Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3538

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-11-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00453
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur is in het algemeen niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de IB/PVV eenzelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag in de weg. Deze hoofdregel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 481

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00453

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 13 november 2009

Op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 oktober 2008, nummer AWB 07/1290 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van Belastingdienst Rijnmond, opgelegde aanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is, met dagtekening 6 oktober 2006, voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.466, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.523 en met toepassing van een algemene heffingskorting van € 1.825. Deze aanslag beloopt, na verrekening van voorheffingen, € 1.694. Daarbij is, bij voor bezwaar vatbare beschikking, een bedrag van € 133 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 38. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 23 oktober 2009, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen; belanghebbende niet.

2.3. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 25 augustus 2009 aan [belanghebbende] op het adres [a-straat 1, 0000XX Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens van TNT Post afkomstige informatie is de vorenbedoelde brief op 28 augustus 2009 afgehaald van het postkantoor.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2004 een aangifte IB/PVV ingediend, waarin bij vraag 3a € 62.820 aan inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking is aangegeven en € 24.201 aan ingehouden loonheffing.

3.2. In de aangifte heeft belanghebbende met betrekking tot inkomsten en aftrekposten eigen woning bij de vragen 12i en 12j een minteken voor het Euroteken geplaatst en niet (zoals de instructie bij die vragen luidde) voor de desbetreffende bedragen. Omdat een minteken op de door belanghebbende gekozen plaats bij automatische verwerking van de aangifte niet optisch gelezen kan worden, heeft de Inspecteur de aangifte consistent gemaakt door in de rubriek "toedeling eigen woning" een minteken te plaatsen.

3.3. Met dagtekening 27 mei 2005 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB/PVV 2004 opgelegd waarbij rekening is gehouden met de arbeidskorting van € 1.694.

3.4. Bij het opleggen van de onderhavige, definitieve aanslag is de arbeidskorting gecorrigeerd, omdat belanghebbende in het onderwerpelijke jaar inkomsten uit vroegere- en niet uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt, de Inspecteur bij het vaststellen van de voorlopige aanslag het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende recht heeft op de arbeidskorting en dat hij daarvan bij het vaststellen van de definitieve aanslag niet mag terugkomen.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag met een bedrag van € 1.694.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De inspecteur is in het algemeen niet ertoe verplicht bij de vaststelling van een aanslag in de IB/PVV eenzelfde standpunt in te nemen als ten grondslag ligt aan een ten aanzien van dezelfde belastingplichtige vastgestelde voorlopige aanslag. Aan een zodanige gebondenheid staan aard en wijze van totstandkoming van een voorlopige aanslag in de weg. De voorlopige aanslag schept slechts een grondslag voor het doen van vooruitbetalingen op de definitieve belastingschuld en hij pleegt - in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke voorschriften - te worden vastgesteld aan de hand van niet of slechts zeer globaal door de inspecteur gecontroleerde gegevens.

6.2. De in 6.1 gegeven hoofdregel dient echter uitzondering te lijden indien de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij bovendien op grond van bijkomende omstandigheden redelijkerwijs kan aannemen dat de Inspecteur met betrekking tot die aangelegenheid weloverwogen een standpunt heeft ingenomen.

6.3. Belanghebbende heeft bij zijn aangifte niet uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Inspecteur voorgelegd dat hij, ondanks dat geen sprake is van arbeid uit tegenwoordige dienstbetrekking, aanspraak maakt op de arbeidskorting. Van een uitzondering als hiervoor onder 6.2 bedoeld is derhalve geen sprake. De enkele omstandigheid dat bij de voorlopige aanslag is meegedeeld dat "De Belastingdienst is afgeweken van uw aangifte" brengt daarin, anders dan belanghebbende kennelijk meent, geen verandering.

6.4. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, B. van Walderveen en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 13 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.