Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5648

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2009
Datum publicatie
11-01-2010
Zaaknummer
200.019.008.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging van omstandigheden. Partneralimentatie, ontvankelijkheid, wettelijke maatstaven; pensioengerechtigde leeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 oktober 2009

Zaaknummer : 200.019.008.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 08-920

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H.J. Naber te Dordrecht.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 22 oktober 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juli 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op respectievelijk 3 maart 2009 en 18 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op respectievelijk 19 mei 2009 en 25 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil tussen partijen is de hoogte van de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering in haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2008 op nihil wordt gesteld, althans wordt gesteld op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof zal vermenen te behoren

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

4. Ter onderbouwing van zijn beroepschrift voert de man – kort en zakelijk weergegeven – aan dat hij als gevolg van een wijziging van omstandigheden niet langer in staat is om de vastgestelde partneralimentatie te voldoen. De man is gaan samenwonen met een nieuwe partner, die niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Voorts heeft de man gesteld dat hij [in 2009] de 65-jarige leeftijd zal bereiken als gevolg waarvan zijn inkomen structureel lager zal zijn dan in de voorgaande periode.

5. De vrouw heeft ter terechtzitting mondeling verweer gevoerd. Haar betoog strekt ertoe dat de grieven van de man verworpen worden en de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

6. Het hof overweegt als volgt.

De ontvankelijkheid

7. Aan de orde is het verzoek van de man strekkende tot wijziging van de beschikking van 20 mei 1998 van de rechtbank Dordrecht. Ingevolge artikel 1:401, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat dit het geval is aangevoerd dat hij is gaan samenwonen met een nieuwe partner en dat met ingang van 1 januari 2008 haar inkomsten uit alimentatie van haar ex-partner zijn vervallen als gevolg waarvan zijn partner thans niet langer in staat is om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Naar het oordeel van het hof kan het de door de man gestelde worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de man in zijn beroep kan worden ontvangen.

De partneralimentatie

8. De vraag is of deze wijziging van omstandigheden meebrengt dat de beschikking van 20 mei 1998 van de rechtbank Dordrecht niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Ter beantwoording van deze vraag zal het hof overgaan tot de beoordeling van de draagkracht van de man aangezien de behoefte van de vrouw niet in geschil is.

Draagkracht van de man

9. Aan de zijde van de man gaat het hof uit van de volgende omstandigheden:

­De man woont samen.

­De partner van de man ontvangt sedert 1 januari 2008 niet langer een partneralimentatie van haar ex-echtgenoot.

­Het inkomen van de man over 2008 bedroeg € 36.540,- bruto.

­De ingehouden bijdrage Zorgverzekeringswet bedroeg over 2008 € 2.249,- per jaar.

­De huur van de man bedroeg over 2008 € 561,38 per maand, inclusief servicekosten, met ingang van 1 juli 2009 bedraagt de huur € 573,99 per maand, incl. servicekosten.

­De premie zorgverzekering van de man bedraagt € 95,47 per maand.

­De premie zorgverzekering van de partner van de man bedraagt € 112,14 per maand.

­De partner van de man ontvangt met ingang van 1 januari 2009 een verevend ouderdomspensioen van haar ex-echtgenoot van € 3.202,- bruto per jaar.

­De man zal [in 2009] de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

­De man ontvangt met ingang van 1 juli 2009 een AOW-uitkering van € 686,78 bruto per maand, te vermeerderen met een bedrag van € 40,36 vakantiegeld en een partnertoeslag van € 686,78 bruto per maand, eveneens te vermeerderen met een bedrag van € 40,36 vakantiegeld.

­De man ontvangt met ingang van 1 augustus 2009 een pensioenuitkering van [instantie A] van € 4,08 per maand en van € 296,42 per maand.

­De man ontvangt met ingang van 1 augustus 2009 een pensioenuitkering van [instantie B] van € 173,59 bruto per maand.

Inkomen

10. Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man tot 1 juli 2009 gaat het hof uit van een bruto inkomen van de man van € 36.540,- per jaar, zoals blijkt uit de door de man overgelegde jaaropgave over 2008. Het hof houdt tevens rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

De man stelt dat zij huidige echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien aangezien zij fysieke problemen heeft. De man verwijst naar een medische verklaring van de heer [X], huisarts te [woonplaats]. Voorts heeft de man aangevoerd dat van een 62 jarige vrouw niet meer kan worden verlangd dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De parttime schoonmaakwerkzaamheden die zij in het verleden verrichtte kan zij thans niet meer uitoefenen. Het hof acht het op basis van de door de man gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk dat zijn huidige echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. In het kader van het vaststellen van de draagkracht van de man zal het hof het inkomen dat zijn huidige echtgenote verwerft bij het inkomen van de man optellen, de bijstandsnorm voor een gezin toepassen alsmede een draagkrachtpercentage van 45. Uit de door de man overgelegde stukken betreffende zijn partner over 2008 volgt dat zij geen inkomsten heeft genoten over dit jaar. Het hof zal derhalve slechts de aan haar toekomende algemene heffingskorting in aanmerking nemen bij het berekenen van de draagkracht over 2008. Vanaf van 1 januari 2009 ontvangt de nieuwe partner van de man een verevend ouderdomspensioen van haar ex-echtgenoot van € 3.202,- per jaar met welk bedrag het hof vanaf die datum als aanvullende netto inkomsten rekening zal houden.

11. Ter zake het inkomen van de man gaat het hof vanaf 1 juli 2009 van een AOW-uitkering van € 686,78 bruto per maand, te vermeerderen met een bedrag van € 40,36 vakantiegeld en een partnertoeslag van € 686,78 bruto per maand, eveneens te vermeerderen met een bedrag van € 40,36 vakantiegeld.

Voorts houdt het hof (met ingang van 1 augustus 2009) rekening met een pensioenuitkering van [instantie A] van in totaal € 300,50 per maand en een pensioenuitkering van [instantie B] van € 173,59 bruto per maand. Aldus bedraagt het totale bruto inkomen van de man per 1 augustus 2009 € 1.928,- bruto per maand. Tot slot houdt het hof rekening met de van toepassing zijnde heffingskorting.

Lasten

12. De man voert in zijn draagkrachtberekening over 2008 voorts nog een premie begrafenispolis van € 39,- per maand op en autokosten (ter verwerving van inkomen) van € 200,- per maand. Het hof zal geen rekening houden met de begrafenisverzekering aangezien deze kostenpost niet dient te prevaleren boven de alimentatieverplichting van de man. Gezien het feit dat de vrouw geen verweer heeft gevoerd tegen de kosten van ververwering van € 200,- per maand zal het hof met die kosten tot 1 juli 2009, zijnde de pensioengerechtigde leeftijd van de man, rekening houden.

Conclusie

13. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man over de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 een alimentatie voor de vrouw toelaat van € 194,- per maand, over de periode van 1 januari 2009 tot 1 juli 2009 een alimentatie van € 403,- per maand en vanaf 1 juli 2009 geen alimentatie.

Ingangsdatum

14. Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting acht het hof het redelijk om de wijziging te laten ingaan op 1 april 2008. De man heeft immers tot 1 april 2008 de bijdrage aan de vrouw volledig voldaan en de vrouw heeft in redelijkheid niet eerder dan met ingang van de datum indiening verzoekschrift in eerste aanleg, te weten 20 maart 2008, rekening hoeven te houden met een verlaging van de alimentatie.

15. Een en ander brengt mee dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd.

16. Gelet op consumptieve karakter van de partneralimentatie alsmede het feit dat de vrouw met ingang van 1 april 2008 een bijstandsuitkering ontvangt, is het hof van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij eventueel teveel ontvangen of geïncasseerde alimentatie over de periode vanaf 1 april 2008 zal terug betalen.

17. Het hof beslist mitsdien als na te melden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 20 mei 1998 van de rechtbank te Dordrecht – de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 april 2008 op € 194,- per maand, met ingang van 1 januari 2009 op € 403,- per maand en met ingang van 1 juli 2009 op nihil;

bepaalt dat de vrouw de sedert 1 april 2008 door haar teveel ontvangen alimentatie niet behoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Labohm en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Van Drunick als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2009.