Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL5783

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00235
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN3909, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De wetgever heeft zich nadrukkelijk gebogen over de berekeningsmethodiek van de heffingsrente. Daarbij is bewust geabstraheerd van het feitelijk moment waarop bepaalde inkomsten worden genoten of voordeel wordt genoten. De nadelen die aan de thans wettelijke berekeningsmethodiek zijn verbonden heeft de wetgever gewogen en welbewust aanvaard. Het Hof meent dat de wetgever te dezer zake “a wide margin of appreciation” toekomt en dat de wetgever deze marge niet heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 572
FutD 2010-0594

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00235

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 30 oktober 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 april 2009, nummers AWB 08/1545 IB/PVV, betreffende de hierna te noemen beschikking heffingsrente.

1. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Holland-Midden/ kantoor Leiden (hierna: de Inspecteur) heeft gelijktijdig met het opleggen van een nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 tot een bedrag van € 5.443, een beschikking heffingsrente opgelegd tot een bedrag van € 76.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking heffingsrente een bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend. Bij zijn uitspraak heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikking afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 39. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. Belanghebbende heeft bij brief van 22 juni 2009 gereageerd op het verweerschrift. De Inspecteur heeft daarop geantwoord dat van zijn zijde geen behoefte bestaat om hierop te reageren.

2.3. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1928 en heeft in verband met in het jaar 2006 te verwachten inkomsten uit sparen en beleggen (rente-inkomsten) om het opleggen van een nadere voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 verzocht.

3.2. De vorenbedoelde rente-inkomsten zijn eind 2006 door belanghebbende genoten.

3.3. In de onderhavige nadere voorlopige aanslag is heffingsrente berekend over het tijdvak vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 juni 2007. Deze berekening luidt als volgt:

derde kwartaal 2006 1744 x 90/360 x 4% = € 17,44

vierde kwartaal 2006 1744 x 90/360 x 4.25% = € 18,53

eerste kwartaal 2007 1744 x 90/360 x 4.7% = € 20,49

tweede kartaal 2007 1744 x 81/360 x 5% = € 19,62

Totaal € 76,08.

De cijfermatige berekening als zodanig staat tussen partijen vast.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de heffingsrente mag worden berekend over de periode van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2006 en over de periode 1 mei 2007 tot en met 21 juni 2007.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De rente heeft hij eerst op 31 december 2006 genoten. De in rekening gebrachte heffingsrente ad € 76 is berekend over het derde kwartaal 2006 tot en met het tweede kwartaal 2007 (21 juni 2007). Dit terwijl hij de aangifte voor 1 april 2007 heeft ingediend. De in rekening gebrachte heffingsrente over het derde en vierde kwartaal van het jaar 2006 en over de maand mei 2007 en 1 tot en met 21 juni 2007, is derhalve ten onrechte in rekening gebracht. Belanghebbende was over die periode geen belasting verschuldigd. Hij kan instemmen met het in rekening brengen van heffingsrente over de periode januari 2007 tot en met april 2007.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de beschikking heffingsrente, en tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte proceskosten.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft - voor zover thans nog van belang - het volgende overwogen. Daarbij dient onder eiseres te worden verstaan: belanghebbende, en onder verweerder: de Inspecteur:

"4.1. Ingevolge artikel 30f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt opgelegd. Deze heffingsrente wordt, ingevolge het derde lid, aanhef en onderdeel a, van voormeld artikel, enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na het midden van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet.

4.2. Op grond van de wettelijke bepalingen inzake de heffingsrente is deze rente in de onderhavige situatie verschuldigd over de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 juni 2007, de dag van de dagtekening van het aanslagbiljet. Verweerder heeft de in rekening gebrachte heffingsrente met inachtneming van de in 4.1. genoemde wetsbepaling berekend. De wetsbepalingen inzake het in rekening brengen van heffingsrente bieden geen mogelijkheid heffingsrente in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten dan wel lager vast te stellen.

4.3. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om de door eiser verschuldigde heffingsrente geheel of gedeeltelijk te verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder met het in rekening brengen van heffingsrente heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur en dan met name het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder op grond van artikel 11, derde lid, van de AWR drie jaar de tijd heeft om een aanslag vast te stellen. De omstandigheid dat de rente eerst op 31 december 2006 is bijgeschreven op de bankrekening van eiser doet niet terzake. Bovendien is het belastbare feit niet het genieten van rente, maar het beschikken over vermogen.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Ter aanvulling overweegt het Hof nog het volgende.

De wetgever heeft zich nadrukkelijk gebogen over de berekeningsmethodiek van de heffingsrente. Daarbij is bewust geabstraheerd van het feitelijk moment waarop bepaalde inkomsten worden genoten of voordeel wordt genoten. De nadelen die aan de thans wettelijke berekeningsmethodiek zijn verbonden heeft de wetgever gewogen en welbewust aanvaard. Vergelijk de kamerstukken Tweede Kamer 2004-2005, 29 767, nr. 6, blz. 17. Het Hof meent dat de wetgever te dezer zake "a wide margin of appreciation" toekomt en dat de wetgever deze marge niet heeft overschreden.

6.3. Ambtshalve en voor zover het beroep van de belanghebbende zou moeten worden verstaan als een beroep op ongeoorloofde discriminatie in de zin van artikel 26 van het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: BUPO) en op artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM, overweegt het Hof het volgende. Indien belanghebbendes standpunt dat de voormelde berekeningsmethodiek van heffingsrente in strijd is met de hiervoor vermelde verdragsbepalingen juist zou zijn, gaat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om daar een oplossing voor te bieden (in dit verband wijst het Hof op de arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 15 juli 1998, nr. 31 922, onder meer gepubliceerd in BNB 1998/293, van 17 augustus 1998, nr. 33 078, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/122, van 12 mei 1999, nr. 33 320, onder meer gepubliceerd in BNB 1999/271 en van 14 juli 2000, nr. 35 059, onder meer gepubliceerd in BNB 2000/306).

6.4. Hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

6.5. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna vermeld.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, B. van Walderveen en S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 30 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.