Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3525

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
BK-07/00522
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing. De Inspecteur heeft, in strijd met artikel 231, tweede lid, Gemeentewet, bij uitspraak op bezwaar op de aanvraag van belanghebbende beslist. Mitsdien had de rechtbank, behoudens eventuele toestemming van partijen om zelf in de zaak te voorzien, deze – onder vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur – moeten terugwijzen naar de Inspecteur ten einde bij voor bezwaar vatbare beschikking op de aanvraag te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/429 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00522

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 18 augustus 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juli 2007, nr. AWB 06/4646, betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Aan belanghebbende is, wegens het feitelijk gebruik van het perceel [a-straat 1] te [Z] ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, voor het jaar 2005 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Den Haag opgelegd naar het tarief van drie- en meerpersoonshuishoudens. De aanslag bedraagt € 274,92.

1.2 Het aanslagbiljet waaruit van deze aanslag blijkt, is gedagtekend 28 februari 2005.

In het aanslagbiljet zijn, naast de voornoemde aanslag, zeventien andere aanslagen en acht zogenoemde WOZ-beschikkingen verenigd.

1.3 Bij brief van 22 maart 2005 heeft belanghebbende bij de directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente Den Haag (hierna: de Inspecteur) bezwaar gemaakt tegen de hiervoor bedoelde WOZ-beschikkingen.

1.4 Bij brief van 7 december 2005 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om restitutie van een deel van de aanslag in de afvalstoffenheffing.

1.5 Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 7 april 2006, heeft de Inspecteur op de laatstgenoemde brief van belanghebbende gereageerd. Daarbij heeft hij het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 38. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar en de gemeente Den Haag gelast het griffierecht van € 38 aan belanghebbende te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 Partijen zijn bij brieven van 19 juni 2009 uitgenodigd te verschijnen ter zitting van 4 augustus 2009. Naar aanleiding daarvan heeft tussen het Hof en partijen een stukkenwisseling plaatsgevonden, waarbij partijen te kennen hebben gegeven een mondelinge behandeling van de zaak niet nodig te achten. Voor het geval het Hof verschijning van de Inspecteur aangewezen zou achten zou zulks echter niet op 4 augustus 2009 maar op 11 augustus 2009 mogelijk zijn en heeft belanghebbende zich ermee verenigd dat de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van hem of zijn gemachtigde plaatsvindt.

2.3 Aangezien het Hof verschijning van de Inspecteur ter zitting niet noodzakelijk achtte, heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 augustus 2009, gehouden te Den Haag, buiten aanwezigheid van partijen.

3. Vaststaande feiten

Het Hof gaat uit van de feiten zoals vermeld onder 2 van de uitspraak van de rechtbank.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In hoger beroep is primair in geschil of de rechtbank belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar, subsidiair of de juiste procedure is gevolgd en meer subsidiair of de Inspecteur de aanslag terecht heeft gehandhaafd.

4.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.3 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1 Met de rechtbank is het Hof van oordeel dat in het bezwaarschrift van belanghebbende van 22 maart 2005 geen bezwaar is vervat tegen de onderwerpelijke aanslag in de afvalstoffenheffing. Eerst uit de brief van 7 december 2005 van belanghebbende aan de Inspecteur blijkt dat belanghebbende een deel van de voor het jaar 2005 aan hem opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing wil terugontvangen omdat een van de leden van zijn huishouden per 1 mei 2005 is verhuisd naar een andere woning en hij van mening is dat hij onder die omstandigheden in aanmerking komt voor een vermindering van het belastingbedrag.

5.2 Mitsdien is de brief van 7 december 2005 een aanvraag als bedoeld in artikel 242, eerste lid, van de Gemeentewet. Hierop dient de in artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen.

5.3 De Inspecteur heeft echter, in strijd met die wettelijke bepaling, bij uitspraak op bezwaar op de aanvraag van belanghebbende beslist. Mitsdien had de rechtbank, behoudens eventuele toestemming van partijen om zelf in de zaak te voorzien, deze - onder vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur - moeten terugwijzen naar de Inspecteur ten einde bij voor bezwaar vatbare beschikking op de aanvraag te beslissen.

5.4 Het vorenoverwogene betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, waarna het Hof zal beslissen zoals de rechtbank had behoren te doen. Aan de inhoudelijke behandeling van de zaak kan het Hof vooralsnog niet toekomen.

5.5 Voor de vraag of belanghebbende de aanvraag tijdig heeft gedaan, dient de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid te stellen feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de aanvrager in verzuim was. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang welke voorlichting van de zijde van de Inspecteur is gegeven omtrent de termijn die voor een aanvraag als de onderhavige geldt.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 120,75 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep {1,5 punten à € 322 x 0,25 (gewicht van de zaak)}. Van andere in beroep of hoger beroep gemaakte kosten, die voor vergoeding in aanmerking komen, is gesteld noch gebleken dat belanghebbende die heeft gemaakt.

6.2 Voorts dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van € 38 respectievelijk € 106, in totaal € 144, aan belanghebbende te worden vergoed.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- wijst de aanvraag terug naar de Inspecteur teneinde daarop bij voor bezwaar vatbare beschikking te beslissen, zulks met inachtneming van deze uitspraak,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 120,75, en wijst de gemeente Den Haag aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast de gemeente Den Haag de voor deze zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van in totaal € 144 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 18 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.