen en/of het voorhanden hebben van die stoffen, en/of

-al dan niet als marktdeelnemer niet onverwijld de bevoegde instanties in kennis stellen van voorvallen met betrekking tot geregistreerde stoffen die er op wezen of konden wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zouden worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen en/of

-het witwassen van voorwerpen van enig misdrijf afkomstig en/of

-het plegen van heling dan wel schuldheling,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen met een of meer anderen, oprichter, leider en/of bestuurder van die organisatie was.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Gelet op de omstandigheid dat de onder feit 4, sub b, 3e gedachtestreepje genoemde voorbereidingshandeling (tevens) als voltooid delict is ten laste gelegd onder feit 2 en de verdachte ter zake van hetzelfde feitencomplex niet vervolgd kan worden voor zowel het voltooide delict als voor de voorbereidingshandeling, zal het hof de officier van justitie met betrekking tot de onder feit 4, sub b, 3e gedachtestreepje ten laste gelegde voorbereidingshandeling niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de verdachte.

Verweer van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting van 11 januari 2010 in zijn zaak een verweer gevoerd, welk verweer strekt tot algehele niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, op de grond - zo begrijpt het hof - dat doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gehandeld door het openbaar ministerie, waardoor de verdachte geen eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft gehad.

Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de verdachte 31 punten van kritiek op het politie-onderzoek en op het optreden van het openbaar ministerie aangevoerd.

De aangevoerde punten houden zakelijk weergegeven het verwijt in dat er sprake is geweest van bewuste misleiding, manipulatie, het weglaten van essenti?le informatie uit het politie-onderzoek en het verdraaien van feiten, gericht op het veroordeeld krijgen van de verdachte en/of ??n of meer medeverdachten.

Het hof ziet geen aanwijzingen op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat sprake is van misleiding, manipulatie, omissies en verdraaiing van feiten door de politie of het openbaar ministerie, als door de verdachte is aangevoerd.

Er is sprake van een politie-onderzoek waarin in de beginfase op basis van niet volledige informatie een opsporingsonderzoek wordt verricht. In die beginfase is sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit of strafbare feiten, zonder dat op voorhand duidelijkheid bestaat over alle relevante feiten en/of omstandigheden.

Onder die omstandigheden is het niet op voorhand onzorgvuldig dat in de loop van het onderzoek bepaalde aannames en/of veronderstellingen, gebaseerd op onderzoeksresultaten van dat moment, met betrekking tot handelingen van de verdachte en/of medeverdachten worden gedaan. Het (verdere) opsporingsonderzoek is immers (mede) gericht op het nader onderzoeken en/of onderbouwen van die aannames en/of veronderstellingen. De omstandigheid dat uiteindelijk - na het bekend worden van de onderzoeksresultaten - geconcludeerd moet worden dat niet al die aannames en/of veronderstellingen kunnen worden onderbouwd of gestaafd met onderzoeksresultaten, is in een onderzoek van deze omvang niet uitzonderlijk. Belangrijker is echter dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte door feilen in het politie-onderzoek in zijn verdedigingsbelang is geschaad.

Tevens is niet gebleken of aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Omstandigheden die op dit punt tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn het hof niet gebleken.

Het hof verwerpt op grond van het bovenstaande het door de verdachte gevoerde verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Verweren van de raadsman van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 11 januari 2010 een verweer gevoerd, welk verweer strekt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, op de grond - zo begrijpt het hof - dat doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gehandeld door het openbaar ministerie, waardoor de verdachte geen eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft gehad.

Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de raadsman van de verdachte punten van kritiek aangevoerd met betrekking tot de wijze van inzet van het observatieteam op 27 februari 2006.

Zakelijk weergegeven houdt die kritiek het verwijt in dat door het achterwege laten van een observatie op die dag van de verdachte aan hem een verdedigingsmiddel is ontnomen. De verdachte had immers, indien hij op die dag zou zijn geobserveerd, aan de hand van het observatieverslag kunnen aantonen dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Ook hier ziet het hof geen aanwijzingen op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat sprake is van nalatigheid of manipulatie door de politie, als door de raadsman van de verdachte is aangevoerd. Het hof heeft hierbij met name acht geslagen op hetgeen [plaatsvervangend teamleider Crius onderzoek] op 17 maart 2009 bij de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Groningen, onder meer heeft verklaard over de wijze van inzet van het observatieteam op 27 februari 2006 te weten:

Ik was destijds plaatsvervangend teamleider bij het Crius-onderzoek. Ik ben op de achterhand betrokken geweest bij de inzet van het observatieteam, maar ik ben op 27 februari 2006 niet betrokken geweest bij het aansturen van het team.

De afweging wie en wat er zou worden geobserveerd, lag destijds bij de teamleiding, onder andere bij mij dus.

Het klopt wel dat [verdachte] de bewuste ochtend niet is geobserveerd. De reden hiervoor was dat de observatie volgens mij gericht was op [medeverdachte 2]. We hadden uit getapte telefoongesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] begrepen dat er de bewuste dag mogelijk een levering zou plaatsvinden. Ik denk dat wij er toen voor gekozen hebben [medeverdachte 2] te observeren, in verband met de afspraak die hij de bewuste dag met [medeverdachte 1] had.

Er is destijds dus voor gekozen om de afspraak tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] te observeren. Ik weet nu niet meer precies wat de afweging is geweest om [verdachte] de bewuste ochtend niet te observeren.

Uit de afgeluisterde telefoongesprekken hadden we geconcludeerd dat er de bewuste dag mogelijk een levering van een partij amfetamine van [verdachte] aan [medeverdachte 2] en van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] zou plaatsvinden.

Het observatieteam is die ochtend niet naar de [adres] gegaan.

Ik vermoed dat dit niet is gebeurd omdat het observatieteam toen niet in staat was [verdachte] onder controle te krijgen. Ik herinner mij dat wij er door werden verrast dat [verdachte] de bewuste ochtend al vroeg in beweging was.

Het observatieteam is pas in actie gekomen nadat [verdachte] aan de [adres] was geweest.

Wanneer wij van tevoren hadden geweten dat [verdachte] die ochtend vroeg naar de [adres] zou gaan, denk ik dat wij dit ook hadden willen observeren.

Het ging erom dat de mogelijke levering van [verdachte] of [medeverdachte 2] of van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] zou worden geobserveerd. De opdracht aan het observatieteam zal zijn geweest om [medeverdachte 2] onder controle te houden en eventuele ontmoetingen met [verdachte] of [medeverdachte 1] vast te leggen.

Uit vorenaangehaalde verklaring volgt naar het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat de verdachte de bewuste dag niet is geobserveerd samenhangt met tactische inzichten bij de leiding van het opsporingsonderzoek, alsmede praktische inzetbaarheid van het observatieteam.

Niet gezegd kan worden dat men zich bij het maken van de keuzes omtrent de inzet van dit opsporingsmiddel door andere motieven heeft laten leiden. Meer in het bijzonder is niet aannemelijk gemaakt of geworden dat het onthouden van verweermiddelen aan de verdachte hieraan ten grondslag heeft gelegen.

Vorenstaande leidt tot het oordeel dat niet is gebleken of aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, in die zin dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Omstandigheden die op dit punt tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn het hof niet gebleken.

Het hof verwerpt op grond van het bovenstaande het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 2 aan de verdachte ten laste gelegde.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van 11 januari 2010 voorts een verweer gevoerd, welk verweer strekt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 6 ten laste gelegde, voor zover het betreft de periode van 1 juli 2006 tot en met 13 juli 2006 voor zover de tenlastelegging ziet op delicten ingevolge de Opiumwet. Dit op de grond dat niet het bepaalde in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, maar het per 1 juli 2006 ingevoerde artikel 11a van de Opiumwet als lex specialis op dit feitencomplex van toepassing is, aldus de raadsman.

Het hof volgt de raadsman in dit laatstgenoemde verweer en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging ter zake van het onder 6 ten laste gelegde, voor zover het betreft de periode van 1 juli 2006 tot en met 13 juli 2006 en voor zover de tenlastelegging ziet op delicten ingevolge de Opiumwet.

Vrijspraak ter zake van de feiten 2 primair, 2 subsidiair, 5 en 6

Met de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair, 2 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de vrijspraak ter zake van feit 5 overweegt het hof het volgende.

Aan de verdachte is onder 5 ten laste gelegd dat hij artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën heeft overtreden.

Uit de 'nota naar aanleiding van het verslag' behorend bij de Wet voorkoming misbruik chemicali?n volgt dat de wetgever door een combinatie van voorschriften heeft beoogd 'een sluitend systeem' te bewerkstelligen dat (rechts)personen die betrokken zijn bij de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen uitsluit van deelname aan de reguliere productie van en handel in daartoe geschikte chemicali?n.

De Wet voorkoming misbruik chemicali?n duidt de voor misbruik geschikte chemicali?n aan als geregistreerde stoffen.

Deze geregistreerde stoffen zijn, afhankelijk van de gevoeligheid voor misbruik, ondergebracht in een drietal in bijlage I bij de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren vermelde categorieën. Naarmate een categorie een groter risico op misbruik in zich draagt, gelden meer voorschriften ten aanzien van de vervaardiging en het in de handel brengen van de betreffende geregistreerde stoffen.

Ten aanzien van de meest risicovolle geregistreerde stoffen (categorieën 1 en 2 uit de genoemde bijlage I) kunnen die voorschriften inhouden dat documentatie van transacties, etikettering van stoffen, opgave van adressen van de gebruikte bedrijfsruimte en/of een vergunning tot vervaardiging of het in de handel brengen zijn vereist. De stoffen PMK en BMK behoren tot de hierboven bedoelde categorie 1.

In het toezicht op voorkoming van misbruik van deze categorie?n geregistreerde stoffen wordt voorzien door deelnemers aan het handelsverkeer vergunningplichtig te maken ter zake van het vervaardigen of in de handel brengen van die stoffen, en hen te verplichten de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen genoemd in artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

In verband met een geringer risico op misbruik gelden deze voorschriften niet voor geregistreerde stoffen die zijn ondergebracht in categorie 3 uit de genoemde bijlage I. De stoffen aceton en zoutzuur behoren tot deze categorie 3.

In het toezicht op voorkoming van misbruik van deze categorieën geregistreerde stoffen wordt tevens voorzien door deelnemers aan het handelsverkeer te verplichten de bevoegde instanties onverwijld in kennis te stellen van alle voorvallen, genoemd in artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

De bewoordingen van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, in samenhang beschouwd met de hiervoor beschreven systematiek en parlementaire geschiedenis van die wet, impliceren dat de wetgever zich in deze bepaling niet richt op deelnemers aan het handelsverkeer die zich schuldig maken aan (voorbereiden of bevorderen van) de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen met behulp van de in de handel te brengen geregistreerde stoffen.

Bovendien zou uitbreiding van de strafbaarstelling tot deze deelnemers aan het handelsverkeer als (onaanvaardbare) consequentie hebben dat zij zich door het voldoen aan die verplichting voornoemde bevoegde instanties in kennis te stellen zouden belasten en blootstellen aan vervolging ter zake van misdrijven die zijn strafbaar gesteld in de Opiumwet.

Met de advocaat-generaal en de verdediging, is het hof van oordeel dat de in artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën vervatte norm niet op de verdachte betrekking heeft en niet tot hem is gericht. Nu de verdachte niet kan worden aangemerkt als deelnemer aan het handelsverkeer als bedoeld in voormeld artikel 2, kan dat bestanddeel van de tenlastelegging niet worden bewezen.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 2 meer subsidiair

Het hof heeft - evenals grotendeels de rechtbank - acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

* de telefoongesprekken die tussen 20 en 27 februari 2006 zijn gevoerd tussen enerzijds [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en anderzijds [medeverdachte 2] en de verdachte, uit welke telefoongesprekken blijkt dat er iets stond te gebeuren;

* het peilbaken-onderzoek, waarbij een peilbaken onder de auto van de verdachte is geplaatst, en waaruit blijkt dat de verdachte in de vroege ochtend van 27 februari 2006 in zijn loods aan de [adres] te [plaats 2] is geweest en dat hij daarna aan de [adres] te [plaats 4], zijnde het toenmalige woonadres van [medeverdachte 2], is geweest;

* de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van het hof van

11 januari 2010, voor zover inhoudende dat hij in de ochtend van 27 februari 2006 eerst aan de [adres] te [plaats 2] en daarna aan de [adres] te [plaats 4] is geweest, waar hij met [medeverdachte 2] in diens woning heeft gesproken;

* de waarnemingen van het observatieteam in de ochtend van 27 februari 2006, waarbij is waargenomen dat [medeverdachte 2] op de parkeerplaats van Hotel [naam] te [plaats 4] een ontmoeting heeft met twee mannen die rijden in een Volvo met het kenteken [kenteken] en dat [medeverdachte 2] aan één van de mannen een rode gevulde sporttas geeft en dat deze sporttas op de achterbank van de Volvo wordt gezet;

* de aanhouding van [medeverdachte 1] op 27 februari 2006 om 12.06 uur, waarbij in de auto waarin hij rijdt, een Volvo met het kenteken [kenteken], een tas met daarin plastic zakken, die zijn afgebonden met tie-rips, met in totaal een hoeveelheid van 7070 gram amfetamine/MDA wordt aangetroffen;

* de overeenkomst tussen de in de rode sporttas aangetroffen plastic zakken en tie-rips met de plastic zakken en tie-rips die bij de zoeking op 13 juli 2006 in de loods van de verdachte aan de [adres] te [plaats 2] zijn aangetroffen;

* de door het observatieteam gedane observatie, waarbij is geconstateerd dat de verdachte eerder met een soortgelijke rode sporttas als hierboven genoemd is gezien;

* het onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), waarbij een monster van de aangetroffen 7070 gram amfetamine/MDA is vergeleken met een monster van op 13 juli 2006 in de loods van de verdachte aan de [adres] te [plaats 2] aangetroffen resten amfetamine/MDA, waarbij het NFI heeft aangegeven, dat er een grote overeenkomst in het verontreinigingspatroon van de monsters bestond, welke grote overeenkomst duidt op een gemeenschappelijkheid, hieronder te verstaan een identieke en identiek uitgevoerde receptuur en/of productielaboratorium. Het verschil tussen de monsters duidt erop dat er geen sprake is van één en dezelfde productiecharge;

* het NFI rapport van 1 maart 2006, waaruit blijkt dat de 7070 gram amfetamine/MDA is.

Het hof betrekt hierbij dat de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie en als getuige bij de rechter-commissaris niets heeft verklaard over het in ontvangst nemen van een doos van de verdachte in de ochtend van 27 februari 2006 en uitdrukkelijk heeft verklaard slechts stoelen van de verdachte te hebben afgenomen.

De door de verdachte ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2010 afgelegde verklaring, inhoudende dat hij in de ochtend van 27 februari 2006 aan de medeverdachte [medeverdachte 2] slechts een doos met laboratoriumglaswerk zou hebben gegeven wordt aldus niet ondersteund.

Het hof acht dit onderdeel van de verklaring van de verdachte dan ook niet geloofwaardig.

Het hof acht, op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, tezamen met de hierboven opgenomen bewijsoverweging, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 27 februari 2006 7.070 gram amfetamine/MDA opzettelijk heeft afgeleverd, vervoerd en verstrekt.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 3

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 11 januari 2010 aangevoerd dat de verklaring die door de verbalisant [verbalisant] op 21 mei 2007 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd niet tot het bewijs toegelaten kan worden, gelet op de wijze waarop deze verklaring tot stand en in het strafdossier terecht is gekomen.

Bedoelde verklaring van de verbalisant [verbalisant] - afgelegd in aanwezigheid van de toenmalige raadsvrouw van de verdachte - houdt zakelijk weergegeven onder meer in:

[verdachte] heeft mij off the record verteld dat:

- hij niet snapte dat de politie destijds niet was opgetreden aan de [adres];

- de politie daar genoeg mogelijkheden had;

- het aan de [adres] zo hard kookte dat het tegen de plafondplaten omhoog

spoot;

- hij van [medeverdachte 3] dan wel [medeverdachte 5] had vernomen dat die [medeverdachte 5] een in

werking zijnd laboratorium opgeruimd moest hebben;

- hij toen alle hardware met alle bijbehorende materialen heeft opgehaald bij

[medeverdachte 5] en heeft meegenomen naar het pand aan de [adres];

- hij het materiaal daar heeft opgeslagen;

- dit materiaal na verloop van tijd is getransporteerd naar de [adres];

- hij samen met [medeverdachte 3] de ramen van de ruimte aan de [adres] had

geblindeerd.

De verbalisant [verbalisant] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat deze uitlatingen van de verdachte destijds niet in het strafdossier terecht zijn gekomen, omdat [verbalisant] dat zo met de verdachte had afgesproken. [verbalisant] heeft voorts verklaard dat hij aan-tekeningen heeft gemaakt van de "off the record"-gesprekken, welke aantekeningen hij heeft overgelegd aan de rechter-commissaris, en dat hij de inhoud van die gesprekken in het teamoverleg van het onderzoeksteam aan de orde heeft gesteld en heeft besproken. Het hof acht de verklaring die door de verbalisant [verbalisant] op 21 mei 2007 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd met betrekking tot de inhoud en/of strekking van de "off the record"-gesprekken dan ook betrouwbaar.

Het hof stelt voorop dat een verbalisant gelet op zijn taak en functie gehouden is elke door de verdachte afgelegde verklaring die relevant is voor de strafzaak, ook al wordt deze buiten een verhoorsituatie om afgelegd, ten spoedigste aan het strafdossier toe te voegen.

De omstandigheid dat de verbalisant [verbalisant] deze handelwijze niet heeft gevolgd met betrekking tot "off the record"-gesprekken die hij heeft gevoerd met de verdachte, levert weliswaar een vormverzuim op, maar het betreft niet een onherstelbaar vormverzuim.

Het herstel bestaat immers hierin dat de inhoud van bedoelde "off the record"-gesprekken nadien alsnog is gerelateerd door de verbalisant [verbalisant], in het verhoor bij de rechter-commissaris op 21 mei 2007.

Daarnaast is niet gebleken of aannemelijk geworden dat ieder onderzoek naar de inhoud en/of strekking van bedoelde "off the record"-gesprekken totaal onmogelijk was vanaf 21 mei 2007. Zo had de verbalisant [verbalisant] nog nader kunnen worden gehoord over de inhoud en/of strekking van zijn verklaring en had nader onderzoek (in de vorm van contra-expertise) plaats kunnen vinden naar onder de verdachte op de locatie aan de [adres] in beslag genomen voorwerpen.

De verdediging heeft van de mogelijkheid om onderzoekswensen met betrekking tot deze aspecten te formuleren echter geen gebruik gemaakt, noch tijdens het verhoor van [verbalisant] bij de rechter-commissaris, noch ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 juni 2007 en 30 en 31 oktober 2007, noch naar aanleiding van de appelmemorie van de officier van justitie.

De omstandigheid dat de inhoud en/of strekking van de "off the record"-gesprekken waarover de verbalisant [verbalisant] eerst op 21 mei 2007 bij de rechter-commissaris heeft verklaard niet ten spoedigste aan het strafdossier is toegevoegd, heeft de verdachte weliswaar enigszins in zijn verdedigingsbelang geschaad. Aldus heeft de verdediging immers van die - voor de verdachte belastende - verklaring pas in een later stadium dan de wet voorschrijft kennis kunnen nemen.

Niettemin bestonden voor de verdediging ook in dat latere stadium nog volop mogelijkheden en volop gelegenheid tot het doen van onderzoekswensen naar de inhoud en/of strekking van bedoelde "off the record"-gesprekken, zoals hierboven beschreven.

Onder die omstandigheden zijn er geen beletselen de verklaring die de getuige [verbalisant] op 21 mei 2007 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd toe te laten als bewijsmiddel. Het hof verwerpt dan ook het standpunt van de raadsman dat dit bewijsmiddel voor het bewijs zou moeten worden uitgesloten. Voorts ziet het hof geen aanleiding toepassing te geven aan strafmatiging, omdat de verdediging na 21 mei 2007 op dit punt om nader onderzoek had kunnen verzoeken.

Het toelaten van bedoelde verklaring van [verbalisant] als bewijsmiddel kan er echter niet toe leiden dat bewezen is dat de verdachte aan de [adres] te [plaats 1] synthetische drugs heeft geproduceerd of voorhanden heeft gehad, op grond van het hierna volgende.

Het hof heeft daarnaast - evenals deels de rechtbank - acht geslagen op het volgende.

Met betrekking tot de locatie [adres] te [plaats 1]

Op 3 augustus 2006 heeft een zoeking plaatsgevonden in een loods gelegen aan de [adres] te [plaats 1]. Daarbij is een betegelde ruimte, omschreven als een was/douche-ruimte aangetroffen. Op de tegels en de plafondplaten van deze ruimte werden aangekoekt materiaal en olieachtige vlekken gezien en in het afvoerputje werd een katoenen doek aangetroffen.

Deze aangetroffen materialen zijn bemonsterd en voor onderzoek aan het NFI gezonden. In het onderzoeksrapport van het NFI van 1 november 2006 is aangegeven, dat gezien de analyseresultaten het zeer waarschijnlijk is dat het betegelde gedeelte van de loods ingericht is geweest als productieplaats voor de illegale vervaardiging van amfetamine en MDA. In het betegelde gedeelte van de loods bevonden zich olieachtige vlekken op de vloer, wand en plafond die alle N-formyl amfetamine, N-formyl MDA, amfetamine en MDA bevatten. Dit zijn vlekken die zeer waarschijnlijk zijn ontstaan tijdens het produceren (het in twee stappen koken) van de amfetamine en MDA volgens de zogenaamde Leuckart methode.

Gelet op deze onderzoeksresultaten is de conclusie gerechtvaardigd dat aan de [adres] te [plaats 1] een productieproces ter verkrijging van synthetische drugs heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft echter ruim een half jaar vóór de zoeking in de loods aan de [adres] te [plaats 1] deze loods verlaten en heeft vervolgens de loods aan de [adres] te [plaats 2] betrokken.

In het strafdossier ontbreekt informatie over het (eventuele) gebruik van de loods aan de [adres] te [plaats 1] in het half jaar n? het vertrek van de verdachte en voorafgaand aan de zoeking in laatstgenoemde loods op 3 augustus 2006. Onduidelijk is derhalve wat er zich gedurende dat half jaar in die loods heeft afgespeeld en of er eventueel activiteiten in die loods door anderen dan de verdachte en/of medeverdachten hebben plaatsgevonden. Tegen deze achtergrond, alsmede gelet op het ontbreken van ander bewijs dat de in die loods aangetroffen en bemonsterde materialen aan de verdachte toebehoorden, is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat die aangetroffen en bemonsterde materialen aan de verdachte toebehoorden.

De advocaat-generaal heeft in verband met vorenstaande nog aangevoerd dat bij de zoeking op 3 augustus 2006 in de loods aan de [adres] te [plaats 1] geen recent afval is aangetroffen. Kennelijk heeft de advocaat-generaal aldus willen betogen dat de betreffende loods, nadat de verdachte deze in december 2005 heeft verlaten, niet meer door een ander is gebruikt.

Het hof is van oordeel dat deze redenering niet overtuigt, omdat een opvolgend gebruiker van de loods kan hebben zorg gedragen voor regelmatige afvoer van afval.

Op grond van het bovenstaande is niet bewezen dat de verdachte aan de [adres] te [plaats 1] synthetische drugs heeft geproduceerd of voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken dient te worden.

Met betrekking tot de locatie [adres] te [plaats 2]

Op 13 juli 2006 heeft een zoeking plaatsgevonden in een loods aan de [adres] te [plaats 2]. Daarbij is een aantal voorwerpen aangetroffen, onder meer een niet aangesloten drukvat, een vrieskist met onbekende inhoud die sterk rook naar chemicaliën verbonden met een rode gasfles, meerdere gasflessen, een ventilatieschacht met koolstoffilter, een badkuip met een onbekende witte substantie, enkele blauwe tonnen met onbekende chemicaliën en een soort oven.

Deze in de loods aangetroffen materialen zijn bemonsterd en voor onderzoek aan het NFI gezonden. In het rapport van het Korps Landelijke Politiediensten van 1 december 2006 is aangegeven dat door de aangetroffen opstelling niet de indruk werd gewekt dat er ter plaatse sprake was van een actief productieproces.

In het rapport van het NFI van 17 oktober 2006 is geconcludeerd dat op de [adres] te [plaats 2] de aanwezigheid van MDA, MDMA en PMK is aangetoond en dat er tevens enkele grondstoffen zijn aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van deze stoffen. Voorts is aangegeven dat niet de indruk werd gekregen dat er ter plaatse sprake was van een actief proces van productie van in de Opiumwet vermelde stoffen. De deskundige van het NFI, dr. Van den Berg, heeft op 29 maart 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in de loods aan de [adres] te [plaats 2] is geweest en dat hij niet de indruk had dat daar actief was geproduceerd. Daarbij heeft hij aangegeven, dat er geen stroomvoorziening was en dat er evenmin kabels waren.

Hij had het idee dat de opstelling in opbouw was, maar dat deze nog niet was gebruikt. Buiten de reactor waren volgens de deskundige alle overige laboratoriumbenodigdheden aanwezig. Er was evenwel geen BMK aanwezig, zodat er op het moment van de zoeking geen MDA en/of amfetamine geproduceerd had kunnen worden, want daarvoor is BMK nodig.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de loods aan de [adres] te [plaats 2] meerdere in de Opiumwet verboden stoffen aanwezig en voorhanden heeft gehad, maar niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in die loods synthetische drugs heeft geproduceerd.

Met betrekking tot de locatie [adres] te [plaats 3]

Op 13 juli 2006 heeft eveneens een zoeking plaatsgevonden op het adres [adres] te [plaats 3], het woonadres van de verdachte. Daarbij werden onder andere aangetroffen een laboratoriumopstelling in kelder en garage, enkele actieve chemische processen die gaande waren, meerdere kolven met vloeistoffen die reeds een bewerking hadden ondergaan en verpakkingsmiddelen van methylamine. Deze aangetroffen materialen zijn bemonsterd en voor onderzoek aan het NFI gezonden. In het rapport van het NFI van 17 oktober 2006 is aangegeven, dat in de aangeleverde monsters onder andere MDMA, methylamine, PMK en amfetamine is aangetroffen. De deskundige van het NFI, dr. Van den Berg, heeft op 29 maart 2007 bij de rechter-commissaris verklaard dat op de locatie aan de [adres] te [plaats 3] geen actief proces gaande was.

Als er van wordt uitgegaan dat er een synthese van MDA en amfetamine werd gemaakt, waren alle laboratoriumbenodigdheden aanwezig. Ook hier was geen BMK, nodig voor de productie van MDA en/of amfetamine aanwezig.

Gelet op het voorgaande is ook met betrekking tot de locatie [adres] te [plaats 3] wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte daar meerdere in de Opiumwet verboden stoffen aanwezig en voorhanden heeft gehad, maar niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op die locatie synthetische drugs heeft geproduceerd.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 4

De verdachte heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat voorbereidings-handelingen zijn gepleegd met betrekking tot een tabletteermachine. Hiertoe heeft de verdachte aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat hij uitsluitend heeft bemiddeld in de (eventuele) aanschaf van die tabletteermachine teneinde een ander, te weten [betrokkene], daarmee financieel van dienst te zijn, opdat die [betrokkene] zijn vervangende hechtenis uit hoofde van een ontnemingszaak geheel of gedeeltelijk af zou kunnen kopen.

Deze verklaring van de verdachte vindt echter geen ondersteuning in enig ander gegeven en is daarmee niet aannemelijk gemaakt of geworden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2 meer subsidiair -

hij op 27 februari 2006 in het gerechtelijk ressort Leeuwarden tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd ruim 7070 gram amfetamine en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleen-dioxyamfetamine), zijnde amfetamine en/of tenamfetamine/MDA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3 -

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 13 juli 2006, in de gemeenten [gemeente 1] en/of [gemeente 2], meermalen telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad op de adressen [adres] te [plaats 2] en/of [adres] te [plaats 3] hoeveelheden van een materiaal, bevattende amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine/MDA, (3,4-methyleendioxyamfetamine), zijnde amfetamine en/of MDMA en/of tenamfetamine/MDA (3,4-methyleendioxyamfetamine) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4 -

hij in de periode van 1 november 2004 tot en met 13 juli 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, telkens om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10a van de Opiumwet (oude tekst) en/of het vierde of vijfde lid van dat artikel (nieuwe tekst), te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van enig middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen

zich of een ander of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit/die feiten heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte tezamen met zijn mededader(s) en/of alleen, toen daar, opzettelijk daartoe

- bemiddeld bij en/of inlichtingen verschaft tot de mogelijke aanschaf door een ander van een tabletteermachine (voor het slaan van harddrugs bevattende pillen of tabletten) en die machine op bruikbaarheid heeft bekeken en

- stoffen, die gebruikt konden worden voor of bij de productie van synthetische drugs,

te weten rode fosfor en/of propiofenon en/of jodium(korrels), overgedragen of

geleverd aan een ander of anderen en/of

- personen, die in het bezit waren van een grote hoeveelheid materiaal bevattende MDMA en van een hoeveelheid platinumoxide (te gebruiken voor of bij de

productie van synthetische drugs), benaderd en te kennen gegeven die goederen te willen overnemen of daarin te (willen) bemiddelen en

c. voorwerpen en stoffen, te weten

rode fosfor en propiofenon en jodiumkorrels, een elektromotor, een drukvaatje (hoogte ca. 28 cm) en gasflessen (o.a. gevuld met zoutzuur en/of methylamine) en amfetamine en MDMA en tenamfetamine/MDA [zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I] en methylamine en ethanol methylammoniumchloride en aceton en zoutzuur en mierenzuur en PMK en reactievaten en laboratoriumglaswerk en pompen en schei-trechters en een drukvat (ca. 66 cm hoog), temperatuurmeters, roerapparaten en een kantelapparaat en diverse andere stoffen en/of goederen, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte telkens wist of ernstige redenen had om te vermoeden, dat die/dat bestemd waren/was tot het plegen van dat feit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 2 meer subsidiair,

3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

2 meer subsidiair -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3 -

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4 -

medeplegen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen en stoffen, voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Het hof acht de verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het afleveren, verstrekken en vervoeren van ruim 7 kilogram amfetamine en/of tenamfetamine/MDA en aan het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden amfetamine en MDMA en tenamfetamine/MDA.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diverse voorbereidings- handelingen, onder meer met betrekking tot de zojuist genoemde stoffen, in de zin van de Opiumwet.

De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. De strafwaardigheid van deze delicten is in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die het gebruik van amfetamine en MDMA en tenamfetamine/MDA voor de volksgezondheid vormt en de met dit gebruik gepaard gaande criminaliteit.

Uit het uittreksel uit de justiti?le documentatie betreffende de verdachte van 14 januari 2009 blijkt ten nadele van de verdachte dat hij reeds eerder, te weten op 13 december 2002, tot een meer langdurige gevangenisstraf is veroordeeld ter zake van overtreding van soortgelijke delicten van de Opiumwet. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat hij reeds kort nadat hij de op 13 december 2002 aan hem opgelegde straf heeft ondergaan, zich opnieuw is gaan beziggehouden met de thans bewezen verklaarde Opiumwetdelicten. Kennelijk heeft die veroordeling de verdachte er niet toe kunnen brengen zijn leven wat dat betreft anders in te richten.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent overigens uit het strafdossier is gebleken.

Het hof heeft tevens rekening gehouden met het tijdsverloop, in die zin dat het al geruime tijd geleden is dat de strafbare feiten zich hebben voorgedaan en dat deze zaak de verdachte in die tijd voortdurend boven het hoofd heeft gehangen.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat de strafsoort die door de rechtbank is gekozen passend en geboden is. Het hof zal dan ook eveneens overgaan tot oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te melden duur.

De redelijke termijn

De advocaat-generaal heeft gesteld dat sprake is van een dermate lichte overschrijding van de redelijke termijn dat kan worden volstaan met de constatering dat de berechting niet binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

Hierover overweegt het hof het volgende.

Het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 13 juli 2006, zijnde de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld en voor het eerst is verhoord ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten.

De politie heeft het proces-verbaal van de strafzaak op 5 december 2006 afgesloten, waarna de rechtbank Rotterdam vervolgens op 14 november 2007 uitspraak heeft gedaan. Voorafgaande aan laatstgenoemde uitspraak is het onderzoek ter terechtzitting meerdere keren aangehouden, ter terechtzitting van 22 januari 2007, 16 april 2007 en 12 juni 2007, teneinde uitvoering te doen geven aan diverse onderzoekswensen van de verdediging.

Tegen het vonnis van 14 november 2007 is op 26 november 2007 hoger beroep ingesteld door de officier van justitie en is op 27 november 2007 eveneens hoger beroep ingesteld door de verdachte, waarna het strafdossier op 11 februari 2008 is binnengekomen bij het ressortsparket.

In hoger beroep heeft op 29 september 2008 een regiezitting plaatsgevonden, waarna het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van de verdachte bij tussenarrest van

13 oktober 2008 is aangehouden ten behoeve van nader onderzoek op verzoek van de verdediging.

Vervolgens is de inhoudelijke behandeling van de zaken van (onder meer) de verdachte weliswaar geappointeerd voor de terechtzittingen van het hof van 23 en 24 maart 2009, maar heeft op die data geen inhoudelijke behandeling ter terechtzitting plaats kunnen vinden.

Dit in verband met de omstandigheid dat is gebleken dat de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, nevenzittingsplaats Groningen, het door het hof in de zaak van de verdachte bevolen getuigenverhoor nog niet geheel heeft kunnen afronden en dat de raadsman van verdachte naar aanleiding van die omstandigheid een verzoek tot aanhouding heeft ingediend.

Het hof heeft daarop ter terechtzitting van 23 maart 2009 het onderzoek ter terechtzitting in de zaken van de verdachte andermaal aangehouden, teneinde de rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, nevenzittingsplaats Groningen in de gelegenheid te stellen bedoeld getuigenverhoor af te ronden.

Vervolgens is de inhoudelijke behandeling van de zaken van de verdachte weliswaar geappointeerd voor de terechtzittingen van het hof van 21 en 22 september 2009, maar heeft op die data eveneens geen inhoudelijke behandeling ter terechtzitting plaats kunnen vinden en is het onderzoek andermaal aangehouden.

Dit in verband met de verwevenheid van de zaak van de verdachte met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] en met de omstandigheid dat het onderzoek in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 4] is aangehouden, vanwege een ziekenhuisopname.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van - onder meer - de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, en de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, waartoe kan worden gerekend het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

Het hof stelt vast dat de zaak in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 26 november 2009 behoorde te zijn afgerond.

Nu echter geen sprake is geweest van onnodige inactiviteit in de zaak van de verdachte in enige fase van het hoger beroep en met de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep in totaal niet meer dan vier jaar gemoeid is geweest, is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn onder meer de hierna te noemen voorwerpen in beslag genomen:

lijst A2 (A2-1 t/m A2-VIII);

lijst B2 (B2-1 t/m B2-V);

lijst C (C2-1);

lijst K2 (de items K2-1 t/m K 2-24);

lijst T (T1, T2, T4 en T5), de goederen 1 t/m 5, beginnend met BAB1 (keukentje) en eindigend met BABIII (overkapping).

Het hof zal deze voorwerpen onttrekken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet of het algemeen belang en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan, dan wel deze voorwerpen tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten zijn vervaardigd of bestemd.

Teruggave van in beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn tevens de hierna te noemen voorwerpen in beslag genomen:

B1 - huurovereenkomst ontvangen van [naam];

BAA-1 - wit plastic doosje, opschrift 'snert' met daarin 3 potjes;

BAA-2-A - wit doosje met instructiematerialen;

BAA-3 - plastic zakje met wit poeder;

BAA-5 - meerdere blauwe pillen;

BAA-6 - pen met opschrift 'Ermelo', BAE - meterstanden: 27029 electra, gasstand 68598(058);

BAF-2-B - plastic hoesje met administratie;

BAF-7 - ijzerwaren/koperen koppelingen e.d. in plastic tas;

B-C-2 - trechter;

B-C-5a - zwart leren portemonnee met inhoud;

B-C-5b - kentekenbewijs [kenteken];

B-C-13 - draairoer;

DE-01.01.04 - 2 diskettes;

DE-01.01.01 - cd-rom merk Inteso;

D.02.01 - 1 cd-rom.

Het hof zal daarvan de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 1 en 6 ten laste gelegde;

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover het betreft het onder feit 1 ten laste gelegde en de als feit 4, sub b, 3e gedachtestreepje ten laste gelegde voorbereidingshandeling;

verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover het betreft het onder 6 ten laste gelegde, waar het betreft de periode van 1 juli 2006 tot en met 13 juli 2006 en voor zover de tenlastelegging ziet op delicten ingevolge de Opiumwet;

vernietigt het vonnis, voor zover betrekking hebbend op de ten laste gelegde feiten onder 2 tot en met 6, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte onder 2 primair, 2 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het aan de verdachte onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte als voormeld onder 2 meer subsidiair, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde v??r de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van:

B1 - huurovereenkomst ontvangen van [naam];

BAA-1 - wit plastic doosje, opschrift 'snert' met daarin 3 potjes;

BAA-2-A - wit doosje met instructiematerialen;

BAA-3 - plastic zakje met wit poeder;

BAA-5 - meerdere blauwe pillen;

BAA-6 - pen met opschrift 'Ermelo', BAE - meterstanden: 27029 electra, gasstand 68598(058);

BAF-2-B - plastic hoesje met administratie;

BAF-7 - ijzerwaren/koperen koppelingen e.d. in plastic tas;

B-C-2 - trechter;

B-C-5a - zwart leren portemonnee met inhoud;

B-C-5b - kentekenbewijs [kenteken];

B-C-13 - draairoer;

DE-01.01.04 - 2 diskettes;

DE-01.01.01 - cd-rom merk Inteso;

D.02.01 - 1 cd-rom;

verklaart aan het verkeer onttrokken:

lijst A2 (A2-1 t/m A2-VIII);

lijst B2 (B2-1 t/m B2-V);

lijst C (C2-1);

lijst K2 (de items K2-1 t/m K 2-24);

lijst T (T1, T2, T4 en T5), de goederen 1 t/m 5, beginnend met BAB1 (keukentje) en eindigend met BABIII (overkapping).

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. J.A. Wiarda, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.