Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL4296

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-12-2009
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag precariobelasting. De gemeente Amsterdam kan op grond van het eerste lid van artikel 3 Vopb 2007 van de gemeente Diemen als belastingplichtig worden aangemerkt. Vaststaat immers dat de gemeente Amsterdam eigenaar is van de 89.967 meter aan waterleidingen die zijn gelegen in de grond van de gemeente Diemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/488 met annotatie van Redactie
V-N 2010/20.22 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0497
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00180

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 8 december 2009

op het hoger beroep van de heffingsambtenaar, het hoofd van de afdeling Financiën van de gemeente Diemen (hierna: de Inspecteur) tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2009, nr. AWB 08/2926 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan de stichting [belanghebbende], gevestigd te [Z], (hierna: belanghebbende) is, met dagtekening 31 augustus 2007, voor het jaar 2007 met aanslagnummer [xxxxxxxxxxxxx], een aanslag in de precariobelasting naar een aanslagbedrag van € 45.883,17.

1.2. Tegen de aanslag is een bezwaarschrift, gedagtekend 29 augustus 2007 ingediend.

1.3. Bij twee afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 26 februari 2008, verzonden op 27 februari 2008, heeft de Inspecteur (met kenmerk B13857) het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag ongegrond en (met kenmerk B13858) het bezwaar van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam tegen de aanslag, niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 27 oktober 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde, kan in hoger beroep worden uitgegaan van de navolgende feiten en omstandigheden die de rechtbank in de onderdelen 2.2 tot en met 2.4, 4.4 en 4.5 van de bestreden uitspraak heeft vastgesteld, waarbij door de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid.

2.2 Bij de rechtbank is binnengekomen op 20 maart 2008 een "beroepschrift" dat blijkens de ondertekening is ingediend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Bij het "beroepschrift" waren beide uitspraken op bezwaar gevoegd.

2.3 In een op 7 april 2008 per fax bij de rechtbank binnengekomen brief van de gemachtigde van eiseres is, voor zover van belang, de volgende tekst opgenomen:

Inzake: Beroep tegen uitspraak d.d. 26 februari 2008 (kenmerk B13857) op bezwaar namens [belanghebbende] tegen aanslag precariobelasting 2007 gemeente Diemen, aanslagnummer [xxxxxxxxxxxxx] d.d. 31 augustus 2007.

(...)

Motivering beroepschrift (...)

Edelachtbaar college,

Hierbij motiveer ik het door [belanghebbende] bij brief van 19 maart 2008 (met 5 producties) ingestelde proformaberoep tegen bovengenoemde uitspraak. (...)

2.4 Mr. [A] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het college van burgemeester en wethouders niet heeft bedoeld beroep in te stellen.

4.4 De rechtbank neemt de volgende uit het dossier en ter zitting gebleken feiten en omstandigheden in aanmerking:

a. De gemeente Amsterdam heeft zich tegenover de gemeente Diemen bij overeenkomst ondertekend op 7 en 8 mei 1934 verbonden tot verdeling en levering van water aan de ingezetenen en gemeente-instellingen van Diemen en daarvoor de nodige hoofdbuizen te leveren en te leggen, voor zover Diemen daarvoor een aanvrage doet. Volgens de overeenkomst blijven de hoofdbuizen eigendom van de gemeente Amsterdam.

b. De gemeente Diemen heeft aan de gemeente Amsterdam vergunningen verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening onder meer voor het hebben van die leidingen in grond van de gemeente Diemen.

c. In de gemeente Diemen ligt 89.967 meter aan waterleidingen die eigendom zijn van de gemeente Amsterdam.

d. De gemeente Amsterdam heeft een waterleidingbedrijf opgericht dat zorgt voor de productie en levering van drinkwater, aanleg en onderhoud van het leidingnet alsmede voor het incasseren van de vergoedingen voor de levering van water. De uitvoering van de taken die behoren tot dat waterleidingbedrijf, heeft de gemeente Amsterdam opgedragen aan eiseres.

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente Amsterdam als eigenaar de betreffende waterleidingen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond in de zin van artikel 3, eerste lid, Vopb 2007.

De verordening

4. In de Verordening precariobelasting 2007 (hierna: Vopb 2007) van de gemeente Diemen zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1 — Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder

(...)

d. vergunning: een door het gemeentebestuur verleende toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 — Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 — Belastingplicht

1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet belastingplichtig is op grond van het eerste lid.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is tussen partijen in geschil

a. of belanghebbende terecht in het door haar bij de rechtbank ingestelde beroep is ontvangen, en

b. of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt,

welke vragen door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend worden beantwoord.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6.2. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en primair tot niet-ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank dan wel subsidiair bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

Overwegingen van de rechtbank

7.1. De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil tussen partijen omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift het volgende overwogen.

4.1 Verweerder heeft aangevoerd dat het beroep van eiseres, voor zover dat is ingesteld, niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.2 Het op 20 maart 2008 ingekomen "beroepschrift" kan gelet op de ondertekening niet gelden als te zijn ingediend namens eiseres. De fax van de gemachtigde van eiseres van 7 april 2008 is op de 40e dag en dus binnen de beroepstermijn van 6 weken na verzending van de aan eiseres gerichte uitspraak op bezwaar ontvangen door de rechtbank. Anders dan verweerder, ziet de rechtbank voldoende grond dat geschrift aan te merken als een beroepschrift waarmee namens eiseres beroep is ingesteld tegen de haar betreffende uitspraak op bezwaar. Dat de gemachtigde spreekt van "motivering van het op 19 maart 2008 door [belanghebbende] ingesteld beroep" kan daar niet aan afdoen, omdat dat eerdere geschrift nu juist niet namens eiseres was ingediend.

4.3 Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat de aanslag niet aan haar maar aan de gemeente Amsterdam had moeten worden opgelegd. Zij betwist de waterleidingen in Diemen te hebben en wijst er op dat aan de gemeente Amsterdam vergunningen zijn verleend. Verweerder heeft eiseres als belastingplichtige aangemerkt omdat hij meent dat eiseres degene is ten behoeve van wie in Diemen waterleidingen onder de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn. Voorts voert verweerder aan dat [belanghebbende] het grootste belang heeft bij de leidingen, reden waarom zij (primair) eiseres en niet de gemeente Amsterdam heeft aangeslagen.

7.2. De rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd het volgende overwogen.

4.6 Aangezien niet aan eiseres maar aan de gemeente Amsterdam de vergunningen zijn verleend voor het hebben van de waterleidingen in de Diemense gemeentegrond en de gemeente Amsterdam als eigenaar de waterleidingen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, kan eiseres gelet op artikel 3, tweede lid, Vopb 2007 niet als belastingplichtige worden aangemerkt. Uit de tekst van genoemd artikelonderdeel volgt immers, dat, indien er een vergunninghouder is die de voorwerpen onder, op of boven de gemeentegrond heeft, alleen die vergunninghouder als belastingplichtige kan worden aangemerkt. De door verweerder ter zitting bepleite uitleg van dat artikel, die er op neerkomt dat ook in geval er een vergunninghouder is als bedoeld in het tweede lid van artikel 3 Vopb 2007, hij er voor mag kiezen diegene aan te slaan die – naar zijn oordeel - het grootste belang heeft bij de voorwerpen, vindt geen steun in de overigens duidelijke bewoordingen van het artikel.

4.7 Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat verweerder eiseres ten onrechte als belastingplichtige heeft aangemerkt, zodat het beroep gegrond is en bestreden uitspraak en de aanslag niet in stand kunnen blijven.

Overwegingen omtrent het geschil

8.1. Op 7 april 2008 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de rechtbank een “Motivering beroepsschrift (…)” doen toekomen, waarin hij “het door [belanghebbende]” ingestelde pro forma beroep motiveert. Dat stuk is op 8 april 2008 bij de rechtbank is binnengekomen, derhalve binnen de beroepstermijn die in de rechtsmiddelverwijzing bij de uitspraak op het bezwaar is vermeld. De rechtbank heeft dat stuk, met voorbijgaan aan het op 20 maart 2008 bij de rechtbank ingediende schriftuur met opschrift “beroepschrift”, aangemerkt als het beroepschrift, waarmee belanghebbende opkwam tegen de uitspraak op bezwaar van 27 februari 2008. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De tegen dat oordeel gerichte klacht moet worden verworpen.

8.2. Gelet op de tekst van artikel 3 van de Verordening dient de aanslag precariobelasting te worden opgelegd aan degene aan wie de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Deze regel lijdt slechts uitzondering indien blijkt dat die (rechts)persoon niet belastingplichtig is op grond van het eerste lid van dat artikel.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente Diemen aan de gemeente Amsterdam vergunningen heeft verleend op grond van de Algemene plaatselijke verordening onder meer voor het hebben van die leidingen in grond van de gemeente Diemen. Zulks brengt met zich dat de aanslag precariobelasting aan de gemeente Amsterdam dient te worden opgelegd, tenzij die gemeente op grond van het eerste lid van artikel 3 niet belastingplichtig is. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of de gemeente op grond van het eerste lid van artikel 3 als belastingplichtig kan worden aangemerkt. Die vraag beantwoordt het Hof bevestigend. Vaststaat immers dat de gemeente Amsterdam eigenaar is van de 89.967 meter aan waterleidingen die zijn gelegen in de grond van de gemeente Diemen. Anders dan de Inspecteur kennelijk betoogt is in de tekst van artikel 3 niet te lezen dat de aanslag slechts kan worden opgelegd aan degene die het grootste belang heeft bij de leidingen, nog daargelaten hoe “het grootste belang” zou moeten worden gedefinieerd.

8.3. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Derhalve moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

9.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 644 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

9.2. Aangezien de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, zal de griffier, ter zake van het hoger beroep, van de Inspecteur een griffierecht van € 433 heffen.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644,

- gelast de griffier ter zake van het hoger beroep van de Inspecteur een griffierecht van € 433 te heffen.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk. J.J.J. Engel en O.C.R. Marres, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 8 december 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.