Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2348

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-07/00441
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In een geval waarin een belastingplichtige een onroerende zaak kort na de peildatum heeft gekocht – zoals hier aan de orde –, moet er in de regel van worden uitgegaan dat de waarde zoals hiervoor omschreven overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00441

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 3 april 2009

op het hoger beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [belanghebbende] B.V. te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 15 juni 2007, nr. AWB 06/313, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Terneuzen, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: het bedrijfspand), voor het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 en naar de waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 1.590.300. In het desbetreffende geschrift is ook een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2005 bekendgemaakt.

1.2. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de beschikking gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 281. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 428. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 20 februari 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van het bedrijfspand. Het pand bestaat uit een autoshowroom, opslag- en magazijnruimte alsmede een werkplaats op de begane grond en overige ruimte (met sanitaire voorzieningen) op de eerste etage. Het pand heeft een bruto vloeroppervlakte van circa 2360 m².

3.2. Belanghebbende maakt deel uit van een conglomeraat van vennootschappen (hierna: de [A-groep]), waarvan tevens deel uitmaken [B] B.V. (een zustermaatschappij) en [C] B.V. (een dochtermaatschappij). Beide laatstgenoemde vennootschappen oefenen het garagebedrijf uit en zijn dealerbedrijven voor de automerken Audi en Volkswagen.

3.3. In 2003 heeft [C] B.V. het te [Z] uitgeoefende garagebedrijf van [D] B.V. gekocht. De laatstgenoemde vennootschap maakt deel uit van de [E-groep].

3.4. In het verlengde van voormelde aankoop van het garagebedrijf is belanghebbende onderhandelingen gestart met [F] B.V., op dat moment de eigenaar van het bedrijfspand. De onderhandelingen zijn afgerond met de koop van het bedrijfspand door belanghebbende op 22 juli 2003 voor een bedrag groot € 1.150.000.

3.5. [F] B.V. maakt deel uit van de [G-groep] die bestaat uit een veelheid van vennootschappen met verschillende - al dan niet in elkaars verlengde liggende - activiteiten, waaronder het importeurschap van auto's van de merken Audi en Volkswagen.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de waarde van het bedrijfspand per 1 januari 2003 op een te hoog bedrag is vastgesteld, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en wijziging van de beschikking in dier voege dat de waarde van het bedrijfspand nader wordt vastgesteld op primair ten hoogste € 1.150.000 en subsidiair op € 1.226.412.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet dient de waarde van het bedrijfspand te worden bepaald op de aan die onroerende zaak toe te kennen waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

6.2. In een geval waarin een belastingplichtige een onroerende zaak kort na de peildatum heeft gekocht - zoals hier aan de orde -, moet er in de regel van worden uitgegaan dat de waarde zoals hiervoor omschreven overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft (vergelijk HR 29 november 2000, nr. 35.797, onder meer gepubliceerd in BNB 2001/52).

6.3. Nu de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de door belanghebbende betaalde koopsom niet de waarde in het economische verkeer weergeeft, is het gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aan hem daartoe feiten of omstandigheden te stellen en - bij betwisting door belanghebbende - aannemelijk te maken. Naar het oordeel van het Hof is hij hierin niet geslaagd. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat het standpunt van de Inspecteur enerzijds steunt op de waardering van de taxateur welke door belanghebbende gemotiveerd is bestreden en die uitkomt op een hogere waarde dan de door belanghebbende betaalde koopsom alsmede op het feit dat een in [Q] gelegen garagepand, dat eveneens door belanghebbende van [F] BV is gekocht, nadien is verkocht met een winst die uitstijgt boven de waardeontwikkeling die vergelijkbare panden te zien hebben gegeven. Deze feiten, zowel op zich genomen als bezien in onderling verband, acht het Hof onvoldoende om het vermoeden te wettigen dat [F] BV akkoord zou zijn gegaan met een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer teneinde tegemoet te komen aan belangen van de [G-groep] als geheel.

6.4. Het Hof acht voorts belanghebbende er niet in geslaagd tegenover de betwisting ervan door de Inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat de waarde in het economische verkeer van het bedrijfspand per 1 januari 2003 op een lager bedrag dient te worden vastgesteld dan de door belanghebbende betaalde koopsom.

6.5. Het vorenstaande leidt het Hof tot de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven en dat de waarde dient te worden vastgesteld op € 1.150.000.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.610 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (5 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 281, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 428 aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- wijzigt de beschikking aldus dat de waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld op € 1.150.000,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1610, en wijst de gemeente Terneuzen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast de Inspecteur een bedrag van in totaal € 709 aan griffierechten aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.J.J. Engel, P.J.J. Vonk en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 3 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.