Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BL0034

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
200.010.016-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige hechtenis langer dan opgelegde vrijheidsstraf. Toetsing strafrechter. Onrechtmatige daad van de Staat ? Strijd met artikel 5 of 6 EVRM ? Invloed verdachte op voortduren hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.010.016/01

Rol/zaaknummer rechtbank : 294628 / HA ZA 07-2844

Arrest van de eerste civiele kamer d.d. 29 september 2009

inzake

[APPELLANT]

wonende te [Woonplaats], gemeente [A],

appellant,

hierna te noemen: [Appellant],

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Echt, gemeente Echt-Susteren,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. W. Heemskerk te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 10 juni 2008 is [Appellant] in hoger beroep gekomen van het op 16 april 2008 door de rechtbank te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis. Bij memorie van grieven heeft [Appellant] vier grieven aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord zijn bestreden. Daarna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1 In het beroepen vonnis heeft de rechtbank sub 2.1 tot en met 2.9 de feiten geresumeerd. Daartegen is door geen van partijen een grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Het gaat in dit geding – samengevat – om het volgende.

1.1 Bij vonnis van 7 februari 2006 heeft de rechtbank te Maastricht (hierna: de strafrechter) aan [Appellant] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden opgelegd voor het begaan van een negental strafbare feiten. Daarnaast is bij dat vonnis gelast dat twee eerder opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraffen (van één week en één maand) ten uitvoer zullen worden gelegd.

1.2 Daaraan is voorafgegaan dat [Appellant] op 22 augustus 2004 is aangehouden, waarna hij in voorarrest is gebleven tot de behandeling ter terechtzitting op 1 december 2004. Het onderzoek ter terechtzitting is geschorst in verband met de behoefte van de strafrechter aan (nadere) rapportages door een psychiater en een psycholoog, alsmede voor onderzoek door de reclassering welke voorwaarden gesteld zouden dienen te worden aan een eventuele op te leggen terbeschikkingstelling (hierna: tbs). In afwachting daarvan heeft de strafrechter bepaald dat [Appellant] in voorlopige hechtenis zou blijven.

1.3 Op 18 en 30 mei 2005 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet en telkens – omdat [Appellant] niet meewerkte aan psychologisch onderzoek – opnieuw geschorst, de laatste keer ten behoeve van een observatie van [Appellant] in het Pieter Baan Centrum of het GGzE te Eindhoven. De zaak werd daartoe verwezen naar de rechter-commissaris. Uiteindelijk, na tussentijdse beslissingen van de rechter-commissaris, heeft dit geleid tot een rapportage d.d. 28 december 2005 van het Pieter Baan Centrum te Utrecht. De conclusie daarvan was dat er bij [Appellant] sprake was van een ernstige stoornis van de persoonlijkheid, waarvan de behandeling alleen in een sterk gestructureerde setting als geboden wordt in een tbs-kliniek kan plaatsvinden, en dat [Appellant] ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat deze feiten – indien bewezen – hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

1.4 Op 24 januari 2006 heeft de laatste behandeling ter terechtzitting door de strafrechter plaatsgevonden, waarna op 7 februari 2006 de sub 1.1 genoemde uitspraak is gedaan. [Appellant], die steeds in voorlopige hechtenis was gebleven, is dezelfde dag nog in vrijheid gesteld.

1.5 In totaal heeft [Appellant] aldus 532 dagen in voorarrest doorgebracht. De hem opgelegde vrijheidsstraffen (inclusief de eerder voorwaardelijk opgelegde) beliepen te zamen een periode van 217 dagen. [Appellant] meent dan ook dat hij – na verrekening van tien dagen dat de voorlopige hechtenis geschorst is geweest – per saldo 305 dagen ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

1.6 [Appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat hem hiervoor een schadevergoeding van € 21.425,- vermeerderd met rente wordt toegekend. Bij het beroepen vonnis heeft de rechtbank de vordering afgewezen.

2 De grieven luiden als volgt:

I Ten onrechte is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen plaats is voor toetsing door de civiele rechter.

II Ten onrechte is de rechtbank van oordeel dat in het midden kan blijven of in het onderhavige geval sprake is van veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen door de behandelend strafrechter.

III Ten onrechte gaat de rechtbank voorbij aan hetgeen appellant omtrent artikel 5 lid 3 EVRM stelt en onderbouwt.

IV Ten onrechte komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de vordering van appellant.

2.2 De grieven, die door de Staat zijn bestreden, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.3 In zijn toelichting heeft [Appellant], na een beknopte weergave van het oordeel van de rechtbank, het volgende vooropgesteld:

In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank overweegt zijn het niet de beslissingen van de strafrechter doch met name het optreden van het openbaar ministerie dat appellant ter toetsing aan de civiele rechter wenst voor te leggen. Het openbaar ministerie heeft onrechtmatig gehandeld jegens appellant en is op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de door appellant geleden schade. Voorts heeft geïntimeerde in strijd gehandeld met artikel 5 EVRM.

2.4 Tegen de achtergrond hiervan vat het hof de toelichting op de grieven als volgt samen.

Het openbaar ministerie (hierna: het OM) heeft de bevoegdheid om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen althans te verzoeken, alsmede om de invrijheidstelling van de verdachte te gelasten in afwachting van de beslissing van de rechtbank. Het OM had van die bevoegdheden gebruik moeten maken, omdat het van meet af aan kon weten dat de strafrechter geen vrijheidsstraf zou opleggen die de duur van de voorlopige hechtenis zou overtreffen en evenmin de maatregel van tbs zou opleggen.

Bovendien wist het OM dat [Appellant] niet bereid was om, nadat hij had meegewerkt aan het psychiatrisch onderzoek waaraan hij voorafgaand aan de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting was onderworpen, aan verdere onderzoeken mee te werken. Het OM had dan ook geen verdere rapportages mogen verzoeken. Dergelijke onderzoeken hadden ook kunnen plaatsvinden terwijl [Appellant] op vrije voeten was, maar dat is hem niet aangeboden en dat zou minder ingrijpend en sneller zijn geweest.

[Appellant] heeft zich tijdens de terechtzittingen dan ook steeds tegen het voortduren van de voorlopige hechtenis verzet, zulks indirect met een beroep op artikel 5 EVRM.

Dit leidt ertoe dat in het strafproces fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd. [Appellant] meent dat hij dat voldoende onderbouwd heeft. Nu de strafrechter in het vonnis het opleggen van tbs disproportioneel heeft geacht en dit oordeel steeds al in de rede heeft gelegen, had geen onderzoek mogen plaatsvinden naar de vraag of een dergelijke maatregel in aanmerking kwam. Het eerste psychiatrische onderzoek bood op dit punt voldoende duidelijkheid. Bekend was althans moest zijn dat [Appellant] niet voor alle te laste gelegde feiten veroordeeld zou worden en hem zeker geen gevangenisstraf van ruim achttien maanden zou worden opgelegd.

Door deze gedragingen van met name het OM is geen sprake geweest van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het strafgeding en is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 5 EVRM overschreden.

[Appellant] wijst nog op het arrest HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, waaruit volgens hem volgt dat de behandeling van een strafzaak binnen zestien maanden moet zijn afgerond wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis verblijft. Hij heeft achttien maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht, terwijl er geen sprake was van een complexe zaak. De lange duur van de voorlopige hechtenis is niet een gevolg van een gebrek aan medewerking van [Appellant].

Het had dan ook op de weg van de civiele rechter gelegen de vordering van [Appellant] ook inhoudelijk te beoordelen.

2.5 Het hof oordeelt als volgt.

2.5.1 De uitgebreide toelichting van [Appellant] lijkt eraan voorbij te zien dat weliswaar aan het OM de bevoegdheid toekwam om te vorderen dat de voorlopige hechtenis zou voortduren en dat [Appellant] aan nadere onderzoeken van zijn geestelijke gesteldheid ten tijde van het begaan van de hem verweten strafbare feiten zou worden onderworpen, maar dat het toch de beslissingen van de strafrechter c.q. de rechter-commissaris zijn geweest die ertoe hebben geleid dat de voorlopige hechtenis ook feitelijk heeft voortgeduurd en dat [Appellant] aan een onderzoek in het Pieter Baan Centrum is onderworpen. Nu de strafrechter reeds op de desbetreffende vorderingen van het OM heeft beslist, staat het de civiele rechter niet vrij het handelen van het OM opnieuw te toetsen.

Dienaangaande heeft de rechtbank in het beroepen vonnis dus met juistheid overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen met betrekking tot dergelijke rechterlijke beslissingen zich ertegen verzet de civiele rechter bevoegd te achten de door de strafrechter in de zaak tegen [Appellant] genomen beslissingen op juistheid te toetsen. Dat is slechts anders wanneer de strafrechter beslissingen heeft genomen met veronachtzaming van fundamentele rechtsbeginselen zodat niet langer van een eerlijk en onpartijdig strafproces kan worden gesproken – hetgeen het hof in hetgeen [Appellant] betoogd heeft niet heeft kunnen onderkennen – en de ongunstige gevolgen van die beslissingen voor [Appellant] niet binnen het strafproces ongedaan gemaakt konden worden. Van dat laatste is geen sprake omdat [Appellant] binnen het strafproces bij de rechtbank en zo nodig in hoger beroep bij het gerechtshof voldoende mogelijkheden heeft gehad om het voortduren van de voorlopige hechtenis te bestrijden. Bij deze stand van zaken kan het feit dat het OM andere bevoegdheden niet heeft gebruikt niet zonder meer als onrechtmatig worden aangemerkt.

2.5.2 De omstandigheid dat de strafrechter in het uiteindelijke vonnis, ondanks de daartoe strekkende vordering van het OM, niet de maatregel van tbs heeft opgelegd maar daaraan voorafgaand wel naar aanleiding van de behandeling ter terechtzitting nader (psychiatrische en psychologisch) onderzoek naar de geestelijke gesteldheid van [Appellant] heeft doen plaatsvinden is onvoldoende om aan te nemen dat [Appellant] niet een eerlijk en onpartijdig proces heeft gehad.

2.5.3 Het hof acht dan ook geen termen aanwezig voor het oordeel dat het verloop van het strafproces, mede in het licht van de uiteindelijk opgelegde vrijheidsstraf, in strijd geacht moet worden met het bepaalde in artikel 5 lid 3 EVRM.

2.5.4 Ook de verwijzing naar het arrest van 3 oktober 2000 kan [Appellant] niet baten. Weliswaar heeft de Hoge Raad daarin – in relatie tot het bepaalde in artikel 6 lid 1 EVRM – als algemeen uitgangspunt aanvaard dat in een geval waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert de behandeling in eerste aanleg binnen zestien maanden behoort te zijn afgedaan, maar hij heeft een uitzondering daarop mogelijk geacht indien sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 3.13 van het arrest. Als een zodanige bijzondere omstandigheid wordt genoemd de invloed van de verdachte op het procesverloop. Uit de gedingstukken blijkt dat [Appellant] zich weigerachtig heeft opgesteld met betrekking tot het uitvoeren van verder psychiatrisch en psychologisch onderzoek en dat daardoor enige vertraging is opgetreden. Het is waarschijnlijk te achten dat de behandeling ter terechtzitting sneller had kunnen worden afgerond indien [Appellant] zich positiever had opgesteld. Onder deze omstandigheden acht het hof het aanvaardbaar dat de door de Hoge Raad geformuleerde termijn van zestien maanden, aangevangen met de inverzekeringstelling op 24 augustus 2004 en mitsdien geëindigd op 24 december 2006, met ruim zes weken is overschreden.

2.5.5 Deze overwegingen voeren het hof tot de conclusie, dat de grieven geen doel treffen.

2.5.6 Het hof merkt ten overvloede nog op dat [Appellant], indien hij de rechtmatigheid van de gedragingen van het OM c.q. het uitblijven daarvan, zelfstandig heeft willen doen toetsen, onvoldoende onderbouwd heeft dat deze tot de door hem gestelde schade, te weten het ‘te lang’ in voorlopige hechtenis verblijven, hebben geleid. Het hof laat verder onderzoek dienaangaande dan ook achterwege.

2.6 Het door [Appellant] nog gedane bewijsaanbod wordt als onvoldoende gespecificeerd, en overigens niet ter zake doend, gepasseerd.

3 Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen. Bij deze uitkomst van het geding past dat [Appellant] veroordeeld wordt in de gedingkosten aan de zijde van de Staat.

Beslissing

Het hof:

? bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 16 april 2008 van de rechtbank te ’s-Gravenhage;

? veroordeelt [Appellant] om binnen veertien dagen na heden aan de Staat de proceskosten in hoger beroep te voldoen, die zijn begroot op € 645,- voor griffierecht en € 894,- voor salaris advocaat, derhalve te zamen op € 1.539,-, bij gebreke van tijdige betaling vanaf de vijftiende dag tot de dag van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW;

? verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, J. Kramer en J.C.N.B. Kaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2009 in aanwezigheid van de griffier.