Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BP8637

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
200.006.563-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1019h Rv. ook van toepassing op geschil over de vraag of het gebod tot staking van de inbreuk op het auteursrecht is nageleefd. Goede trouw bij inbreuk leidt niet tot buiten toepassing laten 1019h Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.006.563/01

Rolnummer Rechtbank : 61572/KG ZA 08-41

arrest van de vijfde civiele kamer d.d. 19 mei 2009

inzake

V.D.V. MEUBELEN B.V.,

gevestigd te Hulst,

appellante,

hierna te noemen: VDV,

advocaat: mr. P.A.J.M. Lodestijn te Plasmolen, gemeente Mook en Middelaar,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht

[Naam] N.V.,

gevestigd te [Plaats], België,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.S. Kamminga te 's-Gravenhage.

Verloop van het geding

Bij exploot van 25 april 2008 is VDV in hoger beroep gekomen van de tussen partijen in kort geding gewezen vonnissen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg van 25 maart 2008 en 8 april 2008.

Bij arrest van 12 juni 2008 heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast, welke niet heeft plaatsgevonden.

Bij memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties, heeft VDV acht grieven tegen de vonnissen waarvan beroep aangevoerd, welke door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord, tevens houdende reactie wijziging eis, met productie, zijn bestreden.

Vervolgens hebben partijen, onder overlegging van hun procesdossiers, arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep

1. De door de Voorzieningenrechter in r.o. 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis van 25 maart 2008 vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

2. In geschil is de executie, door [geïntimeerde], van het arrest van dit hof van 21 juni 2007, waarin VDV is geboden binnen twee weken na betekening van het arrest elke inbreuk op de auteursrechten van [geïntimeerde] op het dressoir “Frodo” te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per overtreding. [geïntimeerde] stelt dat VDV het gebod tenminste eenmaal heeft overtreden en deswege een bedrag van € 20.000,- aan haar verschuldigd is. Zij heeft voor dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten, ten laste van VDV beslag doen leggen. In dit kort geding heeft VDV in eerste aanleg – kort gezegd – opheffing van het beslag en staking van de executie gevorderd. Bij vonnis van 25 maart 2008 heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen grond is om de door [geïntimeerde] ingezette executie te schorsen en de vorderingen afgewezen. Met betrekking tot de door [geïntimeerde] gevorderde vergoeding van de (werkelijk) door haar gemaakte proceskosten heeft de voorzieningenrechter bij genoemd vonnis de zaak aangehouden. In het vonnis van 8 april 2008 is VDV veroordeeld om [geïntimeerde] terzake van die kosten een bedrag van € 3.987,80 te voldoen.

3. Bij memorie van grieven heeft VDV aangegeven inmiddels onder druk van verdere executiemaatregelen het verschuldigde aan [geïntimeerde] te hebben betaald, waarna [geïntimeerde] de ten laste van VDV gelegde beslagen heeft opgeheven. In verband daarmee wijzigt VDV haar eis aldus dat zij in plaats van staking van de executie thans vordert de ongedaanmaking van de executie. De grieven I tot en met V hebben betrekking op de vraag of VDV het haar opgelegde gebod heeft overtreden en of zij in verband daarmee een dwangsom heeft verbeurd. In de grieven VI tot en met VIII klaagt VDV over de beslissing van de voorzieningenrechter om [geïntimeerde], op de voet van artikel 1019h Rv., een volledige proceskostenvergoeding toe te kennen.

4. [geïntimeerde] bepleit primair de niet-ontvankelijkheid van VDV voor zover het hoger beroep zich richt tegen het vonnis van 25 maart 2008, op de grond dat dat een deelvonnis is en VDV daartegen uiterlijk op 22 april 2008 in hoger beroep had moeten komen, hetgeen zij heeft nagelaten. Volgens [geïntimeerde] treft de niet-ontvankelijkheid op die grond de afwijzing van de vordering tot staking van de executie, alsook de beslissing om [geïntimeerde] een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 1019h Rv. toe te kennen. Subsidiair voert [geïntimeerde] inhoudelijk verweer tegen het gevorderde. Voorts voert zij verweer tegen het hoger beroep voor zover het betreft de omvang van de toegewezen proceskostenvergoeding. Ten slotte vordert zij ook in hoger beroep veroordeling van VDV werkelijk door haar gemaakte proceskosten.

5. Er is sprake van een eindvonnis voor zover in het dictum enig deel van het gevorderde wordt toe- of afgewezen. Het vonnis van de voorzieningenrechter van 25 maart 2008 bevat, in het dictum, de volgende beslissing:

“De voorzieningenrechter:

5.1 wijst de vorderingen af;

5.2 houdt de zaak voor wat betreft de definitieve proceskostenveroordeling om reden zoals hiervoor onder 4.2 vermeld aan tot (…)”

Dit vonnis is derhalve een eindvonnis wat betreft de afwijzing van de vorderingen van VDV.

Ingevolge artikel 339 lid 2 Rv. kon VDV tot en met 22 april 2008 hoger beroep instellen tegen dit vonnis. Nu zij dat eerst op 25 april 2008 heeft gedaan is zij dan ook in zoverre niet-ontvankelijk in haar beroep. De wijziging van eis doet daaraan niet af, nu de aldus gewijzigde eis in de plaats komt van de in eerste aanleg ingestelde eis en VDV te laat tegen de afwijzing daarvan heeft geappelleerd. De grieven I tot en met V, die dienen ter onderbouwing van de gewijzigde eis, komen derhalve niet voor beoordeling in aanmerking.

6. Anders dan [geïntimeerde] betoogt, is VDV wel tijdig in hoger beroep gekomen wat betreft de beslissing tot vergoeding van haar –[geïntimeerde] – proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv. Immers, daarover heeft de voorzieningenrechter eerst in het dictum van het vonnis van 8 april 2008 een beslissing genomen. Dat met betrekking tot die kosten in het vonnis van 25 maart 2008 al een eindbeslissing in de overwegingen is opgenomen doet in dit verband niet terzake.

7. VDV voert aan dat artikel 1019h Rv. in deze zaak toepassing mist, nu het debat geen betrekking heeft gehad op een recht van intellectuele eigendom, doch uitsluitend op de vraag of een met een dwangsom versterkt rechterlijk (het hof leest:) gebod is geschonden. Het hof verwerpt dit betoog. De regeling waarvan artikel 1019h Rv. deel uitmaakt is, blijkens het bepaalde in artikel 1019 Rv., van toepassing op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom. De onderhavige zaak, die tot inzet heeft de vraag of het gebod tot staking van de inbreuk op het auteursrecht van [geïntimeerde] door VDV is nageleefd, heeft aldus betrekking op de handhaving van het auteursrecht van [geïntimeerde] en valt mitsdien onder het toepassingsbereik van de regeling.

8. Voor zover VDV tevens bedoelt te betogen dat zij bij het maken van inbreuk op het auteursrecht van [geïntimeerde] te goeder trouw is geweest en dat om die reden een volledige proceskostenvergoeding niet is aangewezen, wordt ook dit betoog verworpen. Nu VDV niet tijdig heeft geappelleerd tegen het vonnis van 25 maart 2008, is in dit hoger beroep uitgangspunt dat VDV na de ingangsdatum van het opgelegde gebod nog éénmaal inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van [geïntimeerde], door een dressoir af te leveren waarvan zij wist dat deze inbreuk maakte op het auteursrecht van [geïntimeerde]. VDV heeft geen omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat zij desondanks te goeder trouw was, althans dat het afleveren van een dressoir waarvan zij wist dat deze inbreuk maakt op het auteursrecht van [geïntimeerde] haar niet kan worden toegerekend. Zowel de stellingen van VDV, als de door haar overgelegde verklaringen, strekken immers (uitsluitend) ten betoge dat geen inbreuk is gemaakt.

9. Voorts lijkt VDV te betogen dat in casu sprake is van een kleinschalige inbreuk en dat om die reden geen volledige proceskostenveroordeling dient te worden uitgesproken. Voor zover VDV bedoelt dat artikel 1019h Rv. algeheel toepassing mist indien sprake is van een inbreuk van geringe omvang, vindt dit betoog naar ’s hofs voorlopig oordeel geen steun in die bepaling, noch in het bepaalde in artikel 1019 Rv. Wel kan de reikwijdte van het inbreukmakend handelen van invloed zijn op de vaststelling van hetgeen een redelijke en evenredige vergoeding kan worden geacht (vgl. de Memorie van Toelichting bij artikel 1019h Rv., TK 2005-2006, 30 392, nr. 3, blz. 26).

10. Het hof is van oordeel dat het in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevorderde bedrag, in aanmerking genomen de inbreuk die hier aan de orde is en de kosten die [geïntimeerde] heeft moeten maken om verweer te voeren in dit door VDV aangespannen geding, redelijk en evenredig is. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat VDV haar stelling dat de zaak met minder uren behandeld had kunnen worden, niet heeft onderbouwd.

11. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep faalt.

12. [geïntimeerde] vordert vergoeding van haar volledige proceskosten in hoger beroep, die zij begroot op € 5.114,69. Ter ondersteuning van die vordering heeft zij bij memorie van antwoord een specificatie en declaraties overgelegd. Nu VDV daarop nog niet heeft kunnen reageren, zal het hof haar daartoe gelegenheid bieden.

Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 30 juni 2009 voor akte aan de zijde van VDV, tot het doel vermeld in r.o. 12;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Fasseur-van Santen, A.D. Kiers-Becking en

T.H. Tanja-van den Broek, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2009 in aanwezigheid van de griffier.