Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0835

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-08-2009
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200.014.549-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2008:BD5815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3081
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHSHE:2017:2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangsombesluit van gemeente. Gebruik mestbassin. Vernietiging beslissingen. Onrechtmatige daad van gemeente. Verjaring schadevordering. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 200.014.549/01

Rol/zaakno rechtbank: 58052 / HA ZA 07-270

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 18 augustus 2009

inzake

DE GEMEENTE GOES,

gevestigd te Goes,

appellante,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. U.T. Hoekstra te Middelburg,

tegen

1. MAATSCHAP [X],

gevestigd te Lewedorp, gemeente Borsele,

en haar vennoten

2. [vennoot 1],

3. [vennoot 2] en

4. [vennoot 3],

allen wonend te Borsele,

geïntimeerden,

hierna te zamen te noemen: de maatschap,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ‘s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 5 september 2008 is de gemeente in hoger beroep gekomen van het vonnis van 11 juni 2008, door de rechtbank te Middelburg tussen partijen gewezen. In dit exploot (met productie) heeft de gemeente vier grieven aangevoerd. Bij memorie van eis heeft zij overeenkomstig de dagvaarding geconcludeerd. De maatschap heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Op deze memorie is nog door de gemeente gereageerd bij akte rectificatie en uitlating producties. Vervolgens hebben partijen de procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 Het gaat in dit geding - samengevat - om het volgende.

1.1 De maatschap exploiteert een akkerbouwbedrijf (teelt van aardappelen) in Borsele, deels op eigen gronden en deels op gronden die zij van derden in pacht, huur of anderszins in gebruik heeft gekregen. Op een door de maatschap aan [betrokkene] verkocht en overgedragen perceel grond, gelegen in Goes, heeft [betrokkene] voornoemd c.q. Gebroeders [betrokkene] Mestdistributie BV (hierna te zamen te noemen: [betrokkene]) ten behoeve van de maatschap een mestbassin met een capaciteit van 2.500 m³ aangelegd, in verband waarmee een overeenkomst voor het gebruik daarvan is gesloten.

De overeenkomst hield in dat [betrokkene] mest ter beschikking van de maatschap stelde om uit te rijden op bij de maatschap in gebruik zijnde gronden. Voor de opslag van de mest werd het mestbassin geheel ter beschikking gesteld. Als vergoeding hiervoor stelde de maatschap de door haar niet benutte capaciteit weer aan [betrokkene] ter beschikking voor mestopslag.

[betrokkene] houdt zich bezig met mestopslag en -distributie ten behoeve van derden.

1.2 De gemeente heeft het gebruik van het mestbassin door of ten behoeve van anderen dan de maatschap willen tegengaan en heeft daartoe een aantal besluiten genomen, deels gericht tegen [betrokkene], deels tegen de maatschap.

1.3 De maatschap heeft in dit verband ten eerste gewezen op twee besluiten van burgemeester en wethouders (hierna: b&w) van 7 oktober 1996. Bij het ene besluit hebben b&w [betrokkene], onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven om het gebruik van het mestbassin voor mestopslag- en mestdistributie-activiteiten ten behoeve van derden binnen één week te staken. Bij het andere besluit (hierna: besluit I) hebben b&w de maatschap onder oplegging van een dwangsom aangeschreven om het gebruik van het mestbassin voor dat doel te laten staken.

Na bezwaar en beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in hoger beroep bij een uitspraak van 21 januari 1999 besluit I herroepen.

Het hoger beroep van [betrokkene] heeft de Afdeling ongegrond geacht om reden dat het gebruik van het mestbassin voor handel en opslag in strijd is met de aan de grond gegeven bestemming en dus verboden is.

1.4 De maatschap heeft verder gewezen op twee besluiten van b&w van 21 juli 1997. Bij het ene besluit hebben b&w [betrokkene], onder oplegging van een dwangsom, gelast de aanvoer van mest naar het mestbassin - ook wel aangeduid als mestzak - en het (doen) uitrijden van mest vanuit het bassin naar landbouwgronden te staken. Onder oplegging van een separate dwangsom hebben zij bij dat besluit [betrokkene] bovendien gelast het mestbassin te verwijderen.

Bij het andere besluit hebben b&w de maatschap onder oplegging van een dwangsom geboden niet meer toe te staan dat het perceel waarop het mestbassin ligt wordt gebruikt voor mestopslag en mestdistributie-activiteiten en om het mestbassin te (laten) vullen met meer dan 1.250 m³ mest en/of de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid dan 1.250 m³. Onder oplegging van een separate dwangsom hebben zij bij dat besluit de maatschap eveneens gelast het mestbassin te verwijderen.

Bij besluit van 24 december 1997 (hierna: besluit II) hebben b&w het tegen deze besluiten door [betrokkene] en de maatschap gezamenlijk gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en, onder herroeping in zoverre van hun besluiten van 21 juli 1997, de maatschap - kort weergegeven - verboden vanaf 1 oktober 1997 toe te staan het mestbassin te (laten) vullen met meer dan 1.250 m³ mest en/of de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid dan 1.250 m³ toe te staan en voorts [betrokkene] en de maatschap gelast het mestbassin hetzij te verwijderen hetzij zodanig aan te passen dat de inhoud daarvan niet groter zal zijn dan 1.250 m³.

In beroep heeft de rechtbank te Middelburg besluit II vernietigd en aan b&w opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak hebben [betrokkene] en de maatschap hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

Bij besluit van 12 februari 2002 hebben b&w reeds een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij uitspraak van 4 december 2002 heeft de Afdeling geoordeeld dat het mestbassin door de maatschap gebruikt wordt in overeenstemming met de vigerende bestemming en dat in de bestemmingsplanvoorschriften geen eisen gesteld worden aan de inhoud of omvang van het bassin. De nieuwe beslissing op bezwaar werd daarom vernietigd. De Afdeling handhaafde haar eerdere oordeel ten aanzien van het gebruik van het mestbassin voor handel en opslag ten behoeve van derden.

1.5 Vervolgens heeft de maatschap gewezen op het besluit van 20 december 2001 (hierna: besluit III), waarbij de gemeenteraad van Goes het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ gewijzigd heeft vastgesteld. Voor het perceel waarop het mestbassin is gelegen is hierbij - kort gezegd - bepaald, dat mestopslag is uitgesloten. Het raadsbesluit is door gedeputeerde staten van Zeeland bij besluit van 2 juli 2002 goedgekeurd. Bij een uitspraak van 29 april 2003 heeft de Afdeling het tegen laatstgenoemd besluit door de maatschap ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit voor zover het betreft het onderhavige perceel vernietigd.

1.6 Tot slot heeft de maatschap erop gewezen dat de gemeente aan [betrokkene] een dwangbevel van 3 januari 1997 heeft laten betekenen. Het daartegen door [betrokkene] gedane verzet is uiteindelijk door het hof bij een arrest van 5 september 2002 gegrond verklaard.

1.7 De maatschap stelt zich op het standpunt, dat de gemeente het door deze besluiten en de in verband met de handhaving daarvan verrichte feitelijke handelingen aan de maatschap gedurende lange tijd en uiteindelijk blijvend onmogelijk heeft gemaakt het mestbassin op een bestemmingsplanconforme wijze te gebruiken en dat de gemeente daardoor jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

Op grond daarvan heeft zij gevorderd, dat de gemeente wordt veroordeeld om de daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met rente te vergoeden.

1.8 De gemeente heeft verweer gevoerd, behoudens ten aanzien van de vordering betreffende het ten onrechte opgelegde verbod om de bewuste mestzak met meer dan 1.500 c.q. 1.250 m³ mest te vullen. Als onderdeel van haar verweer heeft de gemeente een beroep op verjaring gedaan.

1.9 Bij het beroepen vonnis heeft de rechtbank op grond van de uitspraken van de Afdeling de besluiten I, II en III onrechtmatig jegens de maatschap geoordeeld en de gemeente veroordeeld om aan de maatschap te vergoeden de door haar als gevolg van die besluiten geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het meer of anders gevorderde is afgewezen en de gemeente is in de proceskosten aan de zijde van de maatschap veroordeeld.

2 Tegen dit vonnis heeft de gemeente vier grieven aangevoerd.

De eerste grief klaagt over een onjuistheid in de feitenvaststelling en de tweede over een onjuiste gevolgtrekking die hieraan verbonden is. De derde grief richt zich ertegen dat de rechtbank het beroep op verjaring niet behandeld en gehonoreerd heeft. De vierde grief bestrijdt de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling.

3 Het hof zal eerst grief III behandelen. De grief luidt dat, hoewel is komen vast staan dat besluit I onrechtmatig jegens de maatschap is geweest, de daarop gebaseerde vordering van de maatschap is verjaard. Volgens de gemeente is de verjaring door de maatschap niet gestuit nadat de verjaringstermijn met de uitspraak van 21 januari 1999 van de Afdeling was gaan lopen.

3.1 In eerste aanleg heeft de maatschap het beroep op verjaring niet tegengesproken. De rechtbank heeft er in haar uitspraak geen aandacht aan besteed.

De maatschap stelt thans dat zij de verjaring heeft gestuit bij brieven van 27 november 1996 en 31 oktober 1997. Dat standpunt kan niet gevolgd worden omdat ten tijde van de datering van deze brieven nog geen sprake was van een lopende verjaringstermijn. Deze is immers pas begonnen op de door de gemeente gestelde datum van 21 januari 1999.

3.2 De maatschap beroept zich verder op een brief van 2 oktober 2003 van de gemeente, een brief van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) van 18 november 2003 en een gemeenschappelijke verklaring van 5/9 augustus 2004 van de maatschap en de gemeente, welke stukken bij memorie van antwoord in het geding zijn gebracht.

Het hof is van oordeel dat deze stukken geen stuitingshandelingen bevatten of vormen met betrekking tot de verjaring van de schadevordering uit hoofde van besluit I.

Immers, de brief van 2 oktober 2003 ging uit van de gemeente en niet van de maatschap. Deze brief bevat ook geen erkenning van de gemeente van haar aansprakelijkheid uit hoofde van besluit I.

De beide andere stukken die onderling samenhangen zien op een bij de gemeente ingediende schadeclaim waarover verder geen (schriftelijke) informatie is verschaft, zodat onvoldoende gemotiveerd is dat deze stukken een stuitingshandeling vormen ten aanzien van besluit I.

3.3 Het hof is dan ook van oordeel dat de gemeente zich ten aanzien van haar aansprakelijkheid uit hoofde van besluit I terecht erop beroept dat de vordering van de maatschap is verjaard. Grief III is gegrond.

4 De grieven I en II lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.1 De eerste grief keert zich terecht tegen een passage in de feitenvaststelling van de rechtbank. Het hof is op dit punt met verbetering van de desbetreffende passage uitgegaan van hetgeen hierboven onder 1.5 is vermeld.

4.2 De tweede grief klaagt in samenhang hiermee over de interpretatie die de rechtbank met betrekking tot de uitspraak van 29 april 2003 van de Afdeling heeft gegeven alsook over de aan deze interpretatie verbonden gevolgtrekking.

4.3 Blijkens de toelichting op grief II stelt de gemeente dat, nu de Afdeling niet het besluit van de gemeenteraad van 20 december 2001 (besluit III) heeft vernietigd, de onrechtmatigheid van laatstgenoemd besluit niet op grond van de uitspraak van de Afdeling kan worden aangenomen. Daarnaast wijst de gemeente er op dat besluit III geen effect heeft en de maatschap niet (direct) raakt, en betwist zij dat het besluit onrechtmatig is. Voorts meent de gemeente dat, nu de maatschap niet heeft gesteld welke schade zij als gevolg van dit besluit zou hebben ondervonden, ook onvoldoende de onrechtmatigheid van besluit III is gesteld.

De maatschap heeft hiertegen ingebracht dat de uitspraak van de Afdeling zich wel degelijk mede richt tegen besluit III. Op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is de gemeente volgens de maatschap verplicht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen omtrent de onthouding van goedkeuring is overwogen. Daaruit volgt dat de vernietiging van de goedkeuring een rechtmatigheidsoordeel inhoudt ten aanzien van het daaraan ten grondslag liggende vaststellingsbesluit, aldus de maatschap.

4.4 Het hof overweegt dat de Afdeling slechts het besluit van gedeputeerde staten als hierboven vermeld onder 1.5 heeft vernietigd zonder zelf in de zaak te voorzien. De overwegingen in de uitspraak van de Afdeling behelzen dat gedeputeerde staten in navolging van de gemeenteraad hebben overwogen dat het mestbassin reeds in strijd is met het vorige plan, de Facetherziening mestopslag, terwijl uit andere uitspraken van de Afdeling volgt dat mestopslag op het perceel ten behoeve van een akkerbouwbedrijf niet in strijd is met het vorige plan. Het hof stelt vast dat het motiveringsgebrek dat kleefde aan het besluit van gedeputeerde staten, kennelijk ook te vinden was in besluit III. Omtrent de na de vernietiging volgende besluitvorming van hetzij gedeputeerde staten hetzij de gemeente hebben partijen niets gesteld, noch is daarover iets gebleken. Derhalve is niet gebleken of aan het besluit van gedeputeerde staten, en in het verlengde daarvan aan besluit III, een onherstelbaar gebrek kleefde. Vast staat evenwel dat door de vernietiging van de goedkeuring aan de onderhavige vaststelling van het bestemmingsplan, waarbij aan het perceel geen agrarisch bouwblok is toegekend, de werking is ontnomen. In het licht van voormelde overweging van de Afdeling dat bij toetsing van eerdere besluiten al was vastgesteld dat mestopslag niet in strijd was met het vorige plan, valt niet goed in te zien dat besluit III zelfstandige schadelijke gevolgen heeft gehad, die al niet het gevolg waren van (een) ander(e) besluit(en) van de gemeente die deze overwegingen miskenden. Op dit punt heeft de gemeente terecht naar voren gebracht dat de maatschap onvoldoende heeft gesteld welke schade zij heeft geleden door besluit III, gesteld al dat dit onrechtmatig moet worden bevonden, waarna door de maatschap in de memorie van antwoord geen nadere onderbouwing is gegeven.

4.5 De grieven I en II zijn gegrond.

5 De vierde grief bestrijdt de door de rechtbank uitgesproken veroordeling van de gemeente in de proceskosten in eerste aanleg.

5.1 Nu het hof als gevolg van de gegrondbevinding van de grieven I, II en III het beroepen vonnis zal vernietigen en de vordering van de maatschap alsnog voor een kleiner deel zal toewijzen dan de rechtbank heeft gedaan, zal het hof ook een nieuwe beslissing geven over de proceskosten in eerste aanleg.

5.2 De gemeente heeft voor de thans aan de orde zijnde situatie dat het hof de gemeente slechts zal veroordelen tot het vergoeden van de schade, voortvloeiend uit besluit II, betoogd dat de maatschap haar ten onrechte in rechte betrokken heeft omdat de gemeente haar aansprakelijkheid op dat punt al had erkend bij haar brief van 30 november 2005. De gemeente stelt daarom dat de maatschap de proceskosten in eerste aanleg voor haar rekening moet nemen. De maatschap heeft dat bestreden.

5.3 In de brief van 30 november 2005 schrijft de gemeente onder meer: “Naar aanleiding van deze uitspraak [de uitspraak van 4 december 2002 van de Afdeling] kan er vooralsnog van worden uitgegaan dat wij ten onrechte het verbod hebben opgelegd om de bewuste mestzak met meer dan 1250 m³ mest te vullen.”

In het vervolg van de brief bestrijdt de gemeente uitvoerig dat uit haar “onjuiste besluit” voor de maatschap schade is voortgevloeid.

5.4 Tegen deze achtergrond bestond er naar het oordeel van het hof voor de maatschap onvoldoende zekerheid dat zij langs minnelijke weg haar schade als gevolg van besluit II vastgesteld en vergoed zou krijgen. Niet ten onrechte heeft zij daarom de weg naar de rechter gezocht, waarvan de procedure bij de rechtbank de eerste stap vormt. Nu het tevens niet uitgesloten te achten is dat uit besluit II voor de maatschap nadeel is voortgevloeid doordat het daarbij opgelegde verbod haar beperkt kan hebben in de mogelijkheden haar akkerbouwareaal te verzorgen met mest uit het mestbassin, is voldaan aan de voor de toewijzing van de vordering geldende voorwaarde dat de mogelijkheid van schade aanwezig is.

5.5 Met betrekking tot de procedure in eerste aanleg voert het voorgaande het hof tot de conclusie dat partijen geacht kunnen worden beide op onderdelen in het ongelijk te zijn gesteld. Hierbij past het oordeel, dat elk van partijen haar eigen proceskosten in eerste aanleg moet dragen. In zoverre is grief IV gegrond.

6 Deze rechtsoverwegingen leiden tot de volgende slotsom.

6.1 Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de gemeente veroordelen aan de maatschap te vergoeden de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, als gevolg van besluit II. Het voor het overige door de maatschap gevorderde zal worden afgewezen.

6.2 De proceskosten in eerste aanleg worden gecompenseerd, in die zin dat elk van partijen haar eigen kosten draagt.

6.3 Als voortvloeisel hiervan zal de maatschap overeenkomstig de desbetreffende vordering van de gemeente worden veroordeeld aan de gemeente de reeds betaalde proceskosten van de eerste aanleg, vermeerderd met rente, terug te betalen.

6.4 Bij deze uitkomst van het geding past dat de maatschap wordt veroordeeld in de proceskosten van de gemeente in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 11 juni 2008 van de rechtbank te Middelburg;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de gemeente aan de maatschap te vergoeden de door de maatschap geleden en nog te lijden schade als gevolg van het door burgemeester en wethouders van de gemeente op 24 december 1997 jegens de maatschap genomen besluit, welke schade zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;

- wijst het door de maatschap meer of anders gevorderde af;

- compenseert de proceskosten van de eerste aanleg tussen partijen aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;

- veroordeelt de maatschap aan de gemeente tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.225,85, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 juli 2008 tot de dag van voldoening;

- veroordeelt de maatschap in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de gemeente gevallen, begroot op € 374,80 voor verschotten en € 1.341,- voor salaris advocaat, dus te zamen € 1.715,80, bij niet-betaling binnen 14 dagen na heden te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de 15e dag tot de dag van voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de tegen de maatschap gerichte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, J. Kramer en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 augustus 2009 in aanwezigheid van de griffier.