Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL9400

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
105.012.013-01 en 105.012.014-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BT2194, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BT2194
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderschapsonderzoek. Gevolgen die het hof verbindt aan het niet meewerken aan het onderzoek door één van de partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 22 juli 2009

Zaaknummer : 105.012.013/01 en 105.012.014/01

Rekestnummer : 1449-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-2294

In de zaak met zaaknummer 105.012.013/01 (omgangsregeling):

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen: mr. M.D. Winter, thans: geen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.A.M.G. Wellen.

In de zaak met zaaknummer 105.012.014/01 (ouderlijk gezag en hoofdverblijf):

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. L.A.M.G. Wellen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen: mr. M.D. Winter, thans: geen.

Als belanghebbende wordt in beide zaken aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging ’s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

HET VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 10 december 2008, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof de heer T.K. Westerduin tot deskundige benoemd in het kader van een ouderschapsonderzoek en hem daarbij opdracht gegeven antwoord te geven op de in rechtsoverweging 14 van die tussenbeschikking vermelde vragen. Voorts is daarbij als raadsheer-commissaris benoemd mr. C.A.R.M. van Leuven en is de verdere behandeling aangehouden.

Van de tot dat moment voor de moeder opgetreden advocaat is op 24 december 2008 een brief ingekomen, waarin deze mededeelt, niet langer voor de moeder op te treden en waarin wordt medegedeeld dat de moeder niet wenst mee te werken aan het ouderschapsonderzoek.

Nadien is bij het hof ingekomen een emailbericht van 12 maart 2009 van de door het hof benoemde deskundige waarin deze deskundige rapporteert dat de moeder iedere vorm van medewerking aan het ouderschap weigert. Het hof heeft partijen bij brief van 27 maart 2009 bericht voornemens te zijn naar aanleiding van voormeld emailbericht een tussenbeschikking af te geven. Het hof heeft partijen de mogelijkheid gegeven binnen veertien dagen een reactie op het voornemen in te dienen bij het hof.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 9 april 2009, 14 april 2009 en 3 juni 2009 een brief ingekomen.

De moeder heeft, behoudens haar verzoek tot uitstel op 22 april 2009, niet gereageerd op het voornemen van het hof.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het ouderlijk gezag over, de hoofdverblijfplaats van en de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige: [het kind], geboren op [geboortedatum in] 1997 te [geboorteplaats], verder: [het kind].

[Het kind] verblijft bij de moeder.

2. Het hof heeft bij tussenbeschikking van 10 december 2008 een ouderschapsonderzoek gelast, teneinde te bemiddelen tussen de ouders met als doel hun ouderschap na scheiding vorm te geven en hiertoe onderzoek te doen. Het hof stelt voorop dat partijen ter terechtzitting ieder hun medewerking aan het ouderschapsonderzoek hebben toegezegd. Op grond van het bepaalde in artikel 198 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn partijen verplicht mee te werken aan een onderzoek door deskundigen. Voldoen (één van) partijen niet aan deze verplichting, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

3. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de ouders reeds langere tijd verwikkeld zijn in een heftige strijd om [het kind]. Zij blijken niet in staat zijn belang daarbij voorop te stellen. Teneinde de verhouding tussen partijen te verbeteren en hun onderlinge verhouding als ouders van [het kind] te herdefiniëren, heeft het hof bij tussenbeschikking van 10 december 2008 een ouderschapsonderzoek gelast. Hoewel beide partijen ter terechtzitting hun volledige medewerking aan het onderzoek hebben toegezegd, is het hof thans gebleken dat de moeder iedere medewerking aan het onderzoek weigert.

4. Het hof overweegt dat door de huidige opstelling van de moeder geen ruimte wordt geboden voor het nakomen van een omgangsregeling, aangezien zij niet wil meewerken aan enig compromis met de vader. Zij lijkt daardoor niet in staat haar ouderlijke verantwoordelijkheid ten opzichte van [het kind] te nemen. Het hof is van oordeel dat van de moeder mag worden verwacht dat zij een andere houding aanneemt. Zij dient zich niet te laten leiden door de strijd die zij met de vader voert, maar het belang van [het kind] voorop te stellen. Daarbij dient zij zich open te stellen voor een andere zienswijze dan de hare. Teneinde deze impasse te doorbreken acht het hof het noodzakelijk in het belang van [het kind] zijn hoofdverblijfplaats voorlopig bij de vader te bepalen. Deze oplossing garandeert zoveel mogelijk dat [het kind] zowel met de vader als met de moeder contact heeft en houdt. Uit de reactie van de vader op het voornemen van het hof blijkt dat de vader in staat is rekening te houden met de wensen van [het kind].

5. Het hof zal tevens een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [het kind] bepalen, daarbij rekening houdende met de mening van de minderjarige ten aanzien van de voorgestelde omgangsregeling zoals deze door de vader is verwoord bij faxbrief van 14 april 2009. Het hof acht het in het belang van [het kind] dat hij voorlopig bij de moeder zal verblijven de ene week van woensdag na school tot vrijdag 19.00 uur en de andere week van woensdag na school tot zondagavond 19.00 uur, nu deze regeling overzichtelijk is en rust en structuur geeft voor de minderjarige. Voor wat betreft de zomervakantie dienen partijen de regeling zoals opgenomen in de bestreden beschikking na te leven en na ommekomst van deze vakantie dienen zij de hier bepaalde omgangsregeling wederom te hervatten.

6. Het ouderschapsonderzoek zal onder deze nieuwe omstandigheden door de deskundige worden hervat, waarbij het hof er van uitgaat dat partijen hun volledige medewerking aan het onderzoek zullen verlenen.

7. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van [het kind] voor de duur van het ouderschapsonderzoek bij de vader;

bepaalt dat [het kind] voor de duur van het ouderschapsonderzoek bij de moeder zal zijn: de ene week van woensdag na school tot vrijdag 19.00 uur en de andere week van woensdag na school tot zondagavond 19.00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zaterdag 30 januari 2010;

verzoekt de deskundige het hof uiterlijk voor die datum te berichten;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Dijk en Mink, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juli 2009.