Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5286

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
22-006180-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. De verdachte vermoedde dat zijn vriendin vreemd ging en na een korte woordenwisseling heeft hij haar met een vuurwapen door het hoofd geschoten.

Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006180-08

Parketnummer: 09-757655-08

Datum uitspraak: 28 september 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 oktober 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats](Dominicaanse Republiek) op [dag] 1967,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 september 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks [dag] 2008 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een semi-automatisch pistool, in elk geval met een vuurwapen, een kogel heeft afgevuurd in het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het voerenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks [dag] 2008 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een semi-automatisch pistool, in elk geval met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd in het hoofd van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

2.

hij op of omstreeks 12 mei 2008 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (merk Tanfoglio type GT 28), voorhanden heeft gehad.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft naar analogie van artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht geconcludeerd dat het ook voor een misdrijf als het onderhavige als een strafverzwarende omstandigheid heeft te gelden wanneer dit misdrijf is begaan tegen een levensgezel. De advocaat-generaal beschouwt het als een omissie van de wetgever dat deze strafverzwarende omstandigheid niet expliciet is opgenomen in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. In het licht van de wetsgeschiedenis van de wetswijziging in verband met de herijking van de strafmaxima, lijkt dit wel de bedoeling van de wetgever te zijn geweest. Volgens de advocaat-generaal behoort het tot de rechtsvormende taak van de rechter om deze lacune in de wet aan te vullen.

Nu zowel de verdachte als het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij elkaar op het moment van het misdrijf als levensgezel beschouwden, heeft de advocaat-generaal, rekening houdend met deze strafverzwarende omstandigheid, gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof overweegt als volgt.

Indien een slachtoffer levensgezel is van de dader, heeft de wetgever dit in geval van mishandeling, als bedoeld in artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht, expliciet als strafverzwarende omstandigheid opgenomen. Nu de wetgever bij voormelde wetswijziging deze strafverzwarende omstandigheid niet ook in de wet heeft opgenomen voor feiten als het onderhavige, kan naar het oordeel van het hof een dergelijke relatie tussen dader en slachtoffer wel een rol spelen bij de strafoplegging, maar niet op dezelfde wijze als bij het voormelde wetsartikel inzake mishandeling.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. De verdachte vermoedde dat zijn vriendin vreemd ging en na een korte woordenwisseling heeft hij haar met een vuurwapen door het hoofd geschoten. Het mag een wonder worden genoemd dat het slachtoffer slechts ernstig gewond is geraakt en niet is komen te overlijden. Dit laatste is ook bepaald niet aan de verdachte te danken. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard nog immer last te hebben van geheugenstoornissen. Blijkens een medische verklaring heeft de kogel de slagader naar de rechter hersenhelft beschadigd. Dit kan in de toekomst problemen geven met de bloedvoorziening van de hersenen. Door zijn handelen heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voorts dragen feiten als het onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust, niet alleen bij degenen die hiermee direct zijn geconfronteerd.

In beginsel is een langdurige gevangenisstraf dan ook passend en geboden.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof er rekening mee dat - naast de relatief beperkt gebleven lichamelijke gevolgen - de psychische schade voor het slachtoffer beperkt is gebleven. Immers, het slachtoffer en de verdachte hebben ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven nog steeds een relatie te hebben en ook in de toekomst samen verder te willen.

Tevens is de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 augustus 2009 , niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport, opgesteld op 19 augustus 2008 door drs. J.H.A.M. Kobussen, psycholoog-psychotherapeut.

De rapporteur concludeert dat er bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een verstandelijke beperking. Ten tijde van het onder 1 tenlastegelegde feit was er volgens de rapporteur ook sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van cocaïne-intoxicatie. De beperkte verstandelijke vermogens zorgen ervoor dat de verdachte niet goed in staat is de ernst van zijn handelen en de consequenties daarvan in te schatten. Bovendien worden emoties door de verdachte met een welhaast kinderlijke intensiteit ervaren, waarbij hij verminderd weerstand kan bieden aan de impuls om te handelen naar zijn gevoelens van dat moment. Er is echter geen sprake van een gebrekkige gewetensfunctie, aldus de rapporteur; verdachte was zich bewust van de wederrechtelijkheid van zijn handelen. De rapporteur adviseert om de verdachte voor de hem tenlastegelegde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het hof komt met inachtneming van de beschouwingen en de conclusies van deze deskundige tot het oordeel dat de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof is derhalve - alles overwegende - van oordeel dat een lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is geëist, een passende en geboden reactie vormt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de oplegging van de straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. A.W.M. Bijloos, in bijzijn van de griffier mr. A.M.F.F. van Rede-van den Bosch.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 september 2009.

mr. A.W.M. Bijloos is buiten staat dit arrest te ondertekenen.