Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3512

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00092
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen parkeerbelasting betaald omdat hij ervan uitging dat hij – net als in België – op zondagen geen parkeerbelasting verschuldigd was. Het argument dat hij, als niet-ingezetene van Nederland, niet voldoende in de gelegenheid was gesteld de parkeerbelasting te betalen, gaat niet op omdat niet dit de reden was van het niet betalen van de parkeerbelasting, maar het feit dat hij ervan uit was gegaan dat op een zondag voor het parkeren niet behoefde te worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00092

Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer d.d. 18 augustus 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (België) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2007, nr. 07/561, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 17 december 2006 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd.

1.2 Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 8 februari 2007, heeft de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam (hierna: de Inspecteur) belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslag afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 38. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 4 augustus 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Op zondag 17 december 2006 om 14.15 uur stond de auto van belanghebbende, een Audi met het Belgische kenteken […], geparkeerd op een parkeerplaats aan het [a-straat] te [Q]. Deze plaats is door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) aangewezen als een plaats waar op de onderhavige dag en tijd tegen betaling van parkeerbelasting mocht worden geparkeerd. Een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat ter zake van het parkeren van de auto geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan is de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. Deze beloopt € 1,25 aan parkeerbelasting en € 47 aan kosten, in totaal derhalve € 48,25.

3.2 Op het [a-straat] te [Q] staan op korte afstand van elkaar twee parkeerbetaalautomaten. Betaling van parkeerbelasting bij deze automaten kan uitsluitend geschieden door middel van een al dan niet rekeninggebonden chipkaart. Bij een van deze twee betaalautomaten kan bovendien worden betaald met behulp van een creditkaart.

3.3 Belanghebbende heeft toen hij de auto omstreeks 13.00 uur had geparkeerd geen acht geslagen op de parkeerapparatuur omdat het zondag was en hij ervan uitging dat – net als in België – op zondagen voor het parkeren niet hoefde te worden betaald.

3.4 Eerst na terugkomst bij zijn auto, toen hij het naheffingsaanslagbiljet daarop aantrof, is hij bij een van de parkeerautomaten gaan kijken en bleek hem dat parkeerbelasting verschuldigd was. Daarbij nam belanghebbende kennis van de wijze waarop de parkeerbelasting kon worden betaald en kwam hij tot de conclusie dat, al had hij tevoren geweten dat voor het parkeren moest worden betaald, hij daartoe niet in staat zou zijn geweest omdat hij niet beschikte over een betaalmiddel als op de parkeerautomaat vermeld.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is of de naheffingsaanslag in stand kan blijven. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe primair aan dat hij er niet op bedacht was dat op een zondag voor het parkeren betaald moest worden en subsidiair – zo begrijpt het Hof – dat al ware hij zich bewust geweest van de verplichting parkeerbelasting te betalen, hem daartoe niet voldoende mogelijkheden zijn geboden omdat niet met chartaal geld kon worden betaald.

4.2 De Inspecteur meent dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en in stand kan blijven.

4.3 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1 Vast staat dat belanghebbende de parkeerbelasting niet betaald heeft omdat hij ervan uitging dat hij – net als in België – op zondagen geen parkeerbelasting verschuldigd was. Daarom is hij vlak na het parkeren van zijn auto niet bij een van de parkeerautomaten gaan kijken om kennis te nemen van de parkeerregels ter plaatse.

5.2 Belanghebbende heeft zich derhalve niet voldoende geïnformeerd en zulks komt voor zijn risico. Hij kan de naheffingsaanslag dan niet afweren met het argument dat hij niet op de hoogte was van de ter plaatse geldende regels.

5.3 Het argument dat hij, als niet-ingezetene van Nederland, niet voldoende in de gelegenheid was gesteld de parkeerbelasting te betalen, gaat niet op omdat niet dit de reden was van het niet betalen van de parkeerbelasting, maar – zoals hiervoor is overwogen – het feit dat hij ervan uit was gegaan dat op een zondag voor het parkeren niet behoefde te worden betaald.

5.4 Op grond van het vorenoverwogene faalt het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6. Proceskosten

Het Hof heeft geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

7. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 18 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.