Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2296

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00361
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Belanghebbende heeft naar ’s Hofs oordeel geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende gelijktijdig buiten Nederland werkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een Nederlandse dienstbetrekking en uit hoofde van een dienstbetrekking met een buiten Nederland gevestigde werkgever. De feiten wijzen eenduidig naar het bestaan van één dienstbetrekking met [A] N.V.. Dat deze vennootschap haar feitelijke vestigingsplaats in de loop van het jaar 2001 vanuit België naar Nederland heeft verplaatst doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 656 met annotatie van Schaap
Belastingadvies 2010/8.10
V-N 2010/19.20

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00361

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 30 oktober 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 augustus 2008, nummer AWB 06/9007 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

1. Naheffingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond, het bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

18 september 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Belanghebbende heeft kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling door middel van een aan de griffier verzonden faxbericht meegedeeld verhinderd te zijn de zitting bij te wonen, maar heeft daarin niet om uitstel dan wel een nieuwe mondelinge behandeling verzocht.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is het gehele jaar 2001 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [A] N.V. (hierna: de werkgever). Deze vennootschap was tot 1 april 2001 gevestigd in België en daarna in Nederland. Belanghebbende heeft zijn werkzaamheden gedurende het gehele jaar uitsluitend buiten Nederland verricht.

3.2. Voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft belanghebbende voor het jaar 2001 een verzamelinkomen aangegeven van € 30.121 en heeft daarbij verzocht om vrijstelling van de premie volksverzekeringen.

3.3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur vrijstelling van de premies volks- verzekeringen verleend voor de periode 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2001.

3.4. Belanghebbende is afgemonsterd op 23 februari 2001; van 24 februari tot 26 april 2001 heeft hij verlof genoten. Hij heeft daarna weer de werkzaamheden voor [A] N.V. hervat.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld de vraag over welke periode van het jaar 2001 belanghebbende vrijstelling geniet van de heffing van premies volksverzekeringen.

4.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999) heeft belanghebbende recht op vrijstelling van de premieheffing volksverzekeringen over het gehele jaar 2001, subsidiair over de periode van 1 januari 2001 tot en met 25 april 2001. Het aantal premiedagen bedraagt alsdan 245. De hoogte van het vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning ad € 30.121 wordt niet bestreden.

4.2.1. De Belastingdienst heeft als beleid vastgesteld dat indien de werkzaamheden buiten Nederland worden verricht uit hoofde van een Nederlandse dienstbetrekking, en er gelijktijdig ook werkzaamheden worden verricht buiten Nederland voor een buiten Nederland gevestigde werkgever, wel degelijk vrijstelling op de voet van artikel 12 BUB 1999 mogelijk is.

4.2.2. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt wordt verwezen naar de brief van de heer [B] van 17 juni 1999, Belastingdienst Rijnmond, waarin deze het beleid van het Ministerie van Financiën uiteenzet, en wel in dier voege dat de verlofperiode wordt toegerekend aan de voorafgaande periode van tewerkstelling. Alsdan bestaat ook voor de verlofperiode aanspraak op premievrijstelling (artikel 12, tweede lid, BUB 1999).

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de premieaanslag tot nihil, subsidiair tot vermindering van de premieaanslag op basis van 245 premiedagen, en tot vergoeding van het griffierecht en de gemaakte proceskosten.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De rechtbank heeft - voor zover thans nog van belang - het volgende overwogen. Daarbij dient onder eiseres te worden verstaan: belanghebbende, en onder verweerder: de Inspecteur:

"4.1 Op grond van artikel 12, eerste lid, van het BUB, is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

4.2 Uit de gedingstukken blijkt dat het geschil zich toespitst op de uitleg van artikel 12, eerste lid, van het BUB, in het bijzonder de betekenis van het daarin voor de tweede maal voorkomende woord "uitsluitend". In de Nota van toelichting bij het BUB is ten aanzien van artikel 12, eerste lid, onder meer vermeld dat "de driemaandstermijn van de oude bepaling is gehandhaafd en derhalve blijft gelden voor werknemers die uitsluitend buiten Nederland werkzaam zijn in dienstbetrekking van een buitenlandse werkgever". Bij zijn arrest van 11 februari 2005, nr. 40 390, heeft de Hoge Raad overwogen dat, gelet op die passage uit de Nota van toelichting, moet worden aangenomen dat het niet de bedoeling van de besluitgever is geweest om door toevoeging van het woord "uitsluitend" in het zinsdeel na de komma, van verzekering ingevolge de volksverzekeringen uit te sluiten de persoon die in Nederland woont en uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever werkzaamheden in het buitenland verricht, voorzoveel het betreft de periode waarin uitsluitend voor die werkgever werkzaamheden in het buitenland worden verricht.

4.3 Vaststaat dat eiser gedurende het gehele jaar 2001 uitsluitend buiten Nederland in dienstbetrekking werkzaam is geweest voor [A] N.V. en dat deze werkgever vanaf 1 april 2001 in Nederland gevestigd is. Dat eiser vanaf 1 april ook andere werkzaamheden dan voor [A] N.V. heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Onder die omstandigheden is eiser, met inachtneming van het in 4.2 aangehaalde arrest, vanaf 1 april 2001 niet uitgesloten van de verzekering ingevolge de volksverzekeringen en derhalve niet vrijgesteld van premie volksverzekeringen. In zoverre is het gelijk aan verweerder.

4.4 Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat hij tot en met 24 april 2001 was vrijgesteld van premie volksverzekeringen. Het subsidiaire standpunt van eiser faalt dus ook.

4.5 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard."

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. In aanvulling daarop merkt het hof nog het volgende op. Belanghebbende heeft naar 's Hofs oordeel geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende gelijktijdig buiten Nederland werkzaamheden heeft verricht uit hoofde van een Nederlandse dienstbetrekking en uit hoofde van een dienstbetrekking met een buiten Nederland gevestigde werkgever. De feiten wijzen eenduidig naar het bestaan van één dienstbetrekking met [A] N.V.. Dat deze vennootschap haar feitelijke vestigingsplaats in de loop van het jaar 2001 vanuit België naar Nederland heeft verplaatst doet daaraan niet af. In dit verband wijst het Hof op Hoge Raad 11 februari 2005, nr. 40.390, BNB 2005/159. Het primaire standpunt van belanghebbende wijst het Hof derhalve af.

6.3. Inzake het subsidiaire standpunt van belanghebbende, waarbij deze zich op het standpunt stelt dat rechtens te honoreren vertrouwen kan worden ontleend aan de brief van [B], is het Hof van oordeel dat zulks niet het geval is. In de voormelde brief is niets vermeld inzake de interpretatie door de Belastingdienst van de voorwaarde van vestiging van de werkgever respectievelijk over de gevolgen van de verhuizing van de vestigingsplaats van de werkgever vanuit het buitenland naar Nederland en omgekeerd. Aan deze brief kan derhalve geen vertrouwen worden ontleend dat de verlofperiode aan de voorafgaande periode van de buitenlandse vestiging van [A] N.V. moet worden toegerekend. Ook het subsidiaire standpunt van belanghebbende is ongegrond.

6.4. Hetgeen belanghebbende nog overigens of anderszins heeft aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

6.5. Gelet op het vorenoverwogene dient te worden beslist als hierna vermeld.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, B. van Walderveen en S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 30 oktober 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.