Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK9357

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
200.006.559-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2008:BE9187, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen invordering dwangbevel; EVOA-verordening van de Europese Unie; sluikhandel; groene lijst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/15
JAF 2009/117 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 200.006.559/01

Rolnummer rechtbank : 07-1165

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 22 december 2009

inzake

EUROPE METALS B.V.,

gevestigd te Heeze (gemeente Heeze-Leende),

appellante,

hierna te noemen: Europe Metals,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer),

zetelend te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. J.H. Geerdink te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 14 mei 2008 is Europe Metals in hoger beroep gekomen van het vonnis van 9 april 2008, door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Europe Metals drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord (met productie) zijn bestreden. Op 21 september 2009 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, Europe Metals door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te 's-Gravenhage, en de Staat door mr. Geerdink voornoemd, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 Bij besluit van 28 juni 2004 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verder: de Staatssecretaris) aan Europe Metals een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat Europe Metals zich met onmiddellijke ingang dient te onthouden van het overbrengen van afvalstoffen zonder kennisgeving, vergunning en/of schriftelijke toe- of instemming, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding (verder: de last). Europe Metals heeft tegen de last geen rechtsmiddel ingesteld.

1.2 Op 8 juni 2006 hebben de Belgische milieu-autoriteiten te Zeebrugge een container van Europe Metals geopend voor controle. Zij hebben geconstateerd dat Europe Metals voornemens was zonder de daartoe vereiste toestemming op grond van Verordening 259/93 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 1 februari 1993, PbEG L30, betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (verder: EVOA) een container met afval van koper vermengd met door olie doordrenkt papier afkomstig van transformatoren naar China uit te voeren. Zij hebben vervolgens de terugzending van de container naar het bedrijf van Europe Metals te Heeze bevolen. Aldaar is de container op 20 juli 2006 geïnspecteerd door opsporingsambtenaren van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost en de VROM-inspectie. Opsporingsambtenaar [B] heeft in het daarvan opgemaakte proces-verbaal voor zover van belang het volgende verklaard:

“De verzegeling is met mijn toestemming van de container verwijderd

waarna de container is geopend. Ik, verbalisant, zag dat er een olieachtige vloeistof uit de container droop. Ik, verbalisant, zag dat tijdens het openen van de container snippers oliehoudend papier uit de container vielen. (…) Hierna zijn de afvalstoffen uit de container gestort op een vloeistof dichte vloer waarna de volledige partij afvalstoffen duidelijk zichtbaar was. Ik zag dat de partij hoofdzakelijk bestond uit afvallen van koperenband omwikkeld met oliehoudend papier. Ook zag ik dat er rollen met koperdraad/platen welke tussen de lagen/wikkelingen in oliehoudend papier bevatten, koperen ronde kernen welke waren omwikkeld met oliehoudend papier, aansluitkabels welke oliehoudend papier bevatte, een enkele koperen buis. Tevens zag ik dat door de gehele partij losse stukken oliehoudenpapier aanwezig waren.”

1.3 Bij brief van 26 oktober 2006 heeft de Staatssecretaris op grond van onder meer het voorgaande aan Europe Metals meegedeeld dat de lading van de container niet mag worden aangemerkt als groene-lijststof, onder verwijzing naar de aanhef van de groene lijst van afvalstoffen als bedoeld in Bijlage II bij de EVOA (verder: Bijlage II), zakelijk weergegeven en voor zover van belang inhoudende dat afvalstoffen in elk geval niet als groene-lijststoffen mogen worden vervoerd als ze dermate met andere afvalstoffen verontreinigd zijn dat de aan de afvalstoffen verbonden risico’s zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen. De Staatssecretaris heeft dit aangemerkt als een overtreding van de last en van Europe Metals betaling binnen 30 dagen van € 10.000,- gevraagd. Bij brief van 9 november 2006 heeft de raadsman van Europe Metals betwist dat Europe Metals de last heeft overtreden. Bij brief van 20 december 2006 heeft de Staatssecretaris zijn standpunt gehandhaafd en Europe Metals aangemaand tot betaling. Deze is uitgebleven.

1.4 Op 5 februari 2007 heeft de Staatssecretaris een dwangbevel ten laste van Europe Metals uitgevaardigd, strekkende tot betaling van € 10.000,-, vermeerderd met rente en exploitkosten. Het dwangbevel is op 22 februari 2007 aan Europe Metals betekend.

2. Europe Metals is bij de rechtbank in verzet gekomen tegen het dwangbevel en heeft gevorderd dat de rechtbank Europe Metals tot goed opposante tegen het dwangbevel zal verklaren en haar verzet tegen het dwangbevel gegrond zal verklaren, alsmede het dwangbevel zal vernietigen, althans zal verminderen tot een in goede justitie te bepalen bedrag, met kostenveroordeling. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en het verzet ongegrond verklaard.

3. Met haar eerste grief bestrijdt Europe Metals de overweging van de rechtbank dat de Staat de dwangsom verbeurd heeft verklaard omdat de voorgenomen uitvoer betrekking had op een mengsel van koperafval en olie. Europe Metals meent dat daarmee voorbij wordt gegaan aan de inhoud van de brief waarbij de dwangsom is aangezegd en waarin sprake is van koperafval met een zodanige verontreiniging met olie en papier dat het niet meer als groene-lijststof kon worden aangemerkt. Europe Metals brengt naar voren dat het de Staat niet vrijstaat in de loop van de invorderingsprocedure de aanzegging van de dwangsom te wijzigen of aan te vullen, laat staan daaraan een andere grondslag te verbinden. De tweede grief valt het oordeel van de rechtbank aan dat de onderhavige afvalstoffen als een mengsel van twee afvalstoffen moet worden beschouwd. Europe Metals is van mening dat de aanwezigheid van enig oliehoudend papier in een partij koperafval afkomstig van transformatoren onvermijdelijk is en aangemerkt moet worden als een inherent bestanddeel of een inherente verontreiniging. Zij keert zich tevens tegen de overweging van de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat transformatorolie op zichzelf een oranje-lijststof zou zijn. Volgens Europe Metals betreft de onderhavige overbrenging koperafval en geen transformatorolie op zichzelf. In haar derde grief verwijt Europe Metals de rechtbank dat deze haar niet heeft gevolgd in haar stelling dat het om een zodanig geringe en ondergeschikte verontreiniging ging dat deze als niet relevant moest worden aangemerkt in de zin van Bijlage II, niet heeft vastgesteld dat de Staat geen concludente bewijzen heeft aangevoerd voor de stelling dat van zodanige verontreiniging sprake was en niet reeds daarom haar verzet gegrond heeft verklaard. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.

4. Het gaat in deze zaak om de vraag of de Staat terecht bij Europe Metals een dwangsom invordert wegens overtreding van de last. Het hof dient uit te gaan van de geldigheid van de last, nu daaromtrent een bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan die ongebruikt is gelaten.

5. Afvalstoffen en restanten van koper zijn een groene-lijststof (Bijlage II, GA 120). Zij mogen evenwel ingevolge de aanhef van Bijlage II niet als zodanig worden vervoerd, indien zij dermate met andere stoffen verontreinigd zijn dat de aan de afvalstoffen verbonden risico’s zodanig toenemen dat ze voor opname op de oranje of rode lijst in aanmerking komen. In het onderhavige geval staat tussen partijen vast dat de afvalstoffen die Europe Metals wenste uit te voeren, afkomstig waren van transformatoren. Bij het koper bevond zich tevens een hoeveelheid uit transformatoren afkomstig papier- en olieafval. Olieafval, niet geschikt voor het oorspronkelijke gebruik, is onder AC 030 vermeld in Bijlage III bij de EVOA (de oranje lijst). Europe Metals heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat het olieafval dat zich in de container bevond, zonder nadere bewerking geschikt was voor het oorspronkelijke gebruik. Dat het onderhavige olieafval als gevaarlijk moet worden beschouwd, volgt tevens uit de bij Beschikking 94/904 van de Raad van de Europese Gemeenschappen vastgestelde lijst van gevaarlijke afvalstoffen in de zin van Richtlijn 91/689/EEG, waarnaar in artikel 1, derde lid, onder c, van de EVOA wordt verwezen als grondslag voor de behandeling van groene-lijststoffen als waren zij opgenomen in de oranje of de rode lijst. In bedoelde lijst van gevaarlijke afvalstoffen worden onder nummer 1303 afval van olie en andere vloeistoffen voor isolatie en warmteoverdracht als gevaarlijke afvalstoffen in de zin van Richtlijn 91/689/EEG vermeld. Door de Staat is onbetwist gesteld dat afvalolie uit transformatoren daaronder valt.

6. Het hof komt nu toe aan de vraag of het koperafval in de container zodanig met bovenbedoelde transformatorolie was verontreinigd, dat de inhoud van de container voor opname op de oranje lijst in aanmerking komt. Anders dan Europe Metals naar voren brengt, is het hof van oordeel dat de Staatssecretaris gelet op de verklaring van [B], weergegeven in rechtsoverweging 1.3, met juistheid heeft vastgesteld dat door de verontreiniging van de partij met olie en oliehoudend papier de risico’s zodanig waren toegenomen dat de partij voor opname op een andere dan de groene (de oranje) lijst in aanmerking kwam. Anders dan Europe Metals heeft aangevoerd, doet de afwezigheid van PCB’s boven de daarvoor vastgestelde grens daaraan niet af, aangezien, zoals in rechtsoverweging 5 is overwogen, alle afvalolie uit transformatoren als gevaarlijk moet worden aangemerkt. Bovendien heeft Europe Metals de overweging van de rechtbank dat 6% van de lading uit oliehoudend papier bestond, niet bestreden. Het hof acht dat een zodanige hoeveelheid dat niet meer van een zodanig geringe en ondergeschikte verontreiniging sprake is, dat deze als irrelevant voor de toepassing van de aanhef van Bijlage II moet worden aangemerkt. Voorts acht het hof in het bijzonder de constatering van belang dat er olie uit de container droop, een omstandigheid die naar van algemene bekendheid is tot bodemverontreiniging kan leiden. Europe Metals heeft ten slotte nog aangevoerd dat het lekken van olie is veroorzaakt doordat de container lange tijd in de zon heeft gestaan, maar deze omstandigheid dient voor risico van Europe Metals als exporteur te komen.

7. De slotsom is dat de grieven niet tot resultaat leiden. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Daarbij past een veroordeling van Europe Metals in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 april 2008;

- veroordeelt Europe Metals in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden vastgesteld op € 303,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs A.V. van den Berg W.A.J. van Lierop en J. Kramer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2009 in aanwezigheid van de griffier.