Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5284

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2009
Datum publicatie
03-12-2009
Zaaknummer
22-003486-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 2 juli 2008 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 25 juni 2008 waarbij de verdachte is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft vervolgens eerst op 24 april 2009 een appèlmemorie ingediend bij de rechtbank ’s-Gravenhage. Daarmee heeft de officier van justitie – gelet op het bepaalde in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering – de termijn voor het indienen van de appèlmemorie met ruim negen maanden overschreden. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen, laat staan een aanvaardbare, verklaring voor het te laat indienen van de appèlmemorie gegeven. Het feit dat de appèlschriftuur duidelijk maakt waartegen het hoger beroep zich richt, dat de verdachte weet wat haar verweten wordt en dat het hof geen nadeel van de te late indiening heeft ondervonden bij de voorbereiding van de zitting maakt de overschrijding van de termijn, en daarmee het verzuim, niet minder ernstig. Voorts is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval het (maatschappelijk) belang van de strafzaak niet zodanig groot is dat dat behoort te prevaleren boven het belang van sanctionering van het gewraakte verzuim. Derhalve wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 33

Uitspraak

Rolnummer: 22-003486-08

Parketnummers: 09-527849-08 en 09-527979-08

Datum uitspraak: 26 oktober 2009

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

Meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juni 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

[adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Op 2 juli 2008 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis d.d. 25 juni 2008 waarbij de verdachte is vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De officier van justitie heeft vervolgens eerst op 24 april 2009 een appèlmemorie ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage. Daarmee heeft de officier van justitie - gelet op het bepaalde in het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering - de termijn voor het indienen van de appèlmemorie met ruim negen maanden overschreden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen verklaring voor het te laat indienen van de appèlmemorie gegeven. De advocaat-generaal heeft het hof verzocht het openbaar ministerie, ondanks het verzuim, ontvankelijk te achter in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 september 2009, LJN: BI 4078. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat uit de behandeling in eerste aanleg en de appèlmemorie voldoende duidelijk wordt wat het standpunt van het openbaar ministerie is en waarom het openbaar ministerie in hoger beroep is gekomen. Voorts heeft het hof voldoende voorbereidingstijd gekregen voor de behandeling van de onderhavige zaak. Bovendien weet de verdachte waarvan ze verdacht wordt en wat de argumenten van het openbaar ministerie zijn. Ten slotte heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de verdachte - na een eerdere waarschuwing van het openbaar ministerie voor haar praktijken - via internet meerdere mensen financieel heeft gedupeerd. De advocaat-generaal stelt dat het belang van een strafrechtelijke behandeling in deze zaak moet prevaleren boven de te late indiening van de appèlmemorie.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De regeling met betrekking tot het instellen van appèl en het indienen van een appèlschriftuur luidt, voor zover van belang, sinds de invoering van 1 maart 2007 van de Wet van 5 oktober 2006 als volgt:

Artikel 410 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering:

'De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.'

Artikel 416 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering: 'Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.'

Artikel 416 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering: 'Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.'

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 2005-2006, 30320, nr. 3, p. 11-12) wordt hieromtrent het volgende opgemerkt:

'Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet.

Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid).

Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.'

(...)

(p. 51) 'Het derde lid (van artikel 416 Wetboek van Strafvordering) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appèlschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.'

In de nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, 2005-2006, 30320, nr. 6, p. 3) wordt hierover opgemerkt:

'De veertien-dagen termijn is een termijn van orde. Niettemin brengt overschrijding van deze termijn een risico mee voor de appellant, namelijk dat het gerechtshof kan besluiten om een schriftuur die niet tijdig bij de stukken is gevoegd, buiten beschouwing te laten. De leden van de CDA-fractie vragen of niet, wanneer sprake is van professionele rechtsbeoefenaren (openbaar ministerie en advocatuur), voor de appellant een verplichting kan worden ingevoerd om grieven in te dienen op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep. Dit voorstel komt neer op invoering van een grievenstelsel. De regering heeft hier na ampele overweging van afgezien.

De appèlrechter afhankelijk te maken van de indiening van grieven zou onvoldoende recht doen aan de volledige, eigen verantwoordelijkheid die de strafrechter in het Nederlandse systeem heeft voor een juiste beantwoording van de kernvragen van het strafgeding (zie artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering).

(...)

Het voorgaande laat twee dingen onverlet. Ten eerste dat in het wetsvoorstel de indiening van een schriftuur door het openbaar ministerie is vormgegeven als een wettelijke verplichting, waarvan niet-nakoming een vormverzuim oplevert. Ten tweede dient de rechter van zijn ambtshalve onderzoeksvrijheid met beleid gebruik te maken opdat, zoals deze leden zelf aangeven, het recht van hoger beroep niet te vrijblijvend wordt.'

Uit het voorgaande blijkt dat niet alleen het niet indienen, maar ook het niet tijdig indienen van een appèlschriftuur tot niet-ontvankelijkheid in het ingestelde hoger beroep kan leiden. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten te beoordelen of de omstandigheid dat niet of niet tijdig een appèlschriftuur is ingediend, in concreto tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.

In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe het volgende.

De termijn voor het indienen van een appèlschriftuur is aanzienlijk overschreden, nu deze ruim negen maanden na het instellen van het hoger beroep is ingediend. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen, laat staan een aanvaardbare, verklaring voor het te laat indienen van de appèlmemorie gegeven.

Het feit dat de appèlschriftuur duidelijk maakt waartegen het hoger beroep zich richt, dat de verdachte weet wat haar verweten wordt en dat het hof geen nadeel van de te late indiening heeft ondervonden bij de voorbereiding van de zitting maakt de overschrijding van de termijn, en daarmee het verzuim, niet minder ernstig. Voorts is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval het (maatschappelijk) belang van de strafzaak niet zodanig groot is dat dat behoort te prevaleren boven het belang van sanctionering van het gewraakte verzuim. Derhalve zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,

mr. S.A.J. van 't Hul en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. K. van Laarhoven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 oktober 2009.

Mr. P.H. Holthuis is buiten staat dit arrest te ondertekenen.