Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3532

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00366
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding beroepstermijn. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de medische verklaring, die hij in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hij tegen het einde van de beroepstermijn ziek is geworden en dat hij daardoor niet in staat was het beroepschrift binnen de hiervoor vermelde termijn op te stellen en in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00366

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 18 augustus 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 27 augustus 2008, nr. AWB 07/955, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 De voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (hierna: de Inspecteur) heeft aan belanghebbende voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.019, met verrekening van per saldo € 2.365 aan voorheffingen. Bij beschikking is daarbij een bedrag van € 68 aan heffingsrente in rekening gebracht. Het aanslagbiljet waaruit van de aanslag en de beschikking blijkt, is gedagtekend 17 mei 2006.

1.2 Belanghebbende heeft tegen de aanslag een bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend. Bij zijn uitspraak is de Inspecteur gedeeltelijk aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet gekomen en heeft hij de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.469.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 38. De rechtbank heeft het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 augustus 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende heeft voor het jaar 2004 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.819. Daarbij heeft hij rekening gehouden met aftrek van studiekosten en andere scholingsuitgaven in verband met een promotie-onderzoek tot een beloop van € 3.200. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

- boeken, literatuur en dergelijke € 1.700

- kantoorbenodigdhedenetc. € 500

- communicatiekosten etc. € 400

- reiskosten etc. € 600

Totaal € 3.200.

3.2 Bij de regeling van de aanslag heeft de Inspecteur niet de informatie gekregen waar hij om had verzocht. Om deze reden heeft hij de aanslag vastgesteld zonder rekening te houden met aftrek van voormeld bedrag van € 3.200.

3.3 Op grond van informatie en bescheiden die belanghebbende in bezwaar heeft verstrekt, heeft de Inspecteur een bedrag van € 1.550 alsnog in aftrek aanvaard, samengesteld als volgt:

- boeken, literatuur en dergelijke € 1.700

- kantoorbenodigdhedenetc. € 150

- communicatiekosten etc. € 200

- reiskosten etc. € 0.

Totaal € 2.050

Drempel (art. 6.30, lid 1 Wet IB 2001) € 500

Aftrekbaar € 1.550.

3.4 Belanghebbende heeft ter staving van de scholingsuitgaven een brief van [A] van 10 oktober 2005 aan de Inspecteur verstrekt waaruit blijkt van uitgaven voor boeken in 2004 tot een beloop van (omgerekend) € 1.515.

3.5 Van de andere in aftrek gebrachte kosten heeft belanghebbende geen betalingsbewijzen verstrekt. Belanghebbende geeft hiervoor als reden op dat hij in het voorjaar van 2004 waterschade heeft geleden, waarbij de bescheiden die aanwezig waren verloren zijn gegaan.

3.6 De Inspecteur heeft, voor zover hij niet met bescheiden gestaafde bedragen in aftrek heeft aanvaard, aangesloten bij de bedragen die hij met betrekking tot het belastingjaar 2002 heeft geaccepteerd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In hoger beroep is primair in geschil of de rechtbank het beroep terecht niet ontvankelijk heeft verklaard en, in het ontkennende geval, of de Inspecteur terecht weigert de correctie van het aangegeven belastbare inkomen geheel ongedaan te maken.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1 Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig zijn aangifte.

5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank althans - naar het Hof begrijpt - tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1 De uitspraak op bezwaar, waartegen het beroepschrift van 5 februari 2007 is gericht, is gedagtekend 20 december 2006. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde zes weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar, derhalve met 31 januari 2007. Het beroepschrift is op 6 februari 2007, derhalve na afloop van de beroepstermijn ter griffie van de rechtbank ingekomen.

6.2 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de medische verklaring van 13 april 2007, die hij in eerste aanleg in het geding heeft gebracht, genoegzaam aannemelijk gemaakt dat hij tegen het einde van de beroepstermijn ziek is geworden en dat hij daardoor niet in staat was het beroepschrift binnen de hiervoor vermelde termijn op te stellen en in te dienen. Vervolgens heeft belanghebbende zulks zo spoedig mogelijk daarna gedaan. Het feit dat de medische verklaring is opgesteld door zijn echtgenote doet aan de geloofwaardigheid daarvan niet af, aangezien zij arts is.

6.3 Op grond van het vorenoverwogene moet de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en komt het Hof, nu geen van partijen heeft verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank om opnieuw recht te doen, toe aan inhoudelijke behandeling van de zaak.

6.4 Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de correctie in beginsel terecht toegepast. Vervolgens heeft hij, zonder daartoe gehouden te zijn, een hoger bedrag in aftrek toegelaten dan belanghebbende met bescheiden heeft gestaafd. Dat de Inspecteur daarbij gedeeltelijk heeft aangesloten bij de bedragen die voor het jaar 2002 in aftrek zijn toegelaten, is niet onjuist of onredelijk. Voorts eist de wet dat op het totaal van de kosten een aftrek van € 500 wordt toegepast, als zijnde niet aftrekbaar.

6.5 Voor zover de bewijsnood van belanghebbende voortvloeit uit omstandigheden die niet aan hem toerekenbaar zijn, kan zulks evenwel niet aan de Inspecteur worden tegengeworpen. In dit verband verdient opmerking dat de Inspecteur zich niet onredelijk heeft opgesteld. De aanslag is - na bezwaar - eerder te laag dan te hoog vastgesteld.

6.6 Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van de Inspecteur juist is. Beslist moet worden als hierna is vermeld.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1 Aangezien het hoger beroep gedeeltelijk slaagt, zal het Hof de Inspecteur veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 12 wegens reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig nu belanghebbende niet heeft gesteld meer of andere kosten te hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Voor vergoeding van proceskosten en griffierecht in eerste aanleg bestaat geen reden, nu de uitspraak van de Inspecteur in stand blijft.

7.2 Wel dient het voor de behandeling van de zaak in hoger beroep gestorte griffierecht van € 107 aan belanghebbende te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep, vastgesteld op € 12, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat het voor deze zaak in hoger beroep gestorte griffierecht van € 107 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 18 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.