Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL5418

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-10-2009
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00011 en BK-09/00012
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM3386, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat uit de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst van onderhandse geldlening niet duidelijk blijkt wie de partijen zijn bij die overeenkomst en ook terecht aangenomen dat de overeenkomst is gesloten tussen belanghebbende als debiteur en de BV als crediteur en dat belanghebbende de pensioenpolis tot zekerheid van de daarbij tot stand gebrachte overeenkomst van geldlening heeft gesteld. Terecht heeft de rechtbank voorts overwogen dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de overeenkomst nietig is. De Inspecteur heeft met toepassing van artikel 19b, eerste lid, onder b en slot, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 terecht de waarde van de pensioenpolis tot het loon gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0572
Belastingadvies 2010/7.4
V-N 2010/37.12

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummers BK-09/00011 en BK-09/00012

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 9 oktober 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden (kantoor Den Haag), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 november 2008, nummers AWB 06/251 IB/PVV en AWB 08/7234 IB/PVV, LJN BG7458, betreffende de hierna vermelde aanslagen.

1. Aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2002 een ambtshalve aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000 (hierna: de primitieve aanslag) en daarbij een verzuimboete vastgesteld van € 340. Tevens heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor hetzelfde jaar een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd van € 2.314 (hierna: de aanslag WAZ). Nadien is aan belanghebbende, ook voor hetzelfde jaar, een navorderingaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.316 (hierna: de navorderingsaanslag).

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 november 2005 de primitieve aanslag gehandhaafd en de boetebeschikking en de aanslag WAZ vernietigd. Bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2008 heeft de Inspecteur de navorderingaanslag gehandhaafd.

1.3. De door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen zijn door de rechtbank bij de in de aanhef vermelde uitspraak ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 2 september 2009, gehouden te Den Haag. Daar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 22 juli 2009 aan belanghebbende op het adres [a-straat 1] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Op 17 augustus 2009 is de enveloppe waarin de brief is verzonden, ongeopend ter griffie terugontvangen. Uit de - kennelijk door medewerkers van TNT Post - geplaatste aantekeningen op de enveloppe, die door de griffier in het dossier is gevoegd, leidt het Hof af dat de besteller van TNT Post op 23 juli 2009 geen gehoor heeft gekregen op het desbetreffende adres, dat hij toen aldaar een kennisgeving van aanbieding heeft achtergelaten met de mededeling dat de brief op het - kennelijk in die mededeling genoemde - postkantoor kan worden afgehaald, dat de brief niet op dat postkantoor is afgehaald, en dat TNT Post de enveloppe ten slotte op 14 augustus 2009 heeft geretourneerd aan de afzender, te weten de griffier. Blijkens door de griffier van de gemeente [Z] ontvangen schriftelijke inlichtingen, gedagtekend 18 augustus2009, is belanghebbende sinds 25 augustus 1997 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op het eerder genoemde adres. De griffier heeft de brief bij gewone post op 17 augustus 2009 aan belanghebbende verzonden op dat adres. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet op de zitting verschenen.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door de Inspecteur gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was in dienstbetrekking werkzaam bij [A] NV (hierna: [A]) en heeft daar pensioenrechten opgebouwd. Het pensioen is ondergebracht in het "Flexibel Spaar Pensioen" (hierna: de pensioenpolis) van Centraal Beheer Achmea.

3.2. Per 1 februari 2002 is de dienstbetrekking van belanghebbende bij [A] beëindigd. Daarbij is hem een ontslaguitkering van € 328.990 toegekend, te storten op een geblokkeerde derdenrekening van een notaris en aan te wenden voor een uitgestelde periodieke uitkering. Belanghebbende heeft daartoe een stamrechtovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] BV (hierna: de BV), waarvan belanghebbende directeur en enig aandeelhouder is. Na het sluiten van deze overeenkomst is door de notaris het bedrag van de ontslaguitkering aan de BV overgemaakt.

3.3. Tot de door de Inspecteur overgelegde stukken behoort een overeenkomst van onderhandse geldlening. De overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"De ondergetekenden

I [belanghebbende] (...) te dezen handelende in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de (...) [BV], hierna te noemen debiteur:

En

II [B] B.V. (...) hierna te noemen crediteur;

Verklaren te zijn overeengekomen:

Partijen zijn op 1 maart 2002 een overeenkomst van geldlening aangegaan ten bedrage van maximaal € 150.000 (zegge honderd vijftig duizend) onder de navolgende voorwaarden en bedingen:

(...)

9. De debiteur stelt als zekerheid zijn flex pensioenpolis bij Centraal Beheer Achmea, onder Pers-nr [xxxxxx]. (waarde van de polis per 1 maart 2002). De debiteur is gehouden op eerste aanvraag van de crediteur gestelde zekerheid aan te vullen.

(...)

Aldus overeengekomen op 1 maart 2002 en in tweevoud opgemaakt en getekend te [Z] 1 maart 2002:

___________________________________ __________________

I. namens [B] BV II. [belanghebbende]"

[belanghebbende]

3.4. Voor het jaar 2002 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 1.026. De aangifte is in juni 2003 per diskette ingediend.

3.5. Met dagtekening 6 oktober 2004 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de primitieve aanslag en de aanslag WAZ opgelegd, in de veronderstelling dat belanghebbende geen aangifte had gedaan. De Inspecteur heeft de aanslagen opgelegd zonder kennis te hebben genomen van belanghebbendes aangifte.

3.6. Belanghebbende heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt. Het bezwaar was voor de Inspecteur aanleiding tot het instellen van een onderzoek. De Inspecteur heeft vervolgens vastgesteld dat belanghebbende aangifte had gedaan en heeft in verband daarmee de verzuimboete vernietigd. Het premie-inkomen voor de WAZ heeft hij nader vastgesteld op € 12.500 en omdat dit beneden het zogenoemde premievrije bedrag is, heeft hij ook de aanslag WAZ vernietigd. Daarnaast heeft hij aan belanghebbende de navorderingsaanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.316, het aangegeven inkomen van € 1.026 vermeerderd met een gebruikelijk loon van € 12.500 en de waarde van de pensioenpolis van € 119.790. Bij beschikking heeft hij tevens € 23.958 revisierente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag en de beschikking revisierente zijn gedagtekend 30 november 2005. Belanghebbende heeft daartegen eveneens tijdig bezwaar gemaakt.

3.7. Op 14 september 2005, voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslag, hebben belanghebbende en de Inspecteur een bespreking gehad waarbij onder meer het tot zekerheid stellen van de pensioenpolis is besproken. In het verslag van de bespreking, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer het volgende vermeld:

"In de leningsovereenkomst d.d. 1 maart 2002 die is gesloten tussen de heer [belanghebbende] en zijn BV staat dat de debiteur als zekerheid stelt zijn flex pensioen polis bij Centraal Beheer Achmea (...). (...) De heer [belanghebbende] heeft naar voren gebracht dat hij telefonisch navraag heeft gedaan bij de Belastingdienst of hij geld kon lenen van de BV. Hij zegt als antwoord te hebben gekregen dat dit kan mits zekerheid wordt gesteld."

4. Beoordeling door de rechtbank

Bij de uitspraak waarvan hoger beroep heeft de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard.

5. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de primitieve aanslag en de navorderingsaanslag terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek is in hoger beroep enkel nog in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de aanslagen terecht rekening heeft gehouden met de waarde van de pensioenpolis als loon uit vroegere dienstbetrekking. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de navorderingsaanslag en tot vermindering van de primitieve aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.526.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Het geschil in hoger beroep betreft enkel nog het antwoord op de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende terecht een bedrag van € 119.790 in aanmerking heeft genomen als looninkomsten uit vroegere arbeid.

7.2. Aangaande het in aanmerking nemen van de waarde van de pensioenpolis als looninkomsten uit vroegere arbeid heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat uit de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst van onderhandse geldlening niet duidelijk blijkt wie de partijen zijn bij die overeenkomst en ook terecht aangenomen, gelet op hetgeen daarover in het onder 3.7 geciteerde hoorverslag is vermeld, dat de overeenkomst is gesloten tussen belanghebbende als debiteur en de BV als crediteur en dat belanghebbende de pensioenpolis tot zekerheid van de daarbij tot stand gebrachte overeenkomst van geldlening heeft gesteld. Terecht heeft de rechtbank voorts overwogen dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de overeenkomst nietig is. Evenzeer acht het Hof juist het oordeel van de rechtbank dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat geen mogelijkheid van vervroegde uitkering of afkoop van de pensioenregeling bestaat, dit niet anders maakt, nu het enkele feit van zekerheidstelling voor de belastbaarheid voldoende is. De conclusie van de rechtbank is evenzeer juist dat het vorenstaande geen ander oordeel toelaat dan dat de Inspecteur met toepassing van artikel 19b, eerste lid, onder b en slot, van de Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 terecht de waarde van de pensioenpolis tot het loon heeft gerekend.

7.3. Gelet op het door belanghebbende in hoger beroep gestelde omtrent de waarde van de pensioenpolis merkt het Hof op dat de Inspecteur deze terecht heeft vastgesteld op het bedrag van € 119.790. Van de kant van belanghebbende zijn tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en, voor zover gesteld, niet aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de Inspecteur daarmee tot een te hoog vastgestelde waarde rekening heeft gehouden ter berekening van de in geschil zijnde looninkomsten uit vroegere arbeid.

7.4. Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is en dat bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

8. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en E.M. Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 9 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.