Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2450

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00101
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BD1452, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BV neemt aankoopkosten pand voor haar rekening. Uitdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/18.13 met annotatie van Redactie
FutD 2010-0400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00101

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 15 september 2009

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[belanghebbende] B.V. gevestigd te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank te

's-Gravenhage van 31 januari 2008, nr. AWB 07/453 VPB, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest, heeft aan belanghebbende voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 198.234.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 428. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 2 juni 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is opgericht bij akte van 10 december 1976. Zij is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als beheersmaatschappij. De heer [A] is directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende.

3.2. In het onderhavige jaar behoorde tot de activa van belanghebbende de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: het pand). Het pand is verhuurd aan [B] B.V. (hierna: [B]), die het pand onderverhuurde aan [C] B.V. (hierna: [C] B.V.). Laatstgenoemde vennootschap dreef onder de naam [D] een supermarkt in het pand. Op 7 april 2003 is het supermarktbedrijf verkocht aan [E] B.V. In de ter zake opgemaakte overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"5. Om een gezonde exploitatie te kunnen realiseren voor een nieuwe ondernemer, zult u gedurende drie jaar een bedrag van € 10.000 per jaar aan [F] betalen, voor het eerst op het moment van overname en vervolgens 1 respectievelijk 2 jaren na overnamedatum. Dit bedrag zal [F] ten gunste van de nieuwe ondernemer aanwenden."

3.3. Belanghebbende is op 3 november 2003 met [A] overeengekomen het pand te verkopen aan laatstgenoemde. In verband daarmee heeft belanghebbende het pand laten taxeren door [G] (hierna: [G]), makelaar en taxateur te [Q]. Op 11 november 2003 stelde [G] de onderhandse verkoopwaarde van het pand, vrij van verhuur en gebruik, vast op € 636.000.

3.4. Op 17 november 2003 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om een gezamenlijke taxatie. Dit heeft geresulteerd in een "Overeenkomst gezamenlijke taxatie onroerende zaken" tussen belanghebbende en de Inspecteur. Deze overeenkomst is door de laatstgenoemde ondertekend op 1 december 2003 en door eerstgenoemde op 2 december 2003. Naar aanleiding van deze overeenkomst heeft een taxateur van de Belastingdienst, [H], de taxatie van [G] beoordeeld en te kennen gegeven dat hij zich kon vinden in de [G] vastgestelde waarde van het pand.

3.5. Bij akte van 31 december 2003 is het pand aan [A] geleverd. Volgens de akte, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort, bedroeg de koopprijs € 636.000 en komen alle op de overdracht vallende kosten en rechten, alsmede de ter zake verschuldigde overdrachtsbelasting (hierna: de verkoopkosten) voor rekening van de verkoper. De verkoopkosten bedroegen in totaal € 37.425, welk bedrag belanghebbende ten laste van de winst heeft gebracht als "overige verkoopkosten". Met betrekking tot de koopprijs is in de akte nog het volgende opgenomen:

" Partijen zijn overeengekomen dat indien de fiscale autoriteiten onherroepelijk een andere waarde aan het overgedragen registergoed toekennen, deze waarde ook tussen partijen zal gelden en dientengevolge de koopsom tussen partijen overeenkomstig zal worden aangepast."

3.6. Bij brief van 18 augustus 2004 heeft [B] [A] benaderd in verband met het aflopen van de huurovereenkomst per 10 september 2005 en met het oog op verlenging van de overeenkomst voor een periode van vijf jaar. Daarin stelt [B] zich op het standpunt dat de geldende huurprijs te hoog is voor een supermarktondernemer om in de nabije toekomst een verantwoorde exploitatie mogelijk te maken, en stelt voor de huur vanaf 10 september 2005 te verlagen met ruim € 9.000 per jaar. [A] is op dit voorstel niet ingegaan. De overeenkomst is ongewijzigd verlengd.

3.7. Voor het jaar 2003 heeft belanghebbende een belastbaar bedrag na verliesverrekening aangegeven van € 160.809. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de verkoopkosten buiten aanmerking gelaten en de aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag na verliesverrekening van € 198.234.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd, meer in het bijzonder of de Inspecteur het bedrag van € 37.425 terecht niet in aftrek op het resultaat heeft aanvaard. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbendes hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van € 160.809. Subsidiair concludeert belanghebbende voor het geval dat zij in het ongelijk wordt gesteld, tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het onderhavige geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende met het voor haar rekening nemen van de aan de aan- en verkooptransactie verbonden kosten, [A] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft bevoordeeld en partijen zich daarvan bewust zijn geweest dan wel redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

6.2. De Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat in geval van verkoop van bestaande onroerende zaken het tussen zakelijk handelende en van elkaar onafhankelijke partijen gebruikelijk is overeen te komen dat de op de verkooptransactie vallende kosten voor rekening van de koper zijn. Door hiervan af te wijken ligt het naar het oordeel van het Hof in eerste instantie op de weg van belanghebbende om de zakelijkheid van het dragen van de kosten aannemelijk te maken.

6.3. Het Hof acht belanghebbende in het leveren van dit bewijs niet geslaagd. Belanghebbende heeft gesteld dat zij de kosten voor haar rekening heeft genomen omdat ten tijde van de verkoop van het bedrijfspand de huurprijs en daarmee de waarde van het pand ten opzichte van de door de taxateur vastgestelde waarde in neerwaartse zin is beïnvloed. Dit zou zijn veroorzaakt door het feit dat de huurder van het pand was verwikkeld in een prijzenoorlog, deze te kennen had gegeven een lagere huurprijs na te streven en op dat moment de verwachting gewettigd was dat de huurder in dit streven zou slagen. Hetgeen belanghebbende ter ondersteuning van haar stelling heeft aangevoerd is naar het oordeel van het Hof volstrekt onvoldoende om de waardedaling tegenover de gemotiveerde weerspreking ervan door de Inspecteur aannemelijk te achten. Het Hof merkt in dit verband op dat [A] de impliciete wens van de huurder om de nadelige gevolgen van de prijzenoorlog voor een deel op hem af te wentelen met succes naast zich heeft neergelegd en dat de huurder uiteindelijk akkoord is gegaan met ongewijzigde verlenging van de huurovereenkomst.

6.4. Het voorgaande leidt het Hof tot geen andere conclusie dan dat belanghebbende met het voor haar rekening nemen van de op de aan- en verkooptransactie van het bedrijfspand rustende kosten [A] een voordeel heeft doen toekomen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, van welke bevoordeling belanghebbende en haar aandeelhouder zich bewust zijn geweest, dan wel redelijkerwijs bewust moeten zijn geweest.

6.5. Aan dit oordeel doet niet af hetgeen in de koopakte is opgenomen terzake van de koopprijs zoals vermeld onder 3.5. Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank op goede gronden belanghebbendes beroep op de hier aan de orde zijnde "glijclausule" verworpen. Het Hof acht de zienswijze van de rechtbank en de gronden waarop deze zienswijze berust, juist en maakt deze tot de zijne.

6.6. Met inachtneming van het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat het hoger beroep ongegrond is en dat moet worden beslist als volgt.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat door belanghebbende onvoldoende feiten zijn gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat het door hem gestelde handelen c.q. niet handelen van de Inspecteur in de bezwaarfase heeft geleid tot schade aan de kant van belanghebbende.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, J.W. Savelbergh en E.J.M. Rosier, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 15 september 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.