Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL1776

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-11-2009
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
BK-08/00412
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur is tot een nader onderzoek van een voorlopige aanslag gehouden, als hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0350
V-N 2010/20.1.1

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00412

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 6 november 2009

in het geding tussen:

mevrouw [belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/[P] (kantoor [Q]), hierna de Inspecteur:

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank

's-Gravenhage van 12 september 2008, nummer AWB 07/1156 IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (nummer xxx.xx.xxx.x.xx) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.122, met verrekening van € 222 aan voorheffingen en met inachtneming van een gecombineerde heffingskorting van € 1.827 (algemene heffingskorting € 1.825 en arbeidskorting € 2).

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van

30 september 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 23 januari 2006 heeft belanghebbende door middel van indiening van een zogenoemd T-biljet aangifte gedaan in de inkomstenbelasting voor het jaar 2004. Zij heeft in haar aangifte geen inkomsten uit werk en woning aangeven. Door het daartoe bestemde vakje bij vraag 13a aan te kruisen, heeft zij verzocht om uitbetaling van de algemene heffingskorting. Bij de aan-gifte was een betaalspecificatie van de uitkering Werkloosheidswet (hierna: WW-uitkering) met betrekking tot de periode van 15 december 2003 tot en met 11 januari 2004 gevoegd, met daarop de handmatig bijgeschreven vermelding "het gehele jaar 2004".

3.2. Bij voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, met dagtekening 17 maart 2006, is aan belanghebbende de algemene heffingskorting van € 1.825 uitbetaald.

3.3. In de door het UWV aan belanghebbende verstrekte jaaropgaaf 2004 inzake de WW-uitkering zijn een fiscaal loon van € 6.046 en een loonheffing van € 189 vermeld. Verder ontving belanghebbende in 2004 een nabetaling van € 76 van TPG-post, waarop € 33 aan loonbelasting is ingehouden.

3.4. Met dagtekening 24 december 2006 is de onderwerpelijke aanslag vastgesteld. De Inspecteur heeft de aanslag opgelegd met een door belanghebbende te betalen bedrag van € 1.825 (exclusief € 154 aan heffingsrente).

4. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur heeft verzuimd een goede controle uit voeren waardoor bij de voorlopige aanslag de algemene heffingskorting is uitbetaald. De Inspecteur was bekend met de inkomens van belanghebbende en haar echtgenoot. Als de aangifte van belanghebbende goed zou zijn bekeken, zou belanghebbende niet zijn geconfronteerd met een schuld.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat belanghebbende de voor haar geldende algemene heffingskorting volledig benut bij het door haar genoten inkomen uit werk en woning. De bij de voorlopige aanslag ten onrechte uitbetaalde algemene heffingskorting is dan ook terecht teruggenomen. De voorlopige aanslagen worden, in het belang van de belastingplichtigen, zo snel mogelijk vastgesteld zonder dat daar een uitputtende controle aan voorafgaat.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en - naar het Hof begrijpt - vermindering van de aanslag tot nihil.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

6.1.1. Uit de onder 3.3. vermelde jaaropgaaf leidt de rechtbank af dat het UWV bij het berekenen van de in te houden loonbelasting rekening heeft gehouden met de algemene heffingskorting. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende de algemene heffingskorting twee keer heeft genoten, te weten één keer in de voorlopige aanslag en één keer doordat daarmee rekening is gehouden bij de berekening van de in te houden loonbelasting op de WW-uitkering van eiseres.

6.1.2. De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende dat bij de aangifte een betaalspecificatie van het UWV was gevoegd met daarop de vermelding "het gehele jaar 2004" aldus, dat de Inspecteur daaruit had moeten begrijpen dat met de algemene heffingskorting bij het opleggen van de voorlopige aanslag geen rekening behoefde te worden gehouden. De rechtbank overweegt daarover dat, ook als de Inspecteur daaruit al had kunnen afleiden dat belanghebbende ten onrechte het vakje bij vraag 13a op de aangifte had aangekruist, hij met de uitbetaling van de heffingskorting bij belanghebbende niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat herstel daarvan door middel van het opleggen van een aanslag achterwege zou blijven.

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Daartoe overweegt het Hof ter aanvulling nog het volgende:

Bij de Belastingdienst wordt jaarlijks een zeer groot aantal aangiftebiljetten ingediend. De Belastingdienst heeft gekozen voor een werkwijze waardoor belastingplichtigen snel na indiening van hun aangifte bericht krijgen. Aan de hand van de door belastingplichtigen zelf op de aangifte verstrekte informatie worden langs geautomatiseerde weg voorlopige aanslagen opgelegd. Het proces van het opleggen van voorlopige aanslagen/verlenen van voorlopige teruggaven heeft een massaal karakter. De Inspecteur mag bij het vaststellen van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. De Inspecteur is dus niet gehouden bij iedere aangifte te controleren of de ingevulde gegevens overeenstemmen met de bij de Belastingdienst bekend zijnde gegevens en of de indiener van de aangifte mogelijk fouten heeft gemaakt in de aangifte. Voorts is de Inspecteur niet gehouden bij de aangiften gevoegde bijlagen te bekijken alvorens hij overgaat tot het opleggen van een voorlopige aanslag. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. In casu is daarvan naar 's Hofs oordeel geen sprake. Belanghebbende heeft zelf aangifte gedaan van een inkomen uit werk en woning van nihil. Daarnaast heeft zij zelf verzocht om uitbetaling van de heffingskorting. Belanghebbende heeft in redelijkheid uit het verlenen van de voorlopige teruggaaf niet kunnen afleiden dat zij recht zou hebben op een dubbele heffingskorting. Op de voorlopige aanslag staat expliciet vermeld dat deze uitsluitend is gebaseerd op de gegevens uit de aangifte over 2004 en dat de Belastingdienst deze gegevens nog gaat controleren. De definitieve aanslag kan dus afwijken van de voorlopige aanslag en wellicht moet het ontvangen bedrag worden terugbetaald, aldus de toelichting bij de voorlopige aanslag. Er is naar 's Hofs oordeel niet het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat recht bestaat op een dubbele heffingskorting.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond en dient te worden beslist als hierna is vermeld.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7.2. Ter zitting van de rechtbank heeft de Inspecteur erkend dat de uitspraak op bezwaar aan duidelijkheid te wensen over laat, met name met betrekking tot de opmerkingen over het voldoende verschuldigd zijn van belasting door de echtgenoot van belanghebbende, hetgeen in deze procedure niet relevant is. De rechtbank heeft zich daarbij aangesloten en hieraan in haar overwegingen het gevolg verbonden dat de Staat wordt aangewezen als de rechtspersoon die het door belanghebbende voor de behandeling van het beroep voor de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 38 aan haar dient te vergoeden. In het dictum heeft de rechtbank niets vermeld over het griffierecht. In hoger beroep is dat niet aangevoerd. Nu het Hof de uitspraak van de rechtbank bevestigt, verstaat het dat de Staat het griffierecht zal vergoeden aan belanghebbende.

8. Beslissing

Het Gerechtshof: bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, B. van Walderveen en

E.M. Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd.

De beslissing is op 6 november 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.