Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL2281

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
22-000635-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Economisch delict. De verdachte, een rechtspersoon naar Frans recht, was doende zeventien containers met afvalstoffen over te brengen van Spanje naar China via Nederland, zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit overeenkomstig de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA).

Schuldigverklaring zonder strafoplegging: na de ten laste gelegde datum zijn de omstandigheden waaronder het feit is begaan, veranderd. De onderhavige afvalstoffen staan thans op de groene lijst van de nieuwe EVOA waardoor een kennisgeving voor de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen niet meer vereist is. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte steeds haar medewerking heeft verleend en de lading terug naar Spanje heeft laten brengen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat het een oud feit betreft.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.60, geldigheid: 2009-07-17
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2009-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-000635-08

Parketnummer: 10-162624-04

Datum uitspraak: 17 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

de rechtspersoon naar Frans recht,

[naam rechtspersoon],

[vestigingsplaats],

[vestigingsadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 20 maart 2009 en 3 juli 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 15 maart 2004, te Rotterdam, althans in Nederland, in elk geval binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen,

althans alleen, al dan niet opzettelijk,

(een) handeling(en) heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, immers was zij doende zeventien containers waarvan de inhoud bestond uit restanten van elektrakabel (niet zijnde huishoudelijke snoeren en draden), in elk geval (een) afvalstof(fen) die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening is/zijn opgenomen, over te brengen van Spanje naar China via Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en/of toestemming van alle/de betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde Verordening;

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 45.000,-.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 15 maart 2004 te Rotterdam een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 26 eerste lid van de Verordening (EEG) Nr. 259/93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, immers was zij doende zeventien containers waarvan de inhoud bestond uit restanten van elektrakabel in elk geval afvalstoffen die nog niet in een van de bijlagen II, III en IV van deze Verordening zijn opgenomen, over te brengen van Spanje naar China via Nederland, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit overeenkomstig genoemde Verordening.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd - zoals nader toegelicht in zijn overgelegde pleitnota - dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij stelt hiertoe dat er geen sprake was van doorvoer in de zin van de (oude) EVOA en dat hiervoor geen kennisgeving was vereist, waardoor er geen strafbaar feit is gepleegd.

De raadsman verwijst hiervoor naar de website van SenterNovem die ten tijde van het strafbare feit het volgende vermeldde:

"Valt het aanmeren in een Nederlandse haven ook onder de definitie van doorvoer?"

"Indien een (zee)schip dat afvalstoffen vervoert, aanmeert in een Nederlandse haven, maar er geen op- en/of overslag van de afvalstoffen plaatsvindt en de afvalstoffen niet aan wal worden gebracht, is er volgens Nederlandse interpretatie van de Verordening 259/93 (EVOA) geen sprake van doorvoer. In dit geval is dan ook geen kennisgevingsprocedure vereist. Indien de afvalstoffen wel aan de wal worden op- en/ of overgeslagen en een (ander) schip de afvalstoffen vervolgens naar een ander land vervoert, is er sprake van doorvoer als de op- en/of overslagactiviteiten van korte duur zijn en van tevoren bekend is welk schip de afvalstoffen naar een ander land zal vervoeren."

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Voor de bedoeling van de Europese wetgever ter zake zijn aanknopingspunten te vinden in de vergelijking van de in artikel 2 van de oude EVOA vermelde definities van de begrippen 'Staat van verzending', 'Staat van bestemming' en 'Staat van doorvoer'. Dit artikel luidde -voor zover van belang- als volgt:

"(...)l)Staat van verzending: elke Staat van waaruit een overbrenging van afvalstoffen is of plaatsvindt;

m)Staat van bestemming: elke Staat waarnaar een overbrenging van afvalstoffen voorgenomen is of plaatsvindt voor verwijdering of nuttige toepassing, of voor verlading in een schip om op zee te worden verwijderd, onverminderd bestaande overeenkomsten betreffende verwijdering op zee;

n)Staat van doorvoer: elke Staat, niet zijnde de Staat van verzending noch die van bestemming, waardoor een overbrenging van afvalstoffen is voorgenomen of plaatsvindt. (...)"

Het hof stelt vast dat geen definitie wordt gegeven van het begrip "doorvoer".

Voorts kan aansluiting worden gezocht bij de definitie die in de nieuwe EVOA(Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12 juli 2006 blz.1)), is opgenomen, aangezien -nu in de considerans niet uitdrukkelijk is overwogen dat ten aanzien van het begrip 'doorvoer' sprake is van een gewijzigd inzicht- het hof van oordeel is dat met deze definitiebepaling slechts de betekenis van dat begrip is gecodificeerd die de Europese wetgever reeds voor ogen stond.

De hiervoor genoemde definitiebepaling, artikel 2 van de nieuwe EVOA, luidt -voor zover van belang- als volgt:

"Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(...)

32."doorvoer": een overbrenging van afvalstoffen of een geplande overbrenging van afvalstoffen doorheen een of meerdere landen dan het land van verzending of van bestemming;(...)".

Deze definitie van 'doorvoer' omvat naar het oordeel van het hof evenmin als de oude EVOA een restrictie zoals die is aangebracht in de Nederlandse interpretatie van het begrip, zoals voorheen op de website van SenterNovem weergegeven.

Naar het oordeel van het hof dient het begrip "doorvoer" dan ook ruimer uitgelegd te worden dan de beperkte wijze waarop de Nederlandse autoriteiten het in het verleden geïnterpreteerd hebben. Terzake van het onderhavige tenlastegelegde feit is sprake geweest van doorvoer in de zin van de oude EVOA. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat - zoals nader is toegelicht in zijn overgelegde pleitnota - door wijziging van de EVOA thans voor de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen geen kennisgeving meer is vereist, en dat - zo begrijpt het hof - de strafwaardigheid van het feit is komen te vervallen.

Het hof verwerpt dit verweer. In dit geval is de norm geschonden dat de verdachte heeft gehandeld zonder de vereiste kennisgeving. Op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 3, lid 1, aanhef en sub iv) van de thans vigerende EVOA geldt die kennisgevingsverplichting nog steeds. De wetgever heeft dan ook geen blijk gegeven van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van de overtreding van dit ordeningsvoorschrift. Het hof merkt hierbij op dat blijkens de overwegingen bij de thans geldende EVOA de aangebrachte wijzigingen betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing bedoeld zijn om de afvalstoffenlijsten in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Bazel.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.60, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zoals nader is toegelicht in zijn pleitnota - betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging als gevolg van afwezigheid van alle schuld. Naar de mening van de verdachte mocht zij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat er geen kennisgeving voor dit type afval nodig was, omdat elders in Europa daarvan werd uitgegaan bij een samengestelde afvalstof die een combinatie is van twee stoffen die beide voorkomen op groene lijst van afvalstoffen van bijlage II bij de (oude) EVOA.

Het hof is van oordeel dat dit verweer geen doel treft. De verdachte is een onderneming die in het kader van de uitoefening van haar bedrijf te maken heeft met internationale afvaltransporten. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de verdachte om op de hoogte te zijn van de relevante nationale en internationale regelgeving en de uitleg daarvan. De verdachte, die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht er niet van op de hoogte te zijn geweest dat de containers via Nederland werden getransporteerd, heeft zich niet op de hoogte heeft gesteld van de relevante wet- en regelgeving en de uitleg daarvan bij de overheidsautoriteiten hier te lande.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.

Geen straf of maatregel

Ter terechtzitting in hoger beroep is vast komen te staan dat de na de tenlastegelegde datum de omstandigheden waaronder het feit is begaan zijn veranderd. De onderhavige afvalstoffen staan thans op de groene lijst van de nieuwe EVOA waardoor een kennisgeving voor de overbrenging van de onderhavige afvalstoffen niet meer vereist is. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte steeds haar medewerking heeft verleend en de lading terug naar Spanje heeft laten brengen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat het feit weliswaar niet verjaard is maar dat het een oud feit betreft. Alles overwegende acht het hof het raadzaam -overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal- te bepalen dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. D.J.C. van den Broek en dr. G.J. Fleers, in bijzijn van de griffier mr. M.Th.A. de Ridder.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juli 2009.

Dr. G.J. Fleers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.