Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2465

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-09-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00062
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering van de bewijslast. De omstandigheid dat de bewijslast is omgekeerd, ontslaat de Inspecteur niet van de verplichting een redelijke schatting te doen van het genoten inkomen. De Inspecteur dient ook de feiten en omstandigheden die de schatting onderbouwen, voor zover deze worden bestreden, aannemelijk te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00062

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 8 september 2009

op het hoger beroep van de [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 27 december 2007, nummer AWB 06/199 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden, heeft aan belanghebbende, met dagtekening 21 juli 2005, een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2002 opgelegd, berekend naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000.

1.2. Het door belanghebbende tegen deze aanslag ingediende bezwaar is door de Inspecteur afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep bij de rechtbank ingesteld. In de beroepsfase heeft de Inspecteur op 21 maart 2006 het belastbaar inkomen uit werk en woning ambtshalve verminderd tot € 58.268. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.268, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van € 644 en de Staat der Nederlanden gelast het griffierecht van € 37 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het

Gerechtshof van 30 juni 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding in hoger beroep en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het navolgende komen vast te staan.

3.1 Belanghebbende exploiteerde in het onderhavige jaar een snackbar. Op 25 juli 2000 heeft hij bij de politie aangifte gedaan van verlies van zijn paspoort.

3.2 De Inspecteur heeft renseignementen ontvangen waarin is vermeld dat belanghebbende in het jaar 2002 van navolgende inhoudingsplichtigen loon heeft genoten als volgt:

inhoudingsplichtige begin tijdvak einde tijdvak loon loonheffing

[A] 01-01 24-05 1.542 97

[B] 01-01 28-06 8.155 1.261

[C] 01-01 31-12 30.108 7.939

[D] 01-01 31-12 13.812 2.707.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of belanghebbende de vereiste aangifte voor de inkomstenbelasting heeft gedaan en in verband daarmee of de bewijslast van belanghebbende is omgekeerd en verzwaard. Voorts is in geschil of de Inspecteur met recht de in 3.2 vermelde loonbedragen in het belastbare inkomen uit werk en woning heeft begrepen en de zelfstandigenaftrek heeft geweigerd.

4.2. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en alle volgende ontkennend, terwijl de Inspecteur deze vragen in tegenovergestelde zin beantwoordt.

4.3. Voor een verdere omschrijving van de standpunten van partijen en de gronden waarop deze rusten, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. De conclusie van belanghebbende is dat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar dienen te worden vernietigd en, naar het Hof begrijpt, het verlies uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 1.707.

5.2. Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Belanghebbendes gemachtigde heeft gesteld dat hij voor de indiening van de aangifte voor het jaar 2002 uitstel heeft gekregen tot 1 november 2005 en dat hij het biljet op die dag persoonlijk heeft ingediend. De Inspecteur heeft gemotiveerd bestreden dat enig uitstel voor de indiening van de aangifte is verleend. Tegenover deze bestrijding heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het uitstel is verleend tot de door hem genoemde datum. Het moge zo zijn dat aan de gemachtigde tot 1 november 2005 uitstel is verleend voor de motivering van het bezwaarschrift, voor welke motivering het ingevulde aangiftebiljet zou (kunnen) dienen, maar ook dan moet worden vastgesteld dat de vereiste aangifte niet is gedaan. De aangifte voor het onderhavige jaar had op 1 mei 2004 moeten zijn ingediend.

6.2. De omstandigheid dat niet de vereiste aangifte is gedaan, brengt mee dat de bewijslast wordt omgekeerd, zodat met betrekking tot de vraag of belanghebbende de in 3.2 vermelde looninkomsten heeft genoten, het niet aan de Inspecteur is dit aannemelijk te maken, maar dat belanghebbende moet bewijzen dat zulks niet het geval is. Ook dient belanghebbende aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor de zelfstandigenaftrek.

6.3. De omstandigheid dat de bewijslast is omgekeerd, ontslaat de Inspecteur niet van de verplichting een redelijke schatting te doen van het genoten inkomen. De Inspecteur dient ook de feiten en omstandigheden die de schatting onderbouwen, voor zover deze worden bestreden, aannemelijk te maken. Op het punt van de looninkomsten acht het Hof de schatting van de Inspecteur niet redelijk. De in de renseignementen vermelde inhoudingsplichtigen zijn alle uitzendbureaus in de bloementeelt en andere onderdelen van de agrarische sector. Het Hof acht het niet aannemelijk dat iemand gedurende het gehele jaar meerdere dienstbetrekkingen (twee gedurende het gehele jaar en twee gedurende ongeveer vijf respectievelijk zes maanden) in deze sector vervult en daarbij een looninkomen verdient van € 53.617, naast de exploitatie van een eigen snackbar. Nu heeft de Inspecteur met betrekking tot dit laatste gesteld dat het gebruikelijk is dat in gevallen als dit een beheerder van de snackbar wordt aangesteld, maar dit is niet een feit van algemene bekendheid en er bestaat geen aanwijzing dat dit in het onderhavige geval is gebeurd. Hiermee rekening houdend zal het Hof de schatting aldus herzien dat de loongegevens van de laatste in 3.2 genoemde inhoudingsplichtigen ([D]) buiten aanmerking worden gelaten, zodat het geschatte loon € 39.805 komt te bedragen en de daarop betrekking hebbende loonheffing € 9.297.

6.4. Belanghebbende is er niet in geslaagd te bewijzen dat hij deze looninkomsten niet heeft genoten. Hij heeft weliswaar enige feiten en omstandigheden aangevoerd ter bestrijding van de bijtelling, maar het geheel is onvoldoende om te oordelen dat aan de verzwaarde bewijslast is voldaan.

6.5. Met betrekking tot de zelfstandigenaftrek heeft belanghebbende in het geheel niets aangevoerd tot bewijs van zijn standpunt. Deze aftrek is door de Inspecteur terecht geweigerd.

Proceskosten en griffierecht

7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 966 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand ((2 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij de aanslag is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.268;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.456 met een bedrag aan te verrekenen loonheffing van € 9.297;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 966, en

- gelast de Inspecteur het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 106 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 8 september 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.