Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL6395

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
200.034.120.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Co-ouderschap? Rechtsverwerking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 december 2009

Zaaknummer : 200.034.120/01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-3037

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Spijkenisse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 mei 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 februari 2009 de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 29 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 9 november 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 6 november 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 november 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2003 gewijzigd, in die zin, dat de daarbij aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarige (hierna: de kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2007 op nihil is bepaald.

Voorts is de kinderalimentatie voor het verleden bepaald op hetgeen tot op heden is betaald of verhaald en is bepaald dat de moeder aan de vader met ingang van 27 april 2007, als kinderalimentatie voor de minderjarige, voor wat betreft de na heden te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 350,- per maand, vermeerderd met iedere uitkering die haar op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarige kan of zal worden verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie voor [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).

2. De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze beschikking toeziet op de vaststelling van een door de moeder met ingang van 27 april 2007 te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige van € 350,- per maand en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de vader wordt afgewezen, althans de door de moeder te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige met ingang van 27 april 2007 op nihil wordt gesteld, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen dan wel een zodanige uitspraak te doen als dit hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

Wijziging van omstandigheden

4. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2003. Het hof gaat hiervan uit en zal in het verlengde daarvan opnieuw de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de moeder beoordelen. Het hof zal met de vaststelling van het laatste beginnen. Daarbij is van belang het antwoord op de vraag of er sprake is van co-ouderschap.

Co-ouderschap

5. De moeder heeft bevestigd dat de minderjarige sinds 27 april 2007 niet meer op haar adres staat ingeschreven, maar er is sprake van een co-ouderschap en de minderjarige verblijft dus net zo veel bij haar als bij de vader. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist.

6. Er is sprake van co-ouderschap als de zorg voor de minderjarige bij helfte tussen de ouders wordt verdeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, met name uit de verklaringen van de moeder, is het hof gebleken dat de minderjarige één keer in de veertien dagen ongeveer vier dagen (van vrijdag 16.00 tot dinsdag 18.00 uur) bij de moeder doorbrengt. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van verdeling van de zorg bij helfte tussen de ouders, zodat er geen sprake is van co-ouderschap.

Het hof gaat er derhalve van uit dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats heeft bij de vader en eenmaal per veertien dagen van vrijdag 16.00 tot dinsdag 18.00 uur bij de moeder verblijft.

7. Het hof zal, alvorens te komen tot de beoordeling van de draagkracht van de moeder, haar beroep op rechtsverwerking, en het verweer van de moeder tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum, behandelen.

Rechtsverwerking

8. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van rechtsverwerking omdat de vader tot november 2008 heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek om kinderalimentatie. Het hof overweegt dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de moeder het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de vader zijn aanspraak op kinderalimentatie niet (meer) geldend zou maken. De moeder heeft geen omstandigheden gesteld waardoor de vader jegens haar de indruk heeft gewekt dat hij zou afzien van het vorderen van kinderalimentatie. Het beroep van de moeder op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.

Ingangsdatum

9. De moeder stelt dat zij niet met ingang van 27 april 2007 rekening heeft kunnen houden met het verzoek van de vader om kinderalimentatie. De vader heeft dit gemotiveerd betwist.

10. Het hof is van oordeel dat de moeder er, uitsluitend door de wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige, niet op heeft hoeven rekenen dat zij mogelijk aan de vader kinderalimentatie zou moeten gaan betalen. De moeder mocht ervan uitgaan dat de vader de aan hem bij de beschikking van 17 november 2003 opgelegde kinderalimentatie van € 350,- per maand, nu de minderjarige bij hem verbleef, aan de minderjarige zou besteden. Het hof acht het redelijk en billijk om aansluiting te zoeken bij de datum van het inleidend verzoekschrift van de vader en de ingangsdatum van de alimentatieverplichting van de moeder derhalve vast te stellen op 1 november 2008, aangezien zij vanaf die datum op de hoogte was van het wijzigingsverzoek van de vader en zich had dienen te realiseren dat zijn verzoek geheel of gedeeltelijk kon worden toegewezen.

11. De moeder stelt dat zij onvoldoende draagkracht heeft voor het betalen van de verzochte bijdrage. Het hof zal hierna beoordelen of de moeder draagkracht heeft om met ingang van 1 november 2008 kinderalimentatie aan de vader te betalen.

Draagkracht moeder

12. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de moeder diverse schulden heeft en dat er in verband hiermee met ingang van 1 april 2008 beslag is gelegd op haar salaris ter hoogte van een bedrag van € 634,50 per maand. Voorts is gebleken dat een gedeelte van het beslag ziet op advocaatkosten die de moeder heeft gemaakt in eerdere procedures tegen de vader. De vader heeft weersproken dat met deze kosten rekening moet worden gehouden.

Het hof overweegt dat het weliswaar gebruikelijk is om advocaatkosten slechts gedurende hoogstens een jaar na de echtscheidingsprocedure mee te nemen voor een bedrag van € 114,- per maand, maar dat de moeder met deze kosten wordt geconfronteerd door middel van het beslag, waardoor zij feitelijk € 544,- per maand netto van haar inkomsten overhoudt. Het hof is in dit geval van oordeel dat niet van de moeder verwacht kan worden dat zij van het inkomen dat zij overhoudt een bijdrage betaalt voor de minderjarige, omdat zij alsdan in het geheel niet meer kan voorzien in de noodzakelijke kosten van haar bestaan.

13. Voor zover de moeder aan de vader alimentatie heeft betaald, zal worden bepaald, dat deze betalingen gezien het consumptieve karakter niet terug betaald hoeven te worden.

14. Het hof zal als navolgend beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de moeder aan de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 november 2008 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vader de eventueel door de moeder betaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, niet aan de moeder behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Mos-Verstraten en Punselie, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2009.