Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2010:6240

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
105.006.879/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSGR:2012:5725
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSGR:2012:5724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaring op het Schelde-Rijnkanaal. Avarij-grosse met als tegenwerping het eigen schuld verweer. Exploitatieketen. Derdenwerking. Duits recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel. kamer 2

Uitspraakdatum 23 maart 2010

Zaaknummer : 105.006.879101

Rolnummer rechtbank : 06/46

Arrest

in de zaak van:

1. V.O.F. ENIGMA.

2. [appellant] ,

3. [appellante] ,

gevestigd, respectievelijk wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: Enigma c.s. en appellant sub 2 ook: [appellant] ,

advocaat: mr. C. Jol (‘s-Gravenhage),

tegen

SAAR COAL INTERNATIONAL GMBH,

gevestigd te Saarbrücken, Duitsland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Saar Coal,

procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog (‘s-Gravenhage),

behandelend advocaat mr. S.T. Dreesmann.

Het verloop van het geding

Enigma c.s. is bij exploot van 13 juni 2007 in hoger beroep gekomen van het tussen

haar en Saar Coal door de rechtbank te Rotterdam gewezen vonnis van 14 maart 2007.

Bij memorie van grieven van 10 januari 2008 heeft zij één grief aangevoerd. Toen de

zaak vervolgens op de rol stond voor het indienen van een memorie van antwoord heeft

Enigma .s. op 15 mei 2008 een akte genomen met een aanvullende grief. Saar Coal

heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ter rolle van 23 december 2008 heeft Saar Coal een

memorie van antwoord ingediend. Mei 2009 hebben partijen arrest gevraagd. Saar Coal

heeft een compleet procesdossier overgelegd; Enigma c.s. enkele losse processtukken.

De beoordeling van het hoger beroep

1. In geschil is of Saar Coal gehouden is een bijdrage te betalen in de door

Enigma c.s. averij-grosse verklaarde schade, welke is ontstaan doordat het aan

Enigma c.s. toebehorende binnenvaartschip “ [naam 1] ” op 11 december 2000 in het

Schelde-Rijnkanaal tegen een pijler van de Slaakbrug is gevaren, daarbij beschadigd

is geraakt en water heeft gemaakt.

2. De “ [naam 1] ” voer van Antwerpen naar Karlsruhe met aan boord een lading

cokes (ca. 1200 ton Chinese Gieβreikoks) die Saar CoaL had aangekocht. Voor het

vervoer van de cokes had Saar Coal, althans haar onzelfstandige vestiging te

Karlsruhe, Winschermann Süd Kohle, een overeenkomst gesloten met Rhenania, die

op haar beurt een bevrachtingsovereenkomst sloot met Nautica Binnenscheepvaart

B.V. (hierna: Nautica) en die weer met Enigma c.s., schematisch:

Enigma c.s.  Nautica ‘ Rhenania , Saar Coal (Winschermann Süd Kohle)

3. De vrachtbrief die met betrekking tot de bevrachtingsovereenkomst tussen

Rhenania en Saar Coal is opgemaakt, vermeldt rechts boven “Rhenania Transport

BV”, is door deze vennootschap ondertekend en verwijst naar algemene voorwaarden

van (maar niet in geschil is) Rhenania - genaamd: Verlade- und Transport-

Bedingungen für Binnenschiffstransporte (Konnossements-Bedingungen der

Rhenania Gruppe) - die in § 24 een rechtskeuze voor Duits recht behelzen.

4. Door [naam 2] Expertise- en Taxatiebureau is ten aanzien van de

door Enigma c.s. averij-grosse verklaarde schade een dispache opgemaakt

overeenkomstig de Rijnregelen IVR 1979. Daarin is het ladingaandeel bepaald op

€ 63.415,27. Van dat bedrag is nog aantal posten afgetrokken, waarna het

ladingaandeel uiteindelijk is vastgesteld op € 54.418,25. Teneinde uitlevering van de

lading te bewerkstelligen heeft de ladingassuradeur (Gerling) een getekend revers tot

een maximum van USD 25.490,70 afgegeven.

5. Enigma c.s. heeft bij inleidende dagvaarding betaling door Saar Coal van

genoemd bedrag van € 54.418,25 met rente gevorderd. Saar Coal heeft een beroep op

verjaring gedaan en daarnaast het verweer gevoerd dat vanwege schuld van Enigma

c.s. aan de aanvaring geen bijdrageplicht bestaat. De rechtbank heeft het

verjaringsverweer verworpen, maar het beroep op eigen schuld gehonoreerd. Het

vonnis behelst in dat verband de volgende overwegingen:

7.4

Regel III van de Rijnregels moet aldus worden uitgelegd, zulks in

overeenstemming met de uitleg van Rule D YAR, dat de ladingbelanghebbende

die in rechte door de reder wordt aangesproken tot betaling van de

ladingbijdrage in avarij-grosse, in deze procedure als verweer een beroep kan

doen op de “schuld” van de reder aan het voorval dat de aanleiding was tot de

avarij-grossehandeling. (..)

7.5

Vervolgens moet het verweer van Saar Coal worden onderzocht dat de

aanvaring van het ms. [naam 1] met de brugpijler te wijten was aan de schuld

van het schip. Partijen zijn het erover eens dat het hier gaat om een verwijt dat

is gebaseerd op de regels van aanvaring. Ook dit verweer dient te worden

beoordeeld naar Nederlands recht.

7.6

Enigma c.s. heeft met zoveel woorden aangevoerd dat de aanvaring met een

vast gedeelte van de brug is ontstaan door een navigatiefout. Daarmee wordt

kennelijk gedoeld op een fout van schipper [appellant] die toen de navigatie

voerde. Dat betekent dat sprake was van schuld van het schip in de zin van art.

8:1004 BW waarvoor V.O.F. Enigma aansprakelijk is. Onder de

dientengevolge te vergoeden schade kan worden begrepen het bedrag van het

ladingaandeel in de avarij-grosse, zodat dit voor rekening dient te blijven van

V.O.F. Enigma.

7.7

De rechtbank deelt niet de (..) opvatting (..) dat voor het honoreren van een op

“schuld” gebaseerd verweer tegen een vordering tot bijdrage in avarij-grosse

als bedoeld in Rijnregel III is vereist dat (..) sprake is van opzet of bewuste

roekeloosheid. Dat zulks het geval zou zijn volgt noch uit de tekst, noch uit de

strekking van deze bepaling, terwijl deze opvatting evenmin steun vindt in

recente rechtspraak en literatuur.

7.8

Aan aansprakelijkheid voor de aanvaring staat niet in de weg een beroep op

art. 2:901 BW; geen aansprakelijkheid van een goederenvervoerder voor

schade ontstaan door — kort gezegd — navigatiefouten (behoudens opzet of

bewuste roekeloosheid van de vervoerder/schipper). Tussen V.O.F. Enigma en

Saar Coal bestond geen contractuele band en er wordt door Enigma c.s.

uitdrukkelijk geen beroep gedaan op art. 8:364 BW (daargelaten of dat ertoe

zou leiden dat aansprakelijkheid van Enigma c.s. is uitgesloten).

6. Met haar enige bij memorie van grieven aangevoerde grief beklaagt Enigma

c.s. zich over de als laatste weergegeven overweging (7.8) van de rechtbank dat door

Enigma c.s. uitdrukkelijk geen beroep is gedaan op art. 8:364 BW. Volgens Enigma

c.s. is het tegendeel het geval. Daarbij vergeet zij echter dat zij bij voorwaardelijke

conclusie van dupliek onder punt 10 de mogelijkheid van een beroep op de

betreffende bepaling onder ogen heeft gezien en vervolgens heeft geconcludeerd:

“Maar het is aan Enigma om dat al dan niet te doen. En die kiest ervoor om dat niet

te doen.” Saar Coal meent dat - gegeven deze keuze - Enigma c.s. hier in hoger

beroep niet op terug kan komen. Ook dat is niet juist, aangezien het hoger beroep er

tevens toe dient om fouten (misslagen) of verzuimen te herstellen. De vraag is wel of

de in hoger beroep ingeroepen derdenwerking Enigma c.s. verder brengt.

7. - Bij de beantwoording van die vraag wordt vooropgesteld dat partijen het

erover eens zijn dat de aanvaring het gevolg is van een nautische fout.

Daarvan uitgaande beroept Enigma c.s.. zich via art. 8:880 BW jo . art. 8:364 BW op

§ 16.3 en § 20.3 van de volgens haar in de relatie Rhenania — Saar Coal toepasselijke

algemene voorwaarden van Rhenania. Deze bepalingen luiden als volgt:

§16 Haftung des Frachtführers

(..)

3. Der Frachtführer haftet nicht:

(..)

d) für Verlust oder Beschädigung der Güter, Aufenthalt, Verspätung oder

sonstige Nachteile infolge nautischen Verschuldens, inbesondere (..)

Anfahrung (..) oder Untergang des Schjffes (..) soweit nicht Vorsatz oder

grobe Fahrlässigkeit vorliegt.

§20 Havarie-grosse

1. Für die Havarie-grosse gelten die “Rhein-Regeln IVR” (..).

2. (..)

3. Absender, Auftraggeber und Empfänger haften dem Frachtführer als

Gesamtschudner für alle aufgrund einer dieser Bedingungen und den

§§ 78 ffBinSchG entsprechenden Dispache auf ihre Giller emfatlenden

Beiirdge zur Havarie-grosse. Der Frachführer is berechtigt, für diese

Beiträge einen Revers einzufordern und einen Kosteneinschuβ zu

Verlangen. Ein Zurückbehaltungsrecht an Beiträgen zur Havarie-grosse

ist ausgeschlossen, auch in dem Fall, daβ der Havarie-grosse-Fall

schuldhaft herbeigeführt wurde, es sei denn, der Havarie-grosse-Fall sei

auf eine Handlung oder Unterlassung zurückzuführen, die von dem

Frachtführer selbst oder einer Person im Sïnne des §1 Abs. 3 in der

Absicht, einen solchen Fall herbeizuführen, oder leichfertig in dem

Bewuβtsein begangen wurde, daβ ein solcher Fall mit Wahrscheinlichkeit

nicht eintreten werde.

8. Saar Coal erkent dat Enigma c.s. tegenover haar niet verder aansprakelijk is

dan Enigma c.s. zou zijn uit hoofde van de vervoerovereenkomst tussen Rhenania en

Saar Coal. Saar Coal betwist evenwel dat die vervoerovereenkomst een geldige

uitsluiting van aansprakelijkheid voor nautische fouten kent of een eigen

schuldverweer in het kader van een avarij-grosse claim uitsluit. Indien al de

algemene voorwaarden van Rhenania naar het toepasselijke Duitse recht geldig zijn

overeengekomen, waar Saar Coals in hoger beroep, anders dan in de eerste aanleg,

een vraagteken bij plaatst, zijn volgens haar de door Enigma c.s. ingeroepen §§ 16.3

en 20.3 van die algemene voorwaarden nietig, althans dienen deze buiten toepassing

te blijven, omdat zij in strijd zijn met semi-dwingend Duits recht. Wat § 16.3 betreft

wijst zij op § 425 HGB waaruit naar zij stelt volgt dat de vervoerder in gevallen als

de onderhavige in beginsel aansprakelijk is tenzij deze bewijst dat sprake is van

overmacht in de zin van § 426 HGB. Afwijking is mogelijk maar moet dan tevoren

specifiek tussen partijen zijn overeengekomen. § 20 lid 3 is volgens haar in strijd met

§ 79 sub 2 Binnenschiffahrtgesetz. Ook over een afwijking van laatstbedoelde

bepaling moet vooraf specifiek overeenstemming zijn bereikt. Bovendien bestaat

strijd met § 307 BGB, aldus telkens Saar Coal, die deze opvatting baseert op een

door haar bij m.v.a. overgelegde Legal opinion van de hand van de Duitse advocaat

Thomas Wanckel.

9. Omdat die Legal opinion bij het laatst ingediende processtuk is gevoegd,

waardoor Enigma c.s. er nog niet op heeft gereageerd, en het op basis van die Legal

opinion ingenomen standpunt niet zo zeer anders als wel nieuw is ten opzichte van

dat van Saar Coal in de eerste aanleg, krijgt Enigma c.s. de gelegenheid voor een

reactie. Daartoe zal een comparitie van partijen worden gelast. Indien Enigma c.s. het

standpunt van Saar Coal over de niet-toepasselijkheid naar Duits recht van de

ingeroepen bepalingen uit de algemene voorwaarden wenst te betwisten en zich

daarbij wil beroepen op een andere, door haar aan te vragen Legal opinion, dient zij

die Legal opinion tevoren aan Saar Coal en de raadsheer-commissaris ter hand te

stellen. Ter comparitie zal tevens worden stilgestaan bij de vraag of Saar Coal in

hoger beroep ook meer in het algemeen wil betwisten dat bedoelde algemene

voorwaarden (stilzwijgend) zijn overeengekomen in haar relatie met Rhenania en zo

ja hoe zich dat dan verhoudt tot haar beroep op de keuze voor Duits recht in die

algemene voorwaarden.

10. Het beroep door Enigma c.s. op art. 8:901 BW is door de rechtbank

verworpen onder verwijzing naar het ontbreken van een contractuele band tussen

Enigma c.s. en Saar Coal. Bij haar in hoger beroep herhaalde beroep op deze

wetsbepaling is Enigma c.s. hier niet op ingegaan en heeft zij niet aangevoerd dat en

waarom het artikel wèl van toepassing is. Ook heeft zij niet gesteld en is evenmin

gebleken dat het artikel gelding heeft binnen de laatste exploitatieovereenkomst in de

keten.

11. De tweede grief van Enigma c.s., die, na de memorie van grieven van 10

januari 2008, eerst bij akte van 15 mei 2008 is aangevoerd, richt zich tegen

overweging 7.4 van de rechtbank, inhoudende dat de ladingbelanghebbende, conform

Regel III van de Rijnregels aangesproken tot een bijdrage. verweer kan voeren door

een beroep te doen op “schuld” van de reder aan het voorval dat de aanleiding was

tot de avarij-grosse handeling. Deze grief is te laat ingediend, waartegen Saar Coal

bezwaar heeft gemaakt. Volgens vaste rechtspraak (vgl. o.m. HR 19 juni 2009, LJN:

B18771) brengt de in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel mee dat de

rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de

memorie van grieven dan wel - ingeval van incidenteel appel - bij memorie van

antwoord worden aangevoerd. Door Enigma c.s. is niets aangevoerd waaruit zou

kunnen worden opgemaakt dat tijdige indiening van de grief niet mogelijk was. Een

inhoudelijke behandeling van de grief kan daarom achterwege blijven. Niettemin

wordt - ten overvloede - overwogen dat de aangevochten overweging van de

rechtbank juist is en de daartegen gerichte grief ongegrond.

12. De comparitie zal tevens worden benut voor het beproeven van een

vereniging.

De beslissing

Het hof,

- gelast partijen, in persoon of als het om een rechtspersoon gaat, deugdelijk

vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en bevoegd

is om een schikking aan te gaan, vergezeld van hun raadslieden, voor het

verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling te

verschijnen voor de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M. van der

Klooster in een der zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ‘s

Gravenhage op dinsdag 21 september 2010 om 10.30 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder

gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen in de maanden

oktober tot en met december 2010, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer

commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de

comparitie zal vaststellen;

- bepaalt dat Enigma c.s. een kopie van de volledige procesdossiers in eerste

aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, binnen 2 maanden na heden

naar de griffie handel van dit hof (postbus 20302, 2500 EH Den Haag, P2-236)

zal zenden;

- bepaalt dat partijen de bescheiden waarop zij voor het overige een beroep zouden

willen doen, zullen overleggen door deze uiterlijk twee weken vóór de

comparitie in kopie aan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, J.H.W. de Planque en R. van der

Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 201 Om aanwezigheid

van de griffier.