Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2482

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-07/00456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Horen van gemachtigde. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de rechtbank tot een onjuiste beoordeling is gekomen. De rechtbank is naar ’s Hofs oordeel terecht en op goede gronden tot haar beslissingen gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00456

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 11 augustus 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht van de voorzieningenrechter van rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) van 22 juni 2007, nr. AWB 06/9745 en 05/9294, betreffende na te noemen aanslag, navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen.

Aanslag, navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen, bezwaren en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Haaglanden, heeft op 23 februari 2005 aan belanghebbende de volgende belastingaanslagen en boeten opgelegd:

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 (hierna: de navorderingsaanslag 2000) naar een belastbaar inkomen van ƒ 59.234, alsmede een boete van ƒ 4.288 (hierna: de boetebeschikking 2000);

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 (hierna: de navorderingsaanslag 2001) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.929, alsmede een boete van € 2.266 (hierna: de boetebeschikking 2001);

- een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 (hierna: de navorderingsaanslag 2002) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.069, alsmede een boete van € 2.376 (hierna: de boetebeschikking 2002);

- een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen 2003 (hierna: de aanslag 2003) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.070.

1.2. Belanghebbende heeft op 30 maart 2005 tegen de navorderingsaanslagen, de aanslag en de boetebeschikkingen bezwaar gemaakt bij de Inspecteur. De Inspecteur heeft op 22 augustus 2005 - voor elk jaar steeds in één geschrift - uitspraken gedaan op de bezwaren betreffende de navorderingsaanslagen 2000 en 2001 en op 11 november 2005 betreffende het jaar 2002. Voor het jaar 2003 is geen uitspraak op bezwaar gedaan.

1.3. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 19 december 2005 beroep bij de rechtbank ingesteld, welke beroep is aangevuld bij brief van 9 januari 2006. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 05/9294.

1.4. Op 6 december 2006 heeft belanghebbende een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 06/9745.

1.5. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak:

- het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen 2000 en 2001 niet-ontvankelijk verklaard;

- het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2002 ongegrond verklaard;

- het beroep (AWB 05/9294) tegen de uitspraak op bezwaar tegen de boetebeschikking 2002 gegrond verklaard; die uitspraak vernietigd en de boete 2002 tot op € 950 verminderd;

- het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 06/9745) betreffende de aanslag 2003 niet-ontvankelijk verklaard;

- het verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 06/9745) betreffende de overige belastingaanslagen en boetebeschikkingen afgewezen;

- de Staat der Nederlanden gelast het door verzoekster ter zake van het beroep (AWB 05/9294) gestorte griffierecht van € 37 aan haar te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 juni 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde, kan in hoger beroep worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank in de bestreden uitspraak heeft vastgesteld, waarbij door de rechtbank belanghebbende als verzoekster en de Inspecteur als verweerder is aangeduid.

Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In hoger beroep is, evenals voor de rechtbank, in geschil of de Inspecteur:

(i) belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen 2000 en 2001,

(ii) terecht en tot het juiste bedrag de navorderingsaanslag en boetebeschikking 2002 heeft opgelegd,

(iii) terecht geen uitspraak heeft gedaan op het bezwaar tegen de aanslag 2003 op de grond dat dat bezwaar door de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende is ingetrokken.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. Zij concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verzoekt het Hof

(i) alsnog te beslissen dat zij gevrijwaard wordt van het betalen van dubbele belasting over haar pensioenrechten;

(ii) de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen 2000 en 2001, alsmede het bezwaar tegen de aanslag 2003 in behandeling te nemen, en

(iii) alle navorderingsaanslagen en de aanslag 2003, alsmede alle boetebeschikkingen op nihil te stellen.

4.3. De Inspecteur is van mening dat de uitspraak van de rechtbank juist is en hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

5.1. In hoger beroep herhaalt belanghebbende haar voor de rechtbank ingenomen standpunten en verwijst naar alle stukken die in eerste aanleg zijn overgelegd. Ten aanzien van haar in het appelschrift gedane aanbod om door middel van de voormalig gemachtigde als getuige te bewijzen (i) dat hij haar had verzekerd dat het beroep geen kans van slagen had en (ii) dat zij gezien haar gezondheid en gemoedstoestand niet bij machte was om initiatieven te ontplooien heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat haar aanbod slechts ziet op het hiervoor onder (i) vermelde en niet op het onder (ii) vermelde, omdat de gemachtigde over het onder (ii) vermelde geen kennis heeft. De Inspecteur heeft niet bestreden dat de gemachtigde belanghebbende heeft verzekerd dat het beroep geen kans van slagen had, zodat dat feit, als onweersproken, vaststaat. Het Hof zal bij de beoordeling van de onderhavige zaak daarvan uitgaan, zodat het horen van de gemachtigde als getuige niet nodig is.

5.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat de rechtbank tot een onjuiste beoordeling is gekomen.

5.3. Ten overvloede overweegt het Hof dat, gelijk de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep heeft vermeld, de door de ex-echtgenoot van belanghebbende aan haar betaalde alimentatie door hem op zijn inkomen in mindering kan worden gebracht. De door belanghebbende ontvangen alimentatie is bij haar belast. Doordat de alimentatie bij de ex-echtgenoot op zijn inkomen in mindering kan worden gebracht doet zich dus, anders dan belanghebbende stelt, geen dubbele heffing voor.

5.4. De rechtbank is naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden tot haar beslissingen gekomen zoals hiervoor vermeld.

5.5. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Derhalve moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 11 augustus 2009 in het openbaar uitgesproken en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. Savelbergh.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.