Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BX3002

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
200.023.001-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afstand van instantie (250 Rv), proceskosten bij niet bestaande partij (245 Rv)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.023.001/01

Rolnummer rechtbank : 04-3573

Bevelschrift van de eerste civiele kamer d.d. 24 november 2009

inzake

INTERMEDIAIR ASSURANTIËN B.V. in liquidatie,

(voorheen) gevestigd te Zwolle,

appellante,

tevens verzoekster tot afstand van instantie,

hierna te noemen: Intermediair,

advocaat: mr. O.E.R.A.M. van der Vlies te Alphen aan den Rijn,

tegen

[Naam] B.V.,

gevestigd te Diemen,

geïntimeerde,

tevens verzoekster tot kostenveroordeling,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.J. Rasker te Amsterdam.

Het geding

Het hof verwijst voor het verloop van het geding tot dan toe naar zijn tussenarrest van 17 februari 2009. De daarin bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 17 maart 2009 en van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Intermediair heeft daarna een akte afstand van instantie, met een productie, genomen waarop [geïntimeerde] bij akte, eveneens met producties, heeft gereageerd. Daarbij heeft [geïntimeerde] het hof verzocht om ter zake van de door haar gemaakte proceskosten een bevelschrift uit te vaardigen, alsmede om de kosten ten laste te brengen van mr. Van der Vlies voornoemd als de advocaat van Intermediair, danwel ten laste van [Naam] (het hof begrijpt: [Naam], hierna: [X]) als de eigenaar van Intermediair. Bij brief van 30 oktober 2009 heeft mr. Van der Vlies mede namens [X] zijn standpunt ter zake van laatstgemeld verzoek naar voren gebracht.

Beoordeling van het verzoek

1. Intermediair heeft in voormelde akte, onder overlegging van de daarvoor benodigde bijzondere volmacht als bedoeld in artikel 250, tweede lid van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv), afstand gedaan van instantie. [geïntimeerde] heeft zich daartegen niet verzet. Dat betekent dat partijen van rechtswege zijn hersteld in de toestand van het geding als ware het hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van 25 juni 2008 niet aanhangig gemaakt.

2. [geïntimeerde] heeft het hof bij akte verzocht ter zake van de door Intermediair te betalen kosten op de voet van artikel 254 Rv (het hof leest: artikel 250, vierde lid Rv) een bevelschrift uit te vaardigen, alsmede om dit bevelschrift met toepassing van het bepaalde in artikel 245 Rv ten laste te brengen van mr. Van der Vlies, danwel [X], beiden in persoon. [geïntimeerde] heeft daarbij aangevoerd dat Intermediair niet bestaat en ook niet bestaan heeft ten tijde van het instellen van het hoger beroep.

3. Ingevolge het bepaalde in artikel 249, tweede lid Rv is Intermediair verplicht de in het hoger beroep door [geïntimeerde] gemaakte proceskosten te betalen. Het hof stelt deze kosten vast op € 1.750,-, zijnde de som van het door [geïntimeerde] betaalde griffierecht ad € 409,- en de overeenkomstig het geldende liquidatietarief berekende kosten van de advocaat ad € 1.341,- (1 1/2 punt in tariefgroep II voor bijwoning comparitie en genomen akte).

4. Het hof ziet geen aanleiding om dit bevelschrift (tevens) ten laste te brengen van mr. Van der Vlies of [X], aangezien Intermediair als in liquidatie verkerende vennootschap ook na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is en mr. Van der Vlies in zijn brief van 30 oktober 2009 voorts heeft aangegeven dat de in de onderhavige procedure spelende vordering van [geïntimeerde] op Intermediair van deze vereffening onderdeel uitmaakt.

Beslissing

Het hof:

- Beveelt de betaling door Intermediair aan [geïntimeerde] van de door laatstgenoemde in het hoger beroep gemaakte proceskosten en stelt deze vast op € 1.750,-;

- Wijst het overigens verzochte af.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, G. Dulek-Schermers en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009 in aanwezigheid van de griffier.