Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL5428

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00283
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BO8479, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Naar ’s Hofs oordeel wijzen de voorhanden zijnde gegevens niet anders uit dan dat de uitspraken op bezwaar tijdig en op regelmatige wijze zijn toegezonden aan [A]. Dat hij dienaangaande geen actie heeft ondernomen, maakt het overschrijden van de termijn daartegen in beroep te komen niet verschoonbaar (vergelijk artikel 6:11 van de AWB), noch kan de Inspecteur van toezending aan diens adres enig verwijt worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-09/00283

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 9 oktober 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden (kantoor Den Haag), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2009, nummer AWB 08/8422 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een ambtshalve aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 810.000. Gelijk met de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking een boete opgelegd van € 113.

1.2. Bij twee in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee heeft de griffier een griffierecht geheven van € 110.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Het Hof heeft op verzoek van belanghebbende met toepassing van artikel 8:52, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de AWB) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het Hof heeft daarbij op de voet van artikel 8:52, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de AWB de in artikel 8:41, lid 2, van de AWB bedoelde termijn verkort tot 25 dagen.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 28 augustus 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.5. Ter zitting zijn tevens behandeld de hogerberoepzaken met de kenmerken BK-09/00281 en BK-09/00282, die betrekking hebben op de aan [Y], de echtgenote van belanghebbende, opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2003 (met boete) en het jaar 2005. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aangiftebiljet voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgereikt. Belanghebbende heeft het biljet niet op de wettelijk voorgeschreven wijze ingevuld aan de Inspecteur teruggezonden.

3.2. In verband daarmee heeft de Inspecteur ambtshalve naar een geschat belastbaar bedrag aan inkomen uit werk en woning een aanslag opgelegd. Ook heeft hij een verzuimboete van € 113 opgelegd.

3.3. Namens belanghebbende heeft [A] (hierna: [A]) tijdig bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de boetebeschikking.

3.4. Belanghebbende is tot eind 2003 eigenaar van [B], een schoonmaakbedrijf in de vorm van een eenmanszaak. De Inspecteur heeft een boekenonderzoek inzake de loonbelasting/premie volksverzekeringen laten instellen. Aanleiding daartoe was de constatering dat in de jaren 2000 tot en met 2003 de loonkosten zijn teruggelopen in vergelijking tot de (gestegen) omzet.

3.5. Op 22 oktober 2007 is het controlerapport aan belanghebbende gezonden. Op 22 november 2007 is de Inspecteur bericht dat mr. [C] (de huidige gemachtigde) is ingeschakeld voor het geschil. Op 29 november 2007 heeft belanghebbende een eerste gesprek op het kantoor van de huidige gemachtigde.

3.6. De Inspecteur, in de persoon van [D] (hierna: [D]), heeft bij brieven van 26 oktober 2007, van 19 november 2007 en van 13 december 2007 een herhaald verzoek gedaan informatie te geven over de ingediende bezwaarschriften tegen de ambtshalve opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende en van diens echtgenote. De brieven zijn gericht aan [E], [a-straat 1], [0000 XX] [Z], ter attentie van [A]. In de brief van 13 december 2007 is - voor zover hier van belang - de volgende passage opgenomen:

”Tijdens het telefoongesprek van 22 november 2007 heeft u bij herhaling toegezegd dat u na het bezoek aan de advocaat (kantoor [C] te [Z]) op donderdag 29 november 2007 mij telefonisch zou berichten en daarbij tevens zou overgaan tot het verstrekken van alle gevraagde informatie. Tot op heden heeft u de gevraagde informatie niet verstrekt.”

3.7. Op 3 januari 2008 heeft [A] telefonisch contact opgenomen met de Inspecteur. Op een door de Inspecteur overgelegde kopie van de brief van 13 december 2007 zijn handgeschreven aantekeningen van [D] geplaatst inzake een telefonisch contact die dag om 11.00 uur ’s ochtends met de strekking een verzoek om nader uitstel vanwege het verblijf van belanghebbende in het buitenland. Tevens is melding gemaakt van een telefonisch contact van [D] met [A] later die dag waarin het verzoek om nader uitstel na intern overleg is afgewezen.

3.8. In de uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 januari 2008 is - voor zover hier van belang - vermeld:

”In mijn brieven van 27 juni 2007, 26 oktober 2007, 19 november 2007 en 13 december 2007 heb ik u bij herhaling verzocht informatie te geven over het door u ingediende bezwaarschrift. Tijdens het telefoongesprek van 22 november 2007 heeft u bij herhaling toegezegd dat u na het bezoek aan de advocaat (kantoor [C] te [Z]) op donderdag 29 november 2007 mij telefonisch zou berichten en daarbij tevens zou overgaan tot het verstrekken van alle gevraagde informatie. Voor de allerlaatste maal is daarbij uitstel verleend tot en met 3 januari 2008. Hedenmorgen heeft u mij wederom gebeld met de mededeling dat u de gevraagde informatie (nog) niet kon leveren. Na intern beraad heb ik besloten geen verder uitstel meer te verlenen en uw bezwaar af te wijzen. Ik heb u mijn beslissing - overeenkomstig mijn brief van 13 december 2007 - hedenmiddag telefonisch nogmaals kenbaar gemaakt.”

3.9. De huidige gemachtigde van belanghebbende heeft met dagtekening 16 oktober 2008 een brief verzonden aan [F], ontvanger en werkzaam bij de Belastingdienst/Haaglanden, kantoor Den Haag. In de brief is - voor zover hier van belang - vermeld:

”Uw informatie, dat er geen bezwaar (meer) in behandeling is [is] niet correct en ik verzoek u e.e.a. na te zien en te corrigeren. De vergissing heeft bij cliënt geleid tot grote onzekerheid en ik meen, dat dit voorkomen moet worden.”

3.10. Op 29 februari 2008 dient [A] een bezwaarschrift in tegen de aan belanghebbendes echtgenote opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2005.

3.11. Op 10 maart 2008 heeft [A] namens belanghebbende en namens diens echtgenote de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 ingediend.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Tot die beslissing is de rechtbank op basis van de volgende overwegingen - voor zover hier van belang - gekomen:

4.1.1. Bij brief van 19 november 2008, op dezelfde datum ingekomen bij de rechtbank, heeft (de gemachtigde van) belanghebbende beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar met dagtekening 3 januari 2008. Niet in geschil is dat niet vaststaat dat de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze is bekendgemaakt aan de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende. In deze situatie kan van de (huidige) gemachtigde van belanghebbende worden verwacht dat hij zo spoedig als dat redelijkerwijs mogelijk is nadat hij op de hoogte is geraakt van de uitspraak op bezwaar beroep instelt.

4.1.2. Ter zitting is gebleken dat de (huidige) gemachtigde van belanghebbende via belanghebbende op de hoogte is geraakt van het feit dat een uitspraak op bezwaar was gedaan en vervolgens telefonisch contact heeft opgenomen met de Inspecteur. Uit de stukken blijkt dat dit onder meer op 15 oktober 2008 is gebeurd. Het op 19 november 2008 ingestelde beroep is niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk ingesteld, ook niet als - zoals namens belanghebbende is bepleit - wordt uitgegaan van de datum van toezending van de uitspraak op bezwaar (6 november 2008). Bekendheid met de (gehele) motivering van de uitspraak op bezwaar is niet vereist om (pro forma) beroep in te stellen en er wordt steeds gelegenheid geboden om een niet bij het beroepschrift meegezonden uitspraak op bezwaar alsnog toe te zenden. Bij het voorgaande is voorts mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde van belanghebbende een advocaat/belastingkundige is, derhalve een professionele gemachtigde van wie kan worden verwacht dat hij op de hoogte is van de toepasselijke wet- en regelgeving omtrent het instellen van bezwaar en beroep. Het voorgaande geldt ook voor het beroep met betrekking tot de verzuimboete.

5. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of de Inspecteur de uitspraken op bezwaar op 3 januari 2008 heeft verzonden. Subsidiair spitst het geschil zich toe op de vraag of de uitspraken aan de huidige gemachtigde in plaats van aan [A] hadden dienen te worden gezonden.

5.2. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot gegrondverklaring van de bezwaren en tot veroordeling van de Staat de werkelijk gemaakte kosten en de werkelijk geleden schade te betalen naast de forfaitaire gedingkosten.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De Inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs is te concluderen dat de uitspraken op de bezwaren tegen de aan belanghebbende en diens echtgenote ambtshalve opgelegde aanslagen en de daarbij opgelegde verzuimboeten, met dagtekening 3 januari 2008, op regelmatige wijze zijn verzonden aan [A]. Ter ondersteuning daarvan verwijst het Hof in het bijzonder naar de correspondentie voorafgaande aan de verzending van de uitspraken en de telefonische contacten op

3 januari 2008.

7.2. Anders dan belanghebbende verdedigt, was het de Inspecteur niet kenbaar en hoefde hij toentertijd redelijkerwijs uit de feiten en omstandigheden niet af te leiden dat de huidige gemachtigde niet slechts het geschil betreffende de naheffing in de loonbelasting/premie volksverzekeringen had overgenomen. Redengevend acht het Hof dat de externe boekhouder in de contacten met de Inspecteur nimmer heeft meegedeeld niet langer gemachtigde in het geschil omtrent de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te zijn. Integendeel, [A] heeft ook na het doen van de uitspraken op bezwaar meermalen contact gehad met de Inspecteur, doch nimmer de hiervoor vermelde mededeling gedaan.

7.3. Voorts heeft de huidige gemachtigde zich nimmer als zodanig gesteld in de onderhavige kwestie. Het betoog dat het geschil inzake de loonbelasting/premie volksverzekeringen identiek is aan dat ter zake van de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen faalt. Reeds omdat, zoals uit de gedingstukken op overtuigende wijze naar voren komt, voor de heffing van laatstbedoeld belastingmiddel de kwestie van de winstverdeling van de fiscale eenmanszaak [B] over belanghebbende en diens echtgenote en de kwestie van de overgang naar de BV-vorm partijen diepgaand verdeeld hielden en ook thans nog niet tot een oplossing zijn gebracht. Tevens heeft de Inspecteur vragen gesteld over de overname van [G] en over het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Het Hof verwijst daarvoor naar de brief van de Inspecteur van 27 juni 2007, die in kopie tot de gedingstukken behoort.

7.4. Het betoog van belanghebbende dat de onderwerpelijke aanslag en de samenhangende aanslag aan belanghebbendes echtgenote, over hetzelfde jaar opgelegd, communicerende vaten zijn met de naheffing in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, maakt dat niet anders. Het enkele feit dat, indien en voor zover de naheffing in de loonbelasting/premie volksverzekeringen in rechte onherroepelijk, geheel of voor een gedeelte, in stand blijft, deze naheffing in mindering kan worden gebracht op het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende, rechtvaardigt niet een andere conclusie.

7.5. Naar ’s Hofs oordeel wijzen de voorhanden zijnde gegevens niet anders uit dan dat de uitspraken op bezwaar tijdig en op regelmatige wijze zijn toegezonden aan [A]. Dat hij dienaangaande geen actie heeft ondernomen, maakt het overschrijden van de termijn daartegen in beroep te komen niet verschoonbaar (vergelijk artikel 6:11 van de AWB), noch kan de Inspecteur van toezending aan diens adres enig verwijt worden gemaakt.

7.6. Ook overigens is het Hof van oordeel dat belanghebbende, op wiens weg zulks ligt, geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die de termijnoverschrijding kunnen disculperen. Integendeel, uit de uitspraken op bezwaar blijkt dat op de dag in kwestie tweemaal telefonisch contact is geweest tussen [A] en de Inspecteur en de gevraagde informatie niet kon worden geleverd. Ook dat bevestigt het beeld dat [A] zich jegens de Inspecteur als gemachtigde ter zake van de onderwerpelijke aanslag heeft gepresenteerd. De Inspecteur mocht daar redelijkerwijs op afgaan.

7.7. De Inspecteur heeft overigens alleszins aannemelijk gemaakt dat de huidige gemachtigde op 15 oktober 2008 op de hoogte was van het feit dat uitspraak op bezwaar was gedaan en niet eerst op 10 november 2008, hetgeen blijkt uit het gesprek dat die gemachtigde had met [D] op 30 oktober 2008. De brief van de gemachtigde van 10 november 2008 bevestigt dat evenzeer. In zoverre heeft te gelden dat de rechtbank op goede gronden de termijn voor het herstellen van het verzuim heeft bepaald ingaande 15 oktober 2008. Het verzuim is derhalve niet binnen veertien dagen respectievelijk niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk hersteld. Ook uit dien hoofde faalt het hoger beroep.

7.8. De huidige gemachtigde van belanghebbende heeft gewezen op een brief van 1 december 2007 van [A] gericht aan de Inspecteur. Daarin is meegedeeld dat de huidige gemachtigde voortaan zou optreden als gemachtigde voor belanghebbende en diens echtgenote. De Inspecteur heeft gesteld dat hij die brief niet heeft ontvangen. Dan ligt het op de weg van belanghebbende feiten en omstandigheden aan te voeren en, voor zover deze worden betwist, aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat voormelde brief de Inspecteur heeft bereikt. Zulks is evenwel naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk gemaakt. Het Hof hecht aan het daaromtrent door belanghebbende gestelde geen geloof. Ook overigens heeft [A] voorafgaande aan het beweerdelijk verzenden van de brief niet aan de Inspecteur meegedeeld dat de huidige gemachtigde ook de behandeling van het onderhavige geschil en dat van diens echtgenote zou overnemen. Dat [A] heeft meegedeeld dat hij overleg zou voeren met de huidige gemachtigde kan evenmin tot juistbevinding van belanghebbendes stelling leiden.

7.9. Ter zake van de onderwerpelijke verzuimboete ad € 113 overweegt het Hof dat de termijnoverschrijding evenmin verschoonbaar is, en wel op dezelfde gronden als die betreffende de aanslag. Ten overvloede merkt het Hof op dat uit de voorhanden zijnde gegevens is af te leiden dat de boete terecht is opgelegd en dat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de conclusie kunnen dragen dat sprake is van afwezigheid van alle schuld dan wel anderszins dat de boete ten onrechte of tot een te hoog bedrag is opgelegd. Het Hof acht de boete passend en ook geboden.

7.10. Al hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel met betrekking tot de ontvankelijkheid in beroep leiden. In het bijzonder heeft het Hof hier het oog op de stelling dat de Inspecteur niet zorgvuldig heeft gehandeld. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft die stelling niet dan wel onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd.

7.11. Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond en dient bijgevolg te worden beslist zoals hierna is vermeld.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de AWB.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 9 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.