Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL4581

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00501
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet in staat was zijn wil te bepalen. De omstandigheid dat belanghebbende zich onder druk gezet voelde, brengt niet met zich mee dat hij niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank door te oordelen als zij heeft gedaan op goede gronden een juiste beslissing genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/27.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00501

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 4 november 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende], woonachtig te [Z], hierna: belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Zuidwest/kantoor Terneuzen, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 oktober 2008, nummer AWB 08/3051, betreffende de hierna vermelde beschikkingen.

1. Beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking van 28 december 2005, kenmerk [xxx.xx.xxx.xxx.xxxx], is belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting ter grootte van € 6.117 opgelegd over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2002. Bij beschikking van dezelfde datum en een gelijk nummer is belanghebbende een boete opgelegd van 100 percent van de nageheven belasting.

1.2. De tegen deze beschikkingen door belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 12 februari 2007 met kenmerk [xxxx/xxx.xxx.xxx] afgewezen.

1.3. De tegen deze uitspraken door belanghebbende ingestelde beroepen zijn door de Rechtbank te 's-Gravenhage bij in één geschrift vervatte uitspraken van 22 oktober 2008, nummer AWB 08/3051, gegrond verklaard voor zover het de boete betreft en voor het overige ongegrond verklaard. De boetebeschikking is vernietigd. De naheffingsaanslag is gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak inzake de naheffingsaanslag van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 216. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 23 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en diens gemachtigde alsmede Inspecteur.

2.3. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende, kenmerknummer BK-08/00502, betreffende de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003, met aanslagnummer [xxx.xx.xxx.x.xx.xxxx]. Al hetgeen partijen in een van deze zaken hebben aangevoerd en aan stukken hebben overgelegd, wordt geacht tevens te zijn verklaard en te zijn overgelegd in de andere zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende exploiteert in de jaren 2001 en 2002 de shoarmazaak [A] in [Z]. Hij is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). In de jaren 2002 en 2003 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden betreffende de heffing van inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen en omzetbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000 en van loonbelasting over de jaren 1997 tot en met 2001.

3.2. Naar aanleiding van de bevindingen in voornoemd onderzoek hebben belanghebbende en de Inspecteur op 12 december 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer vermeld:

"Voorts wordt overeengekomen dat in de jaren 2001 en 2002 de brutowinstpercentages (minimaal) worden vastgesteld op 144% bij [A] en 383% bij [B]. Indien deze percentages niet voortvloeien uit de aangegeven omzetten, dienen deze omzetten zodanig te worden verhoogd, dat deze percentages wel gerealiseerd worden. Dit dient uitdrukkelijk in de jaarstukken te worden vermeld."

3.3. In 2005 heeft bij belanghebbende wederom een boekenonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek had betrekking op de heffing van inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, omzetbelasting en loonbelasting over de jaren 2001 en 2002. Uit dit onderzoek blijkt dat het totale saldo van de door belanghebbende gebruikte inkooprekening in 2001 en 2002 respectievelijk € 130.310 en € 134.205,31 bedraagt, terwijl in de jaarrekeningen over 2001 en 2002 aan inkopen respectievelijk € 99.180 en € 98.503 is verantwoord. Indien het saldo van de inkooprekening wordt gevolgd leidt dit voor de jaren 2001 en 2002 tot een brutowinstpercentage van respectievelijk 88% en 97%. Indien de jaarrekening wordt gevolgd zijn de percentages voor de genoemde jaren 145% (2001) en 164% (2002).

3.4. Met dagtekening 28 december 2005 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd naar een bedrag aan enkelvoudige belasting van € 6.117. Het bedrag aan omzetbelasting is gebaseerd op het in de vaststellingsovereenkomst genoemde brutowinstpercentage van 144%, een gecorrigeerde inkoopwaarde voor 2001 van € 117.554 en voor 2002 van € 129.517 en het verlaagde omzetbelastingtarief van 6%. Verder is de kleine-ondernemersregeling geweigerd. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is aan belanghebbende een vergrijpboete van 100 percent van de nageheven belasting opgelegd.

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. Met betrekking tot het geschil tussen partijen heeft de Rechtbank, voor zover thans nog van belang, overwogen:

"2.6.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet in staat was zijn wil te bepalen. De rechtbank hecht hierbij mede waarde aan het feit dat belanghebbende zich ten tijde van het boekenonderzoek en het sluiten van de betreffende overeenkomst heeft laten bijstaan door zijn toenmalig adviseur c.q. boekhouder die de overeenkomst mede heeft ondertekend, alsmede dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de voorlopige bevindingen en berekeningen uit het boekenonderzoek heeft besproken met zijn boekhouder, dat hij op advies van zijn boekhouder diep moest gaan nadenken, dat hij vervolgens met betrekking tot de voorlopige berekeningen zelf zaken heeft uitgezocht en dat naar aanleiding daarvan nieuwe berekeningen zijn gemaakt, waarna de vaststellingsovereenkomst is opgesteld. Het voorgaande verloop van zaken duidt naar het oordeel van de rechtbank niet op een onvermogen om de wil te bepalen. De door belanghebbende overgelegde verklaring van de arts en de brief van zijn advocaat duiden weliswaar op een druk ondernemersbestaan en een hectische periode in belanghebbendes privé-leven vanwege een verbroken relatie, echter deze omstandigheden brengen niet met zich mee dat belanghebbendes geestestoestand labiel was en hij daardoor niet in staat was zijn wil te bepalen, althans de rechtbank acht dit onvoldoende aannemelijk gemaakt.

2.6.2. Ook overigens is belanghebbende er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan hij niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst. De omstandigheid dat belanghebbende zich onder druk gezet voelde, brengt niet met zich mee dat hij niet gebonden is aan de vaststellingsovereenkomst. Hierbij wordt vermeld dat is gesteld noch gebleken dat er feitelijk druk op belanghebbende is uitgeoefend. In zijn beroepschrift vermeld belanghebbende ook expliciet dat hij niet stelt dat de ambtenaren van de belastingdienst hebben gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of bewust misbruik van de omstandigheden hebben gemaakt.

2.6.3. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat, gelet op de naderhand gebleken daling van het brutowinstpercentage, de vaststellingsovereenkomst is gesloten onder invloed van dwaling aan zijn kant, faalt zijn betoog. De naderhand gebleken daling van het brutowinstpercentage vormt als zodanig niet een van de in artikel 6:228, eerste lid, BW genoemde gronden voor vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling.

2.6.4. Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan de zijde van de inspecteur."

4.2. Bij de uitspraak waarvan hoger beroep heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende op dit punt ongegrond verklaard.

5 Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Belanghebbende vecht in hoger beroep dit oordeel van de Rechtbank aan.

5.2. De Inspecteur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

7. Overwegingen omtrent het hoger beroep

7.1. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank door te oordelen als zij heeft gedaan op goede gronden een juiste beslissing genomen.

7.2. Hetgeen belanghebbende hiertegen in hoger beroep aanvoert, leidt het Hof niet tot een andere beslissing.

7.3. Gelet op het voorgaande moet worden beslist als volgt.

8. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Sanders, Van Walderveen en Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 4 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.