Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BX6967

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-09-2009
Datum publicatie
10-09-2012
Zaaknummer
105.002.779-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

duurovereenkomst, tussentijdse opzegging, algemene voorwaarden, onredelijk bezwarend beding, matiging boetebeding, nakosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.002.779/01

Rolnummer (oud) : 05/270

Rolnummer rechtbank : HA ZA 03-2005

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 1 september 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. T. Bissessur te ‘s-Gravenhage,

tegen

TYCO FIRE AND SECURITY NEDERLAND B.V.

(voorheen: ADT Security Services B.V.),

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ADT,

advocaat: mr. E. Grabandt te ‘s-Gravenhage.

Het geding

1. Bij exploot van 2 februari 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004 gewezen tussen ADT als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie en [appellant] als één van de twee gedaagden in conventie tevens eiser in reconventie. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd welke door ADT bij memorie van antwoord (met een productie) zijn bestreden. Vervolgens heeft ADT haar procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Partijen zijn niet met grieven of anderszins opgekomen tegen de door de rechtbank in het tussen partijen gewezen tussenvonnis van 28 april 2004 onder 2.1 tot en met 2.8 opgenomen feiten, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Gezien deze feiten en hetgeen verder als onbestreden uit overgelegde producties blijkt gaat het in deze zaak om het volgende.

3. Op 28 juni 2000 zijn de rechtsvoorganger van ADT (hierna ook: Cipe) enerzijds en [appellant] als vertegenwoordiger van V.O.F. Schoonmaakbedrijf [naam] en [naam] (hierna: het schoonmaakbedrijf) anderzijds een “abonneringsovereenkomst telebewaking” (hierna ook: de overeenkomst) aangegaan voor een periode van 48 opeenvolgende maanden, zulks tegen een door het schoonmaakbedrijf bij vooruitbetaling op factuur te betalen vergoeding van € 270,- per maand (exclusief BTW). [appellant] heeft de overeenkomst ondertekend als “eigenaar” van het schoonmaakbedrijf.

4. Van de overeenkomst maken deel uit de (aan de ommezijde ervan afgedrukte) algemene voorwaarden, waarin is bepaald, voor zover hier van belang:

“ 7.2 De opdrachtgever is, zonder nadere ingebrekestelling, over alle bedragen, die niet uiterlijk 7 (zeven) dagen na de factuurdatum zijn betaald, vanaf die dag aan Cipe rente verschuldigd van 1,5% (anderhalf procent) per maand, (…). Indien de Opdrachtgever ook na het verstrijken van bij aangetekende brief gestelde nadere betalingstermijn het verschuldigde bedrag vermeerderd met rente niet heeft betaald, is de Opdrachtgever verplicht Cipe alle buitengerechtelijke (…) kosten te vergoeden, welke tenminste 15% (…) van het totaal verschuldigde bedrag (…) zullen belopen.

(…)

8.1 (….) Tussentijdse beëindiging van deze Overeenkomst is uitsluitend mogelijk in de in (…) genoemde gevallen.

8.2 Indien de Opdrachtgever niet behoorlijk of niet (…) tijdig voldoet aan een van zijn verplichtingen uit de Overeenkomst, is de opdrachtgever in verzuim en is Cipe zonder ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst gerechtigd:

(a) nakoming (..) te verlangen (..); en/of

(b) (…) op te schorten (…); en/of

(c) de Overeenkomst (…) geheel of gedeeltelijk te ontbinden.

(…)

8.4 In geval zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in 8.2 (…) zijn alle vorderingen uit hoofde van de Overeenkomst (…) (zowel de op dat moment opeisbare als de toekomstig berekende termijnen op basis van de in artikel 1.1 overeengekomen Contractsduur) onmiddellijk en in het geheel opeisbaar. (…).”

5. De overeenkomst is ingegaan op de dag dat het alarmsysteem werd opgeleverd, zijnde 7 juli 2000. Bij brief van 7 augustus 2001 heeft [appellant] de overeenkomst opgezegd omdat er “niet meer gebruik van gemaakt wordt”en zijn “bedrijf niet meer aktief is”. In antwoord hierop schreef (de rechtsvoorganger van) ADT in haar brief van 9 augustus 2001 aan [appellant], voor zover hier van belang:

“(…) dat tussentijds opzeggen uwerzijds niet mogelijk is, deze overeenkomst heeft een vaste looptijd van 48 maanden.

Conform de algemene voorwaarden van de overeenkomst dienen wij bij voortijdige beëindiging alle resterende maanden in een keer aan u te factureren. Voor uw contract zou dit inhouden 34 x 270,00 excl. BTW = fl. 9.180,00 excl. BTW.

Gezien uw brief zijn wij echter tot een beslissing gekomen, dat wij bij hoge uitzondering, een éénmalig bedrag ad. fl. 3.500,00 excl. BTW zullen berekenen. (…)

Tevens zenden wij u een opgave van de openstaande posten ad fl. 2.876,80 incl. BTW. Dit bedrag dient eveneens door u te worden voldaan. (…).

(…)

Indien u hiermee akkoord gaat dient u deze brief te ondertekenen en binnen 10 dagen te retourneren.”

6. [appellant] is niet op voormeld voorstel ingegaan. Evenmin heeft (de rechtsvoorganger van) ADT, ondanks herhaalde aanmaning, na deze brief nog enige betaling van [appellant] ontvangen.

7. In dit geding vordert ADT de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 10.060,06, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1,5% over € 7.667,18 vanaf 1 september 2003 en de proceskosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

€ 1.305,43 wegens openstaande facturen;

€ 4.957,19 wegens 34 resterende termijnen;

€ 2.485,26 wegens overeengekomen rente tot en met 13 augustus 2003;

€ 1.312,18 wegens buitengerechtelijke incassokosten.

8. De vordering is in het bestreden vonnis toegewezen. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat het bedrag dat ADT op grond van artikel 8.4 van haar algemene voorwaarden vordert terzake van de toekomstige (resterende) termijnen ten opzichte van de geleden schade buitensporig is. De rechtbank heeft genoemd artikel in de algemene voorwaarden daarbij aangemerkt als een boetebeding en geoordeeld dat ook overigens geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de bedongen boete dient te worden gematigd.

9. In zijn eerste grief voert [appellant] aan dat de rechtbank in haar beoordeling ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder misbruik van omstandigheden, omdat (de rechtsvoorganger van) ADT agressieve verkoopmethoden zou hebben gehanteerd en [appellant] nog nauwelijks enige ervaring had met het voeren van een onderneming. Daarnaast zijn de in de algemene voorwaarden gehanteerde, hiervoor onder rechtsoverweging 4 aangehaalde bedingen volgens [appellant] onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar, omdat hij als beginnende kleine ondernemer gebonden werd aan langdurige verplichtingen. Tot slot stelt [appellant] dat sprake is van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat ADT ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten.

10. Het door [appellant] (ook in eerste aanleg) gedane beroep op misbruik van omstandigheden is door de rechtbank in haar tussenvonnis van 28 april 2004 als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd verworpen. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat [appellant] ter zake tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, voorts dat hij zijn standpunt omtrent de agressieve benaderingswijze van ADT-medewerker [naam medewerker] onvoldoende heeft onderbouwd, evenals de omstandigheden waaronder ADT hem van het sluiten van de overeenkomst had moeten weerhouden, en tot slot dat zijn onervarenheid als startende ondernemer buiten beschouwing dient te blijven nu de alarminstallatie niet voor zijn bedrijf maar voor eigen gebruik was bestemd. Tegen dit tussenvonnis heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld en ook anderszins heeft [appellant] niet gegriefd tegen de (daarin neergelegde) overwegingen van de rechtbank die tot verwerping van zijn beroep op misbruik van omstandigheden hebben geleid. Het hof moet daarom van de juistheid van die overwegingen uitgaan. Het oordeel van de rechtbank over misbruik van omstandigheden staat daardoor tussen partijen vast.

11. [appellant] heeft in de eerste grief verder betoogd dat de eerdervermelde bedingen onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar zijn. Hij wijst erop dat de overeenkomst een looptijd heeft van vier jaar en deze slechts door ADT tussentijds kan worden ontbonden. De omstandigheid dat hij in de algemene voorwaarden is uitgesloten van de mogelijkheid de overeenkomst tussentijds te beëindigen acht [appellant] onredelijk bezwarend, temeer nu ADT is aan te merken als een ervaren professionele partij en hij ([appellant]) slechts een onervaren startende ondernemer is, terwijl zijn onderneming bovendien al vijf maanden na het sluiten van de overeenkomst moest worden gestaakt.

12. Het hof verwerpt het betoog van [appellant]. Vaststaat dat de overeenkomst is aangegaan door de VOF Schoonmaakbedrijf [naam] en [naam] en door [appellant] als (mede)eigenaar van dit bedrijf is ondertekend, zodat [appellant] geen rechten kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 6:237, aanhef en sub k BW. De door hem aangevoerde omstandigheden zijn voorts onvoldoende voor een gegrond beroep op het bepaalde in artikel 6:233, aanhef en sub a BW, waarbij het hof in aanmerking neemt (1) dat de contractsduur van 48 maanden uitdrukkelijk onder artikel 1.1 van de overeenkomst (en dus niet “verstopt” in de algemene voorwaarden) is opgenomen, zodat [appellant] wist waar hij aan begon, (2) dat blijkens het bepaalde in 2.1 van de overeenkomst naast het verlenen van telebewaking door ADT ook apparatuur is geleverd (centrale tele-intrusie met keypad, Bip, tweemaal radar/micro, micro en tweemaal deurcontact) waarvoor de koopprijs ingevolge het bepaalde in artikel 4.2 van het contract in het termijnbedrag van f. 270,- per maand was begrepen en (3) het feit dat ADT, zoals zij ook in eerste aanleg onweersproken naar voren heeft gebracht, ten behoeve van [appellant] (en voor hem ook kenbaar) investeringen heeft gepleegd (ADT noemt de configuratie van de beveiligingsinstallatie, installatie en onderhoud van het beveiligingssysteem, alarmopvolging) die pas op termijn kunnen worden “terugverdiend”.

13. Ook het beroep van [appellant] op onvoorziene omstandigheden faalt. [appellant] heeft dit beroep in het geheel niet feitelijk onderbouwd. Het hof kan voorts geen gewicht toekennen aan de kennelijk in dit kader voor ogen van [appellant] staande omstandigheid dat hij zijn bedrijf kort na het sluiten van de overeenkomst heeft moeten staken, nu hij dit pas bij brief van 7 augustus 2001 (dus meer dan een jaar na het aangaan van de overeenkomst) aan ADT heeft gemeld, uit niets volgt waarom dit staken tussen partijen niet voor risico van [appellant] moet blijven en bovendien in het geheel niet is ingegaan op het bij brief van 9 augustus 2001 gedane (en later herhaalde) voorstel van ADT voor een regeling in der minne.

14. De tweede tot en met de vijfde grief (genummerd grief 2, grief 3, grief 3 en grief 4) lenen zich voor gezamenlijke bespreking. In de toelichting op deze grieven beklaagt [appellant] zich erover dat de rechtbank gederfde toekomstige termijnen onbeperkt als schade aanmerkt (tweede grief), dat de rechtbank geen gewicht heeft toegekend aan het feit dat ADT heeft nagelaten de geplaatste apparatuur meteen na de

opzeggingsbrief van [appellant] terug te halen (derde grief), dat de rechtbank aannemelijk acht dat een groot deel van de gederfde omzet als gederfde winst kan worden aangemerkt (vierde grief) en tot slot dat de rechtbank in het kader van de vraag of de boete dient te worden gematigd aan voornoemde omstandigheden ten onrechte geen gewicht heeft toegekend (vijfde grief).

15. Het hof stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat voor matiging van een overeengekomen boetebepaling slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, zodat de rechter pas als de toepassing van zo een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Het hof is van oordeel dat de door [appellant] genoemde omstandigheden, op zichzelf beschouwd, noch in onderlinge samenhang bezien kunnen leiden tot de conclusie dat een dergelijke tot matiging nopende situatie zich hier voordoet. Het hof neemt daarbij in aanmerking (1) dat de boete niet hoger is dan de bedragen die ADT bij nakoming van de overeenkomst zou hebben ontvangen, tevens (2) dat [appellant], gelet op de toen al openstaande facturen, reeds geruime tijd vóór zijn “opzeggingsbrief “ van 7 augustus 2001 in verzuim verkeerde, voorts (3) dat de onderneming van [appellant] al na vijf maanden werd gestaakt, terwijl hij daarvan pas melding maakte veertien maanden na het sluiten van de overeenkomst, verder (4) dat [appellant] in het geheel niet meer heeft gereageerd op het (herhaalde) voorstel van ADT om de kwestie in der minne op te lossen en tot slot (5) dat ADT bij het aangaan van de overeenkomst ten behoeve van [appellant] ook daadwerkelijk kosten heeft gemaakt die over de (ook toekomstige) termijnbedragen zijn “uitgesmeerd”. [appellant] verwijt ADT dan wel dat deze heeft verzuimd de geplaatste apparatuur te komen terughalen, maar gelet op het stilzwijgen van [appellant] kan ADT dat niet worden euvel geduid, terwijl anderzijds niet valt in te zien waarom [appellant] twee jaar heeft gewacht met het terugzenden van (onderdelen van) de apparatuur, die hij immers toch niet meer gebruikte.

16. De slotsom is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Tot die kosten behoren de nakosten. Het hof zal deze kosten, anders dan ADT vraagt, thans niet vaststellen omdat de vaststelling van de proceskosten ingevolge artikel 237, derde lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) beperkt blijft tot de kosten die vóór de uitspraak zijn gemaakt. Indien nodig is voor de begroting van de nakosten in een aparte procedure (artikel 237, vierde lid Rv) voorzien.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ADT tot op heden begroot op € 389,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, met de bepaling dat het totaalbedrag van € 1.283,- dient te zijn betaald binnen veertien dagen na de datum van dit arrest, bij gebreke waarvan [appellant] met ingang van die datum over dit bedrag de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal zijn verschuldigd;

- wijst het overigens gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Kramer, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2009 in aanwezigheid van de griffier.