Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2305

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-12-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-09/00115
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doordat bij de controle noch naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek van de zijde van de Inspecteur opmerkingen zijn gemaakt over de geclaimde aftrek van de op de in geding zijnde acht paardenboxen betrekking hebbende omzetbelasting, heeft belanghebbende in redelijkheid kunnen aannemen dat de Inspecteur het standpunt had ingenomen, dat met betrekking tot het gebruik van die boxen de landbouwregeling toepassing mist. De mogelijke toepassing van de landbouwregeling kan immers niet aan de aandacht van de controlerende ambtenaar zijn ontsnapt. Belanghebbende mocht er dan ook redelijkerwijs van uitgaan dat ter gelegenheid van het boekenonderzoek en de afwikkeling ervan de toepassing van de landbouwregeling op haar fiscale merites was beoordeeld. Toepassing van de landbouwregeling stuit in dit geval dus reeds af op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/26.12 met annotatie van Redactie
V-N 2010/18.1.4
FutD 2010-0325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-09/00115

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 4 december 2009

op het hoger beroep van de vennootschap onder firma [belanghebbende] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 december 2008, nummer AWB 06/4385 OB, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 februari 2001 tot en met 31 december 2001 met dagtekening 27 april 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 7.635 (€ 3.465), alsmede bij beschikking een boete van ƒ 2.850 (€ 1.294).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Holland-Midden, bij in één geschrift, gedagtekend 1 april 2006, vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 4.013 (€ 1.821) en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Van de uitspraak betreffende de naheffingsaanslag heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 281. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 oktober 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende is op 1 februari 2001 opgericht ter exploitatie van een manegebedrijf. De bedrijfsomschrijving van belanghebbende luidt volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel: "Paardenfokkerij, handelsstal, trainen en africhten van paarden. Hengstenhouderij en pensionstalling". Zelfgefokte paarden worden door belanghebbende opgeleid tot zadelmak. Daarvoor geschikte paarden worden door belanghebbende verder opgeleid tot dressuur-, les- of wedstrijdpaard.

3.2. Het bedrijf van belanghebbende is gevestigd aan de [a-straat 1] te [Z], op welke locatie voor de exploitatie van de manege een nieuw bedrijfscomplex is gerealiseerd. Op de begane grond bevinden zich een rijhal, een paardenstal met 28 boxen, een bedrijfsrestaurant en kantoorruimten. In afwachting van de bouwvergunning voor een woonhuis is op de bovenverdieping een tijdelijke woonruimte gecreëerd. De stal is in september 2001 in gebruik genomen, de rijhal in 2002 en het bedrijfsrestaurant, de kantoorruimten en de tijdelijke woning in 2004. Belanghebbende heeft twintig van de 28 paardenboxen bestemd om vrijgesteld te worden verhuurd en acht voor het stallen van eigen paarden. Tot het bedrijf van belanghebbende behoorde in 2001 ongeveer negen hectare weidegrond die is aangewend voor zomerpension van ongeveer twintig paarden en voor de oogst van de wintervoorraad hooi.

3.3. Bij de oplevering van de stal en de rijhal heeft belanghebbende de ingebruikneming van de twintig boxen met de bestemming vrijgestelde verhuur, alsmede een daaraan evenredig gedeelte van de rijhal en de ondergrond, aangemerkt als levering in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2001, hierna: 3-1-h-levering), ter zake waarvan zij ƒ 23.185 (€ 10.521) aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

3.4. Op 7 januari 2003 is de Inspecteur bij belanghebbende aangevangen met een boekenonderzoek, waarbij onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2000 en 2001 is onderzocht. De Inspecteur heeft op 4 maart 2005 een rapport met de uitkomsten van het boekenonderzoek afgerond (hierna: het rapport). Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag ten bedrage van ƒ 7.635 opgelegd, berekend als volgt:

- met betrekking tot de 3-1-h-levering:

- voldane omzetbelasting ƒ 23.185

- verschuldigde omzetbelasting ƒ 19.240

AF: Verschil: -/- ƒ 3.765

- BIJ: geen aftrek voorbelasting ƒ 11.400

Nageheven ƒ 7.635 (€ 3.465).

3.5 De Inspecteur heeft bij diens uitspraak op bezwaar de correctie op de voorbelasting van ƒ 11.400 doen vervallen en het bedrag van de omzetbelasting ter zake van de 3-1-h-levering met ƒ 7.778 (= 8/20 x ƒ 19.420) verhoogd, omdat naar zijn opvatting alle 28 paardenboxen werden aangewend voor prestaties die onder de landbouwregeling vallen, als gevolg waarvan de naheffingsaanslag is verminderd tot (ƒ 7.635 + ƒ 7.778 -/- ƒ 11.400=) ƒ 4.013 (€ 1.821).

4. Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag is opgelegd, welke vraag belanghebbende, zo nodig met een beroep op het vertrouwensbeginsel, ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende is in dit verband van opvatting dat de landbouwregeling niet van toepassing is, omdat het opleiden van paarden tot dressuur-, les- of wedstrijdpaard niet bijdraagt tot de agrarische productie in de zin van artikel 27, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en, zo dat anders is, omdat de Inspecteur met het toepassen van de landbouwregeling in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

4.3. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

4.4. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

4.5. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Doordat bij de controle noch naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek van de zijde van de Inspecteur opmerkingen zijn gemaakt over de geclaimde aftrek van de op de in geding zijnde acht paardenboxen betrekking hebbende omzetbelasting, heeft belanghebbende in redelijkheid kunnen aannemen dat de Inspecteur het standpunt had ingenomen, dat met betrekking tot het gebruik van die boxen de landbouwregeling toepassing mist. De mogelijke toepassing van de landbouwregeling kan immers niet aan de aandacht van de controlerende ambtenaar zijn ontsnapt. Belanghebbende mocht er dan ook redelijkerwijs van uitgaan dat ter gelegenheid van het boekenonderzoek en de afwikkeling ervan de toepassing van de landbouwregeling op haar fiscale merites was beoordeeld. Daaraan doet niet af dat de Inspecteur bij het opstellen en het afwikkelen van het rapport geen kennis zou hebben gedragen van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2003, nr. 38.890 (LJN: AM1465) inzake de reikwijdte van de landbouwregeling. Evenmin doet daaraan af dat de Inspecteur eerst tijdens het hoorgesprek op 23 januari 2006 ter gelegenheid van de behandeling van het bezwaarschrift van belanghebbende heeft vernomen van de bestemming van de acht paardenboxen. Toepassing van de landbouwregeling stuit in dit geval dus reeds af op het vertrouwensbeginsel.

5.2. Zoals het Hof in zijn uitspraken van 26 juni 2009, voorzien van de nummers BK-08/00332 (LJN: BJ0680) en BK-08/00334 (LJN: BJ0682), heeft beslist, dient artikel 3, eerste lid, onderdeel h, van de Wet als strijdig met de Zesde BTW-richtlijn (Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen nr. 77/388/EEG) buiten toepassing te blijven. Die beslissing is naar 's Hofs oordeel ook hier van toepassing. Nu, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, belanghebbende twintig van de 28 paardenboxen heeft verworven en aangewend voor verhuurprestaties die geen aftrek van voorbelasting toestaan, moet voor de heffing van de omzetbelasting worden volstaan met het niet aftrekbaar achten van de omzetbelasting die belanghebbende ter zake van de oplevering van die twintig paardenboxen en de rijhal in rekening is gebracht.

5.3. Met 's Hofs overwegingen onder 5.1 en 5.2 als uitgangspunt, waarbij de Inspecteur heeft aangetekend dat de staatssecretaris van Financiën van de onder 5.2 genoemde uitspraken beroep in cassatie bij de Hoge Raad heeft ingesteld, hebben partijen cijfermatig overeenstemming bereikt, en wel in dier voege dat naar hun gemeenschappelijke oordeel de naheffingsaanslag moet worden vernietigd en een teruggaaf moet volgen van ƒ 3.990 (€ 1.811). De Inspecteur heeft ter zitting toegezegd deze teruggaaf ambtshalve te zullen bewerkstelligen.

5.4. Het Hof sluit zich aan bij dit eenstemmige oordeel van partijen. Hierin ligt besloten dat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar niet in stand kunnen blijven en dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Als uitgangspunt voor een veroordeling in de proceskosten geldt dat vaststelling van de proceskosten plaatsvindt overeenkomstig de in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgestelde normering. Het Hof ziet geen aanleiding te voldoen aan het verzoek van belanghebbende tot een veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke kosten, omdat niets erop wijst dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Het Hof stelt de proceskosten die betrekking hebben op het hoger beroep vast op € 966 (2 punten x € 322 x 1,5 (factor gewicht)). Voor de procedure bij de rechtbank heeft belanghebbende aanspraak op een vergoeding van € 1.449 (3 punten x € 322 x 1,5 (factor gewicht)).

6.2. Voorts dienen de door belanghebbende voldane griffierechten voor deze zaak te worden vergoed en wel tot een bedrag van in totaal € 713 {€ 281 (beroep) en € 433 (hoger beroep)}.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.415; en

- gelast de Inspecteur de betaalde griffierechten van in totaal € 713 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, voorzitter, B. van Walderveen en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 4 december 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.