Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK9963

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2009
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
200.026.911
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is het inkomen van de alimentatieplichtige gestegen en is daardoor de behoefte van de minderjarige gestegen? Inkomensstijging, gelet op beroep en carriereverloop, niet aannemelijk. Eigen vermogen en eigen woning doen daaraan niet af. Behoefte ongewijzigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 december 2009

Zaaknummer : 200.026.911/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7464

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.G. Groen te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 24 februari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 november 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 4 september 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 november 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk op de bij de wet voorgeschreven wijze opgeroepen middels een advertentie in een landelijk dagblad, niet verschenen. De vrouw en haar advocaat hebben beiden het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de moeder omtrent een wijziging van de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarige afgewezen.

Voorts is– uitvoerbaar bij voorraad – de door de vader met ingang van 4 juli 2008 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op € 75,- per maand, vanaf de datum van de beschikking telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van die minderjarige kan of zal worden verleend.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedag] 1996 te [woonplaats] ( hierna ook: kinderalimentatie).

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader met ingang van 25 juni 2007, althans vanaf de datum door het hof in goede justitie te bepalen, ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, aan de moeder zal betalen een bedrag van € 500,- per maand, althans die bijdrage vast te stellen op een zodanige bijdrage door het hof in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen vóór de eerste van iedere maand en te vermeerderen met elke wettelijke kindertoelage waarop de vader aanspraak kan maken, alsmede het zelfstandig verzoek van de vader alsnog af te wijzen.

3. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder.

Behoefte

4. De moeder stelt het eigen aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op een bedrag van € 500,- per maand. Zij voert daartoe onder meer aan dat ook de inkomenstmutatie van de niet-verzorgende ouder volgens de alimentatienormen ook lang na het verbreken van de samenleving van belang kan zijn voor de vaststelling van de omvang van de behoefte van de minderjarige. Naar de mening van de moeder is derhalve niet alleen het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van belang, maar dient ook te worden gekeken naar het huidige inkomen van vader en zijn vermogenspositie.

5. Het hof begrijpt de grief van de moeder aldus dat de rechtbank bij het formuleren van de behoefte van de minderjarige ten tijde van de samenleving van juiste inkomensgegevens van partijen is uitgegaan, doch dat de behoefte van de minderjarige thans is gestegen als gevolg van een stijging van het inkomen van de vader.

6. Uit het betoog van de vader in eerste aanleg volgt dat hij de behoefte van de minderjarige van € 500,- per maand heeft bestreden.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de gewisselde stukken volgt dat alleen de vader ten tijde van de samenleving inkomsten uit arbeid had, dat hij toen werkzaam was als timmerman en een inkomen genoot van fl. 1.700,- netto per maand. Voorts volgt uit de gewisselde stukken dat de vader ten tijde van de behandeling bij de rechtbank in eerste aanleg een WW-uitkering genot van € 1.183,80 netto per vier weken.

8. Gezien het beroep van de vader, alsmede gezien zijn carrière verloop acht het hof het niet aannemelijk dat het inkomen van de vader na het verbreken van de samenleving van partijen en rekeninghoudend met de indexatie substantieel is gewijzigd. Het feit dat de vader samen met zijn huidige echtgenote over een vermogen beschikt van USD 169.781,-, alsmede over een eigen woning met een WOZ-waarde van € 224.000,-, welke woning overigens belast is met een hypothecaire geldlening, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder niet aannemelijk gemaakt dat de vader daarnaast nog over andere vermogensbestanddelen beschikt. De grieven ter zake de behoefte van de minderjarige treffen derhalve geen doel. Ook het hof zal uitgaan van een behoefte van de minderjarige van in totaal € 150,- per maand.

Netto inkomsten van partijen

9. Uit de bestreden beschikking volgt dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de verdeling van de behoefte van de minderjarige dient te worden vastgesteld naar rato van de huidige netto inkomsten van partijen. Nu de moeder daartegen geen grief heeft gericht gaat ook het hof daarvan uit.

10. In de grieven 3 en 4 van de moeder leest het hof dat de moeder van mening is dat de rechtbank het netto inkomen van de vader op een onjuiste wijze heeft berekend.

11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank bij de berekening van het netto inkomen van de vader terecht is uitgegaan van een WW-uitkering en een fictief rendement over het vermogen in de dollars van de vader van 4%. Bij gebreke van verdere gegevens gaat het hof ervan uit dat aan de inkomenszijde van de vader sedertdien geen verandering is opgetreden, hetgeen ook niet door de moeder is gesteld.

12. Uitgaande van voormelde inkomenscomponenten is er derhalve naar het oordeel van het hof geen wijziging opgetreden in het huidige inkomen van de vader ten opzichte van het inkomen van de vader bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Nu zulks het geval is, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de behoefte van de minderjarige conform genoemde afspraak aldus moet worden verdeeld; € 75,- per maand voor rekening van de vader en € 75,- per maand voor rekening van de moeder.

13. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeven de grieven voor het overige het overige geen bespreking meer, nu zulks niet kan leiden tot een ander oordeel. De bestreden beschikking dient derhalve te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Kamminga en Breederveld, bijgestaan door mr. Van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

9 december 2009.