Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3521

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00266
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen staat vast dat de Inspecteur de aanslag in de onroerendezaakbelasting wegens gebruik van de onroerende zaak en de aanslag in de rioolrechten ten onrechte heeft opgelegd. Daarmee is in beginsel de onrechtmatige overheidsdaad gegeven, zulks behoudens bijzondere omstandigheden, waarbij heeft te gelden dat de Inspecteur deze feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken. Niet is komen vast te staan dat het ten onrechte opleggen van de voormelde aanslagen, het instellen van bezwaar en nadien het instellen van beroep respectievelijk hoger beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00266

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 18 augustus 2009

op het beroep van [belanghebbende] te [Z], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2008, nr. OZB-RIOOLR 07/3142-NIFT, betreffende na te noemen aanslag.

1. Beschikking, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Bernisse, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q], vastgesteld op € 91.200 per 1 januari 2005 (hierna: de waardepeildatum). Deze beschikking geldt voor het kalenderjaar 2007

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007, wegens het gebruik, onderscheidenlijk genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de hiervoor vermelde onroerende zaak, twee aanslagen opgelegd in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Bernisse naar een heffingsmaatstaf van € 91.200. Voorts is aan belanghebbende wegens het gebruik van het perceel een aanslag in de rioolrechten voor het jaar 2007 opgelegd.

1.3. Het aanslagbiljet waaruit van de vorenvermelde beschikking en aanslagen blijkt, is gedagtekend 28 februari 2007. Belanghebbende heeft – voor zover thans nog van belang – tegen de aanslagen bezwaar gemaakt voor zover hij als gebruiker van de onroerende zaak is aangemerkt.

1.4. Bij in een geschrift, gedagtekend 18 juli 2007, vervatte uitspraken heeft de Inspecteur de aanslag in de onroerendezaakbelasting wegens gebruik en de aanslag in de rioolrechten ingetrokken en de bezwaren voor het overige afgewezen. Daarbij heeft de Inspecteur geweigerd een proceskostenvergoeding toe te kennen.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 39. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband hiermee is een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 augustus 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is belanghebbende verschenen. Namens de Inspecteur is niemand verschenen.

2.3. De Inspecteur is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 19 juni 2009 aan het adres [b-straat 1, 0000XX Z], onder vermelding van plaats en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens op 18 augustus 2009 door de griffier geraadpleegde informatie van TNT-Post, die in het dossier is gevoegd, is de vorenbedoelde brief op 22 juni 2009 aan de geadresseerde uitgereikt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Aan belanghebbende is een beschikking op de voet van hoofdstuk IV van de Wet toegezonden ter zake van de onroerende zaak. Gelijktijdig is onder meer een aanslag opgelegd in de onroerendezaakbelasting ter zake van gebruik van de onroerende zaak alsmede een aanslag rioolrechten als hiervoor onder 1.2 vermeld.

3.2. Belanghebbende heeft tegen de voormelde aanslagen bezwaar gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij niet de gebruiker van de voormelde onroerende zaak is zodat de voormelde aanslagen ten onrechte zijn opgelegd.

3.3. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur positief beschikt in die zin dat de vorenvermelde aanslagen zijn ingetrokken. Op het verzoek tot vergoeding van de kosten van het maken van bezwaar heeft de Inspecteur afwijzend beschikt.

3.4. Belanghebbende heeft in het jaar 2004 een bouwvergunning aangevraagd voor de onroerende zaak en, nadat de vergunning onder het betalen van leges aan de Inspecteur was ontvangen, in het jaar 2005 de werkzaamheden doen uitvoeren. Daarbij is in de aanvraag aangegeven dat de onroerende zaak na en ten gevolge van de verbouwing in drie zelfstandige delen wordt gesplist, namelijk een zelfstandige woning, geadresseerd [c-straat 1], een bovenwoning geadresseerd [a-straat 2] en een kapsalon geadresseerd [a-straat 1].

3.5. De voormelde aanslagen hebben betrekking op het deel van de onroerende zaak waarin de kapsalon is gevestigd ([a-straat 1]), welke door een derde wordt geëxploiteerd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Naar het Hof begrijpt houdt partijen nog verdeeld het antwoord op de vraag op belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en vergoeding van de gestorte bedragen aan griffierechten.

4.2. Belanghebbende heeft zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat sprake is van onrechtmatige daad, nu de aanslag onroerendezaakbelastingen ter zake van het gebruik van de onroerende zaak en de aanslag rioolrechten ten onrechte zijn opgelegd. Daarmee is een onrechtmatige daad gegeven. Belanghebbende is niet gehouden de Inspecteur te informeren over een wijziging van het gebruik van de onroerende zaak. De Inspecteur dient zelfstandig deze informatie te verwerven. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep en teruggave van het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht.

4.3. De Inspecteur stelt zich kennelijk – naar het Hof aan het verweerschrift bij de rechtbank ontleent en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat voor vergoeding van kosten voor bezwaar en beroep geen gronden zijn omdat er geen sprake is van onrechtmatigheid aan de zijde van de gemeente. Ten minste negen jaar lang is belanghebbende aangeslagen als gebruiker voor de heffing van onroerendezaakbelastingen van de onroerende zaak zonder dat daartegen bezwaar is gemaakt. De eigendomssituatie is nimmer veranderd. Wel heeft er een splitsing van de onroerende zaak plaatsgevonden. De gebruiker van het afgesplitste deel heeft zich bij de gemeente gemeld zodat er geen reden aanwezig was om te veronderstellen dat er zich in gebruik van het resterende deel van de onroerende zaak een wijziging in het gebruik had voorgedaan.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van het standpunt van belanghebbende en de gronden waarop hij deze doet steunen, verwijst het Hof naar het hogerberoepschrift.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep strekt tot vergoeding door de gemeente Bernisse aan belanghebbende van proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep en tot vergoeding van griffierechten, betaald bij de rechtbank en het Hof.

5.2. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend noch zich op andere wijze uitgelaten over de uitspraak van de rechtbank.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Tussen partijen staat vast dat de Inspecteur de aanslag in de onroerendezaakbelasting wegens gebruik van de onroerende zaak en de aanslag in de rioolrechten ten onrechte heeft opgelegd. Daarmee is in beginsel de onrechtmatige overheidsdaad gegeven, zulks behoudens bijzondere omstandigheden, waarbij heeft te gelden dat de Inspecteur deze feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken. Hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd aan feiten en omstandigheden inde van hem afkomstige gedingstukken, waaronder de uitspraak op bezwaar en het verweerschrift bij de rechtbank, kunnen niet als zodanig gelden. Niet is komen vast te staan dat het ten onrechte opleggen van de voormelde aanslagen, het instellen van bezwaar en nadien het instellen van beroep respectievelijk hoger beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Het Hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nr. 42 449, LJN AX0985:

“3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.”

Dat belanghebbende wellicht op eigen initiatief de wijziging in het gebruik bij de Inspecteur had kunnen melden maakt dat niet anders. Anders dan de Inspecteur betoogt, rust op hem de bewijslast dat van een belastbaar feit sprake is.

6.2. Belanghebbende heeft in dit kader voorts met juistheid nog verwezen naar het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, welke bepaling een actieve rol voor het vergaren van feiten en omstandigheden inzake het constateren van een belastbaar feit respectievelijk het op een deugdelijke feitenbasis geven van een beschikking van het bestuursorgaan eist.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna is vermeld.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 724,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep (1 punt à € 161 x ½ (gewicht van de zaak) respectievelijk 2 punten onderscheidenlijk 2 punten à € 322 x ½ (gewicht van de zaak). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient het voor de behandeling van deze zaak in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht € 146 (rechtbank € 39, Hof € 107) aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, doch uitsluitend voor zover daarbij vergoeding van proceskosten is geweigerd;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 724,50, en wijst de gemeente Bernisse aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

- gelast de gemeente Bernisse de voor deze zaak bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierechten tot een bedrag van € 146 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 18 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.